ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1256

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
976678 CV EXPL 08-25005
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:345 BWArt. 3 lid 1 onder b EG-verordening 261/2004Art. 7 lid 1 EG-verordening 261/2004Art. 7 lid 3 EG-verordening 261/2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldige cessie en compensatieplicht luchtvaartmaatschappij op grond van EG-verordening 261/2004

In deze zaak vordert EUclaim namens passagiers compensatie van KLM op grond van EG-verordening 261/2004. De passagiers hadden hun vorderingen aan EUclaim gecedeerd. KLM stelde dat de cessie niet rechtsgeldig was en dat compensatie niet verschuldigd was omdat passagiers op Curaçao al bijstand en compensatie hadden ontvangen.

De kantonrechter oordeelde dat de cessie rechtsgeldig was, ook voor de vordering van een minderjarig kind, omdat de ouders als wettelijk vertegenwoordigers de vordering hadden overgedragen zonder dat een machtiging van de kantonrechter nodig was. Verder werd geoordeeld dat de verordening ook van toepassing is als er op een derde land geen regeling bestaat die compensatie en bijstand voorschrijft zoals in de verordening is bepaald.

Omdat KLM geen geldelijke compensatie had verstrekt conform artikel 7 lid 1 van Pro de verordening en geen schriftelijke toestemming had voor alternatieve compensatie, was KLM alsnog gehouden tot compensatie. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toegewezen. KLM werd veroordeeld tot betaling aan EUclaim en in de proceskosten.

Uitkomst: KLM is veroordeeld tot betaling van compensatie, incassokosten en rente aan EUclaim wegens rechtsgeldige cessie en compensatieplicht op grond van EG-verordening 261/2004.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Kanton
Locatie Amsterdam
Rolnummer: 976678 CV EXPL 08-25005
Vonnis van: 1 april 2010
F.no.: 568
Vonnis van de kantonrechter
i n z a k e
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EUCLAIM B.V.,
gevestigd te Brummen,
eiseres,
nader te noemen: EUclaim,
gemachtigde: J.M. van Meggelen,
t e g e n
de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
gedaagde,
nader te noemen: KLM,
gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers.
VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Op 13 mei 2009 is een tussenvonnis gewezen, waarbij de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast. De comparitie van partijen heeft geen doorgang gevonden. Partijen hebben nadere stukken overgelegd. De kantonrechter verwijst naar de rolmededeling van 26 augustus 2009. Partijen hebben vervolgens beide nog een (nadere) akte ingediend. Hierna is opnieuw vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. Voor de vaststaande feiten, de vordering en het verweer verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis van 13 mei 2009. Het lijkt niet langer zinvol dat partijen persoonlijk op een zitting komen om nadere inlichtingen te verstrekken en de mogelijkheid van een schikking te onderzoeken. De kantonrechter acht zich voldoende voorgelicht om in de onderhavige zaak te beslissen.
2. De kantonrechter verwerpt het verweer van KLM, dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vorderingen van de passagiers aan EUclaim. Uit de inhoud van de onderhavige akte van cessie blijkt voldoende dat de cessie tot doel had de vorderingen van de passagiers daadwerkelijk te doen overgaan op EUclaim. De omstandigheid dat de tegenprestatie van EUclaim voor de overdracht afhankelijk is van de uitkomst van de procedure, is niet voldoende voor het oordeel dat in dit geval geen sprake zou zijn van een geldige titel van overdracht. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking, dat EUclaim blijkens de akte van cessie onder meer op zich heeft genomen een eventuele incassoprocedure te financieren. EUclaim moet in dit licht geacht worden het juridisch en economisch risico van de passagiers te hebben overgenomen.
3. De kantonrechter volgt KLM tegen deze achtergrond voorts niet in haar verweer dat EUclaim in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard voor zover deze betrekking heeft op het minderjarige kind van de passagiers, [naam 1]. Aan KLM kan worden toegegeven dat de ouders op de voet van artikel 1:345 BW Pro een machtiging van de kantonrechter zouden behoeven om voor [naam 1] in rechte op te treden. In dit geval is hiervan echter geen sprake. Mede gezien hetgeen hiervoor onder 2. werd overwogen moet worden aangenomen dat de ouders de vordering van [naam 1] - daarbij handelende in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van deze laatste - hebben overgedragen aan EUclaim. Gronden om aan te nemen dat deze overdracht niet rechtsgeldig zou hebben plaatsgevonden zijn niet gebleken. Als uitgangspunt geldt derhalve dat EUclaim thans een eigen vordering indient. Zij behoefde hiervoor geen machtiging van de kantonrechter.
4. KLM heeft voorts als verweer aangevoerd, dat zij in dit geval niet tot compensatie van de passagiers was gehouden, omdat deze in Curaçao al bijstand en compensatie hadden ontvangen als bedoeld in artikel 3 lid 1 onder Pro b van EG-verordening 261/2004 (hierna: de verordening). Dit artikel bepaalt voor zover van belang:
1. Deze verordening is van toepassing
a) (…)
b) op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, [onderstreping kantonrechter] indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is.
5. In dit geval was op Curaçao geen sprake was van een locale regeling die het geven van bepaalde voordelen of compensatie en bijstand voorschreef.
6. Gezien het beschermende karakter van de verordening kan niet worden aanvaard dat in een dergelijk gevallen aan toepassing van de verordening kan worden ontkomen doordat op grond van een eigen regeling van de luchtvaartmaatschappij andere of mindere voordelen of compensatie en bijstand worden verstrekt dan artikel 7 van Pro de verordening voorschrijft. De verordening moet geacht worden zich ook over deze gevallen uit te strekken. Van ‘bepaalde voordelen of compensatie’ als bedoeld in de voormelde bepaling kan dan ook slechts worden gesproken voor zover deze voldoen aan hetgeen artikel 7 van Pro de verordening dienaangaande voorschrijft.
7. In het onderhavige geval staat vast dat van een geldelijke compensatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 van Pro de verordening geen sprake is geweest. Voorts is niet gebleken dat KLM op de voet van artikel 7 lid 3 schriftelijke Pro toestemming van de passagiers had verkregen voor het op andere wijze verstrekken van de compensatie. Dit betekent dat KLM op grond van de hiervoor onder 4. genoemde regelgeving alsnog tot compensatie van de passagiers was gehouden. De vordering van EUclaim is derhalve toewijsbaar zoals hierna te vermelden.
8. Voldoende gebleken is dat er kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag aan deze kosten komt de kantonrechter niet onredelijk voor. Ook dit onderdeel van vordering is derhalve toewijsbaar.
9. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
10. KLM zal bij deze uitkomst van de procedure worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van EUclaim.
BESLISSING
De kantonrechter:
I. veroordeelt KLM tot betaling aan Euclaim van:
- € 1.800,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2008 tot aan de voldoening;
- € 357,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
II. veroordeelt KLM in de proceskosten, aan de zijde van Euclaim tot op heden begroot op:
- € 201,00 aan griffierecht;
- € 74,30 aan explootkosten;
- € 450,00 aan salaris gemachtigde;
- € 725,30 in totaal;
inclusief eventueel verschuldigde BTW;
III. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
IV. wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mr. F. van der Hoek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter