ECLI:NL:RBAMS:2008:BG2142
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoeker heeft een bijstandsuitkering aangevraagd op grond van de norm voor een alleenstaande, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat uit onderzoek bleek dat hij een gezamenlijke huishouding voert met een ander persoon. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard en het daaropvolgende beroep werd afgewezen. Verzoeker diende daarop een nieuw verzoek in voor een bijstandsuitkering en een verzoek om voorlopige voorziening, welke ook werden afgewezen.
De voorzieningenrechter overweegt dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, sub a, van de WWB niet beperkt is tot (gewezen) echtgenoten en geregistreerde partners, maar ook geldt voor ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren. Dit oordeel is gebaseerd op de wetssystematiek en vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarbij de beoordeling van een gezamenlijke huishouding op objectieve criteria is gebaseerd.
Omdat verzoeker en de andere persoon hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden zijn aangemerkt, is het rechtsvermoeden van toepassing. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af. Tevens worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding terecht is toegepast.