ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1853
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg en afdwingbaarheid optieovereenkomst tussen appartementseigenaren na overlijden en toescheiding
In deze zaak draait het om de uitleg van een optieovereenkomst uit 1993 tussen eigenaren van twee appartementen in één pand, waarbij A en B samen het ene appartement bezitten en D het andere. Na het overlijden van D ontstond een geschil over de uitoefening van een koopoptie door A en B op het appartement van D, dat kort voor overlijden was toegescheiden aan C, de levenspartner en erfgenaam van D.
De rechtbank stelt vast dat de koopoptie volgens de overeenkomst geldt bij overlijden van D en niet pas na overlijden van zowel D als C. De toescheiding aan C zonder medewerking van A en B is een toerekenbare tekortkoming van D jegens A en B, waardoor A en B recht hebben op schadevergoeding. Deze schade kan het beste worden vergoed door levering van het appartement aan A en B tegen de in de optieovereenkomst vastgestelde maximale prijs, die aanzienlijk lager is dan de marktwaarde.
Het beroep van C op nietigheid van de optieovereenkomst wegens strijd met goede zeden, openbare orde, of het ontbreken van een notariële akte faalt. Ook het beroep op onvoorziene omstandigheden wordt verworpen. De rechtbank veroordeelt C om mee te werken aan de overdracht en wijst de vorderingen van C in reconventie af.
Uitkomst: C wordt veroordeeld tot levering van het appartement aan A en B tegen de overeengekomen maximale prijs.