ECLI:NL:RBAMS:2012:BW2552

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13-651252-11
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld en bedreiging in vereniging

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 12 april 2012 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die beschuldigd werd van diefstal met geweld en bedreiging. De tenlastelegging betrof een overval op 22 juli 2011 in een juwelierszaak te Amsterdam, waarbij de verdachte samen met anderen een aantal bankbiljetten, sieraden en andere waardevolle goederen heeft weggenomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de diefstal voorafgegaan en vergezeld ging van geweld en bedreiging met geweld tegen het slachtoffer, die met een vuurwapen en andere wapens werd bedreigd. De rechtbank heeft de bewijsvoering grondig gewogen en kwam tot de conclusie dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank heeft de strafeisen van de officier van justitie in overweging genomen, die een gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden had geëist, en heeft deze straf uiteindelijk opgelegd. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij, die schadevergoeding eiste voor de geleden materiële en immateriële schade, toegewezen. De totale schadevergoeding is vastgesteld op € 12.331,96, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft de verdachte ook verplicht om deze schadevergoeding te betalen, met de mogelijkheid van hechtenis bij niet-betaling.

De rechtbank heeft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen, maar oordeelde dat deze niet voldoende waren om de straf te matigen. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan diefstal met geweld en bedreiging, en heeft de strafbaarheid van het feit en de verdachte bevestigd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarbij de rechters de zaak op een openbare zitting hebben behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/651252-11
Datum uitspraak: 12 april 2012
op tegenspraak
VERKORT VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te Suriname op [1983],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 oktober 2011, 24 januari 2012 en 29 maart 2012.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 22 juli 2011 te Amsterdam (in een winkel genaamd Juwelier Kristal N.V., gevestigd Haarlemmerstraat 99 a) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke
toeëigening heeft weggenomen een aantal bankbiljetten en/of een zakje met sloopgoud en/of een aantal sieraden en/of een aantal horloges en/of een schakelketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)
- een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of
- dat (vuur)wapen, althans dat op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd en/of de nek van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp tegen de keel van die [slachtoffer] heeft/hebben gedrukt en/of
- die [slachtoffer] tegen de grond heeft/hebben geduwd en/of
- met dat (vuur)wapen, althans met dat op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen om in de toiletruimte op zijn knieen te gaan zitten en/of
- (op dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Klootzak geef alles, waar is de sleutel van de kluis, waar heb je geld en/of
- het geluid van een taser aan die [slachtoffer] heeft/hebben laten horen;
(artikel 312 Wetboek van strafrecht).
2. Voorvragen
3. Waardering van het bewijs
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 juli 2011 te Amsterdam in een winkel genaamd Juwelier Kristal, gevestigd Haarlemmerstraat 99 a tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal bankbiljetten en een zakje met sloopgoud en een aantal sieraden en een aantal horloges en een schakelketting, toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat verdachte en zijn mededaders
- een vuurwapen, op die [slachtoffer] hebben gericht en gericht gehouden en
- dat vuurwapen tegen het hoofd en de nek van die [slachtoffer] hebben gedrukt en
- die [slachtoffer] tegen de grond hebben geduwd en
- met dat vuurwapen die [slachtoffer] hebben gedwongen om in de toiletruimte op zijn knieën te gaan zitten en
- op dreigende toon tegen die [slachtoffer] hebben gezegd: "Klootzak geef alles, waar is de sleutel van de kluis, waar heb je geld” en
- het geluid van een taser aan die [slachtoffer] hebben laten horen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
4. Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf en maatregel
7.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir onder meer gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 24.638,56, bestaande uit € 23.138,56 aan materiële schade en € 1500 aan immateriële schadevergoeding en dat voorts hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht zal worden toegewezen. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank over de in beslag genomen en niet terug gegeven voorwerpen zal beslissen conform de op haar op de zitting van 29 maart 2012 aan de rechtbank en de raadsman overgelegde handgeschreven lijst.
7.2. Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat - kort gezegd – er op vier gronden reden is tot strafvermindering en heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.
De eerste grond betreft de onrechtmatige staandehouding van verdachte. Ten tijde van de staande houding was er geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan de overval. Het voldoen aan het signalement van drie zwarte mannen is te beperkt.
De tweede grond betreft de onrechtmatige aanhouding van verdachte. Ten tijde van de aanhouding was er geen sprake van een andere grond dan die van voornoemd signalement van drie zwarte mannen. Verdachte is pas na zijn aanhouding weggerend.
De derde grond betreft het feit dat de aanhouding van verdachte met een ongepaste en ongelimiteerde aantasting van de lichamelijke integriteit van verdachte gepaard is gegaan. Uit de zich in het dossier bevindende processen-verbaal blijkt niet van verzet van verdachte. Daarnaast is verdachte toen hij was geboeid, hardhandig bij zijn nek vastgepakt en is zijn neus dichtgeknepen en hem daarna pas geboden zijn mond open te doen. De reden van deze ingrijpende methoden zijn niet duidelijk geworden.
Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat er met betrekking tot de verklaring van verdachte op 23 juli 2011 ten overstaan van een arrestantenverzorgster sprake is van misleiding en deze verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Verdachte is hierdoor in zijn recht op een eerlijk proces getroffen in zoverre dat hij niet vrijelijk zijn proces-houding heeft kunnen bepalen. Daarnaast is met het bewust buiten medeweten van verdachte meeluisteren van een collega van arrestantenverzorgster op de gang, inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte, waardoor hij in zijn belangen is geschaad.
7.3. Oordeel van de rechtbank
7.3.1. Oordeel ten aanzien van de verweren
De rechtbank overweegt ten aanzien van voornoemde verweren van de raadsman als volgt.
De combinatie van het feit dat de inzittenden van de Audi aan het opgegeven signalement voldeden van 3 negroïde personen en dat de Audi kort na de overval, te weten 8 minuten na de melding bij de politie, in de nabije omgeving van de plaats van de overval reed, maakt dat er sprake is van voldoende redelijk vermoeden van schuld om tot staande houding over te gaan. De rechtbank verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman op dit punt.
De rechter-commissaris heeft reeds op 25 juli 2011 beslist dat er geen sprake is van een onrechtmatige aanhouding. De rechtbank deelt dit oordeel, nog daargelaten dat een beroep hierop in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Uit de gronden die tot de staande houding hebben geleid in combinatie met het feit dat één van de passagiers niet voldeed aan het bevel van de opsporingsambtenaar om in de auto te blijven zitten en probeerde weg te vluchten kan een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering worden ontleend. De rechtbank verwerpt mitsdien ook dit verweer van de raadsman.
Gelet op de omstandigheden en het feit dat de melding dat de verdachten bij de overval gebruik zouden hebben gemaakt van een vuurwapen, een taser en een mes, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van disproportioneel handelen van de verbalisanten bij de aanhouding van verdachte. Ook op dit punt verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.
Wel is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat de gang van zaken aangaande de verklaring die verdachte ten overstaan van de arrestantenverzorgster heeft afgelegd niet aan de wettelijk gestelde eisen voldoet. Echter blijkt uit de verhoren van verdachte nadien niet dat verdachte hierdoor later niet in alle vrijheid heeft kunnen verklaren. Verdachte is bij zijn verhoor een week later, op 3 augustus 2011, bijgestaan door zijn raadsman en heeft toen verklaard bereid te zijn om een verklaring af te leggen. Ook in zijn latere verhoren blijkt niet van het tegendeel. Derhalve kan niet worden gesteld dat verdachte zodanig in zijn belangen is geschaad dat er sprake dient te zijn van strafvermindering. Derhalve zal de rechtbank geen gevolgen verbinden aan de gang van zaken. Ook dit verweer wordt mitsdien verworpen.
7.3.2. Oordeel ten aanzien de handgeschreven lijst van in beslag genomen goederen
De rechtbank overweegt ten aanzien van de handgeschreven lijst van de officier van justitie dat uit deze lijst niet voldoende blijkt welke goederen er onder welke verdachte in beslag zijn genomen, zodat de rechtbank dit niet als officiële beslaglijst aanmerkt. Nu een beslaglijst conform de wettelijke vereisten ontbreekt, zal de rechtbank geen beslissing nemen over het beslag.
7.3.2. Oordeel strafoplegging
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft samen met zijn mededaders puur uit eigen geldelijk gewin een overval op een juwelier gepleegd, waarbij het slachtoffer met een vuurwapen is bedreigd en waarbij ook het gebruik van geweld niet is geschuwd. Het is een zeer beangstigende en ingrijpende ervaring voor het slachtoffer geweest. Het slachtoffer vreesde voor zijn leven. Naast de materiële schade heeft het slachtoffer lichamelijke en psychische klachten door de overval ondervonden. Het slachtoffer is gestopt met zijn werkzaamheden in zijn juwelierszaak. Bovendien leert de ervaring dat dergelijke delicten de reeds in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid versterken. Verdachte is niet eerder veroordeeld.
Conform de Landelijke oriëntatiepunten van het LOVS is voor een overval in een winkel met ander geweld dan licht geweld/bedreiging met geweld, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar in beginsel passend. Strafvermeerderende factoren zijn conform voornoemde oriëntatiepunten in dit geval het samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn mededaders en de soort wapens die bij de overval zijn gebruikt.
Al het voorgaande in ogenschouw nemende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat hij illegaal is en hij daarom niet in aanmerking zal komen voor een verblijf in half of open inrichtingen en verloven, geen aanleiding om de straf te matigen, zoals door de raadsman is verzocht. Verdachte heeft weliswaar bekend de overval te gepleegd, maar dit laat, gelet op de ernst van het feit en al het hiervoor overwegende, geen ruimte voor matiging van de straf, zoals door de officier van justitie is geëist.
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], zoals ingediend op 17 januari 2012, niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 12.331,96 (twaalduizenddriehonderdéénendertig euro en zesennegentig eurocent ). Bestaande uit
€ 10.831,96 (tienduizendachthonderdéénendertig euro en zesennegentig eurocent) aan materiële schade, te weten de kosten zoals gevorderd ten aanzien van de psychologen, medicijnen en reiskosten en voorts € 10.000,00 als voorschot op de sierraden, sloopgoud, geld en bedrijfslasten gedurende de periode 22/7/2011 t/m 24/8/2011 (vermeld als gederfde winst), en € 1500,00 (vijftienhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende op het adres [adres] [plaats], toe tot een bedrag van € 12.331,96 (twaalduizenddriehonderd-éénendertig euro en zesennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, bestaande uit € 10.831,96 (tienduizendachthonderdéénendertig euro en zesennegentig eurocent) als voorschot op de materiële schade en € 1500,00 (vijftienhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen de som van € 12.331,96 (twaalduizenddriehonderdéénendertig euro en zesennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 96 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan één van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Salomon, voorzitter,
mrs. P.B. Martens en G.W.A. Lamsvelt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2012.