ECLI:NL:RBAMS:2007:BB9221
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Eigendom en bewijslast van de hond Diëgo tussen partijen A en B
Partijen verschillen over de eigendom van de hond Diëgo, een kruising dwergpincher. A stelt eigenaar te zijn omdat zij de hond sinds 16 november 2004 verzorgt, laat chippen en inenten en de kosten draagt. B betwist dat zij eigendom heeft overgedragen en stelt dat A de hond slechts tijdelijk verzorgde.
De rechtbank beoordeelt dat B gemotiveerd heeft betwist dat zij zich van de eigendom wilde ontdoen, waardoor de bewijslast in principe bij A ligt. Echter, op grond van bepalingen over bezit en houderschap uit het Burgerlijk Wetboek, wordt het bezit van A vermoed te goeder trouw te zijn, en B mag tegenbewijs leveren dat A zich niet als rechthebbende beschouwde of redelijkerwijs mocht beschouwen.
De rechtbank overweegt dat dit tegenbewijs zwaar is en moet bestaan uit bewijs van het ontbreken van goede trouw. De verklaringen van partijen staan lijnrecht tegenover elkaar en er is onvoldoende reden om aan één van beide sets meer gewicht toe te kennen. Daarom wordt de zaak aangehouden om B de gelegenheid te geven getuigen te horen en nader bewijs te leveren. De uiteindelijke beslissing hangt af van het slagen van dit tegenbewijs.
Uitkomst: De rechtbank staat B toe tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat A eigenaar is en houdt verdere beslissing aan voor nader bewijs.