ECLI:NL:RBAMS:2008:BC5955
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. van Hees
- A.C.A. Wildenburg
- L.R. Wisse
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot nietigverklaring en wijziging erfpachtbedingen inzake gemeenschappelijke tuinen
In deze zaak vorderen diverse woningcorporaties primair de nietigverklaring van bedingen in erfpachtakten die hen verplichten gemeenschappelijke tuinen met openbaar karakter aan te leggen en te onderhouden, en subsidiair wijziging of ontbinding van deze bedingen op grond van onvoorziene omstandigheden na het tuinstadarrest van de Hoge Raad van 9 juni 2000.
De rechtbank stelt vast dat de primaire vordering tot nietigverklaring verjaard is op grond van artikel 3:306 BW Pro, waardoor deze wordt afgewezen. De subsidiaire vordering tot wijziging wordt getoetst aan artikel 5:97 lid 1 BW Pro, dat wijziging mogelijk maakt bij onvoorziene omstandigheden die wijziging rechtvaardigen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Hoewel de rechtbank erkent dat het tuinstadarrest een onvoorziene omstandigheid vormt, oordeelt zij dat de gevolgen daarvan niet van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de erfpachtakten onredelijk is. De corporaties hebben onvoldoende onderbouwd waarom zij van hun aanleg- en onderhoudsverplichtingen bevrijd zouden moeten worden. Ook de gemeente wijst op lopende plannen voor grootschalige vernieuwing van de tuinen, waardoor de huidige situatie tijdelijk is.
De vordering tot schadevergoeding wegens onverschuldigde betaling wordt eveneens afgewezen omdat de bedingen onverkort van kracht blijven. De corporaties worden veroordeeld in de proceskosten van de gemeente.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de corporaties af en veroordeelt hen in de proceskosten.