ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ5315
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening beëindiging toeslag op grond van Toeslagenwet
Eiser, woonachtig in Turkije en ontvanger van een WAO-uitkering, verzocht het UWV om terug te komen op het besluit tot beëindiging van de toeslag ingevolge de Toeslagenwet per 1 juli 2003. Dit verzoek werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die herziening rechtvaardigen. De rechtbank overwoog dat jurisprudentie op zichzelf geen grond vormt voor herziening van rechtens onaantastbare besluiten.
Eiser voerde aan dat het UWV in 2003 aan alle betrokkenen, ongeacht of zij bezwaar hadden gemaakt, een toeslag had toegekend en dat dit een gerechtvaardigd vertrouwen schept dat ook hij gecompenseerd zou worden. De rechtbank oordeelde dat hiervoor geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging was gedaan en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel daarom faalde.
Daarnaast stelde eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel, maar de rechtbank vond dat eiser zich niet in dezelfde positie bevond als de personen met wie hij zich vergeleek, omdat hij geen bezwaar of beroep had ingesteld tegen het besluit van 2003.
De rechtbank concludeerde dat de verwijzingsuitspraak van de Centrale Raad van Beroep geen nieuw feit oplevert in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb en verklaarde het beroep van eiser ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten of vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om niet terug te komen op de beëindiging van de toeslag per 1 juli 2003 wordt ongegrond verklaard.