ECLI:NL:RBAMS:2011:BR6623
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Weigering opheffing executoriaal beslag op inkomen in gemeenschap van goederen
Eiser vordert in kort geding de opheffing van een executoriaal beslag dat is gelegd op zijn inkomen ter verhaal van een vordering op zijn echtgenote. Dit beslag is gelegd op basis van een onherroepelijk vonnis tegen zijn echtgenote. Eiser stelt dat hij geen schuldenaar is en dat het beslag onrechtmatig is. Daarnaast betwist hij de berekening van de beslagvrije voet.
De rechtbank overweegt dat eiser en zijn echtgenote in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, waardoor eiser ook aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenote. Hierdoor kan beslag worden gelegd op het inkomen van beide echtgenoten. De rechtbank oordeelt dat de beslagvrije voet door gedaagde correct is berekend volgens artikel 475d, derde lid, Rv, waarbij de inkomens van beide echtgenoten worden betrokken.
Omdat gedaagde een evident belang heeft bij het beslag en er geen bijzondere omstandigheden zijn die opheffing rechtvaardigen, wordt de vordering van eiser afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag op het inkomen van eiser wordt afgewezen.