ECLI:NL:RBAMS:2010:BQ2134
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag overname betalingsverplichtingen bij faillissement wegens niet-opeisbare vordering
Eiser was van oktober 2006 tot januari 2008 in dienst bij een werkgever die in juni 2008 failliet werd verklaard. Eiser diende in december 2008 een aanvraag in bij het UWV voor overname van betalingsverplichtingen op grond van de WW, welke werd afgewezen omdat verweerder meende dat de werkgever een opeisbare vordering op eiser had.
Eiser betwistte de vordering en stelde dat hij niet schuldig was aan smokkel, waardoor geen schadevordering kon bestaan. De rechtbank oordeelde dat de enkele brieven van werkgever en curator onvoldoende bewijs boden voor een opeisbare vordering, mede omdat eiser zijn persoonlijke spullen terugkreeg en er geen procedure tegen hem was gestart.
De rechtbank stelde vast dat zonder een opeisbare vordering verrekening niet mogelijk is en dat verweerder daarom niet bevoegd was de aanvraag af te wijzen. Het bestreden besluit werd vernietigd en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werden de proceskosten en griffierecht aan eiser toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens het ontbreken van een opeisbare vordering.