ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9870
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet afdwingbare uitkering van opgebouwde inventarisreserves verzorgingshuizen door CVZ
De zaak betreft een geschil tussen meerdere verzorgingshuizen en het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) over de uitkering van opgebouwde inventarisreserves uit investeringsbudgetten over de jaren 1998 en 1999. De verzorgingshuizen stellen dat er een overeenkomst is gesloten tijdens een ambtelijk overleg in 2000, waarbij het CVZ zich verplichtte tot uitkering van deze reserves. Het CVZ heeft deze reserveringen echter niet toegekend bij de subsidievaststellingen en heeft latere aanvragen van de verzorgingshuizen afgewezen.
De rechtbank stelt vast dat er weliswaar een overeenkomst is gesloten, maar dat deze onlosmakelijk verbonden is met het bestuursrechtelijke subsidietraject. De besluiten van het CVZ tot afwijzing van de uitkering hebben formele rechtskracht verkregen, en de verzorgingshuizen hebben nagelaten tijdig beroep in te stellen bij de bestuursrechter. Hierdoor moet de civiele rechter uitgaan van de rechtmatigheid van deze besluiten.
De rechtbank wijst de vorderingen van de verzorgingshuizen af en veroordeelt hen in de proceskosten. Er zijn geen klemmende omstandigheden die een uitzondering op de formele rechtskracht en de niet-benutting van de bestuursrechtelijke beroepsgang rechtvaardigen. Ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking faalt omdat het CVZ niet onrechtmatig heeft gehandeld.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de verzorgingshuizen af en veroordeelt hen in de proceskosten.