ECLI:NL:RBAMS:2012:BX9819
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg herlevingstermijn WW-uitkering bij intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering
Eiser had een WW-uitkering die eindigde vanwege het verkrijgen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (IVA). Deze arbeidsongeschiktheidsuitkering is later ingetrokken omdat eiser niet arbeidsongeschikt bleek te zijn. Eiser verzocht daarop om herleving van de WW-uitkering.
De rechtbank beoordeelde of het recht op WW-uitkering herleeft volgens artikel 21, derde lid, van de WW, dat een herlevingstermijn van zes maanden hanteert met uitzondering voor ziekte of arbeidsongeschiktheid. De rechtbank concludeerde dat eiser niet onder deze uitzondering valt omdat achteraf geen arbeidsongeschiktheid volgens de wet was vastgesteld.
De rechtbank volgde de uitleg van de Centrale Raad van Beroep dat de herlevingstermijn bedoeld is om te voorkomen dat werknemers met een te grote afstand tot de arbeidsmarkt aanspraak maken op WW. Omdat eiser niet arbeidsongeschikt was in wettelijke zin, kan zijn recht op WW-uitkering niet herleven. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat het recht niet kan herleven na intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en overschrijding van de herlevingstermijn.