ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9438
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter in paspoortzaak met verblijf in Marokko
In deze zaak verzocht de vrouw, die zich met haar minderjarige dochter in Marokko bevindt, de rechtbank om een verklaring van toestemming voor het verkrijgen van een nieuw Nederlands paspoort voor haar dochter. De man, haar echtgenoot, weigert medewerking en stelt dat de gewone verblijfplaats van het kind inmiddels in Marokko is.
De rechtbank heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter getoetst aan de hand van artikel 34 van Pro de Paspoortwet, artikel 5 Rv Pro en de Verordening Brussel II-bis. Hierbij is vastgesteld dat de gewone verblijfplaats van het kind nog steeds in Nederland is, mede gelet op het feit dat het kind in Nederland is geboren, de vader en oudere zus in Nederland wonen en de vrouw aangeeft zo spoedig mogelijk terug te willen keren.
De rechtbank concludeert dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de rechtbank Amsterdam de juiste instantie is om kennis te nemen van het verzoek. De zaak is aangehouden om partijen opnieuw ter zitting te laten verschijnen met het oog op het beproeven van een vergelijk.
De beslissing is genomen door rechter A.H.E. van der Pol en uitgesproken op 2 maart 2011.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam verklaart zich bevoegd en houdt verdere beslissing aan om partijen opnieuw te horen.