ECLI:NL:RBAMS:2011:BT8402
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering compensatie vertraging vlucht wegens vervaltermijn
In deze zaak vorderden zes passagiers compensatie van KLM wegens een vluchtvertraging van meer dan 12 uur op een vlucht van Amsterdam naar Kuala Lumpur in juli 2006. De eisers stelden aanspraak te maken op een vergoeding van €600 per persoon, totaal €3.600,00, op grond van EU-Verordening 261/2004.
De vordering werd pas in 2010, ruim vier jaar na de vertraging, ingediend. KLM verweerde zich met een beroep op de vervaltermijn van twee jaar die geldt voor vorderingen uit overeenkomsten van luchtvervoer volgens artikel 8:1835 BW Pro. De rechtbank oordeelde dat deze vervaltermijn van toepassing is en dat stuiting niet mogelijk is.
De rechtbank wees het verweer van eisers af dat zij niet op de termijn waren gewezen en dat het Sturgeon-arrest, dat de compensatieregeling verduidelijkt, pas na het verstrijken van de termijn was gewezen. De eisers werden niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot compensatie wegens vertraging vlucht wordt afgewezen wegens verstrijken vervaltermijn van twee jaar.