ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6185
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- C.J. Polak
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen gezamenlijke huishouding bij bijstandsaanvraag wegens gebrek aan wederzijdse zorg
Verzoekster diende een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de WWB, waarbij zij aangaf alleenstaande ouder te zijn en een kamer te huren. Verweerder stelde na onderzoek dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding met een medebewoner, mede op basis van een advies van de fraudepreventiemedewerker en een huisbezoek. Dit leidde tot afwijzing van de uitkering.
Verzoekster betwistte dit en voerde aan dat de huurovereenkomst een zakelijk karakter had, dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat het besluit onzorgvuldig was genomen omdat het advies van de bezwaarschriftencommissie niet werd gevolgd. De rechtbank beoordeelde de feiten, waaronder het gebruik van de woning, de financiële afspraken, het samen eten en de huishoudelijke taken.
De rechter concludeerde dat verzoekster en de medebewoner weliswaar hetzelfde adres hadden, maar dat er onvoldoende wederzijdse zorg was. De huurprijs werd gezien als een bijdrage in de huishouding, maar het gebruik van de woning was beperkt en de gezamenlijke activiteiten waren sporadisch en niet indicatief voor een gezamenlijke huishouding. Het besluit werd vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen het oordeel in de hoofdzaak staat beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de bijstandsuitkering wordt vernietigd.