ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9974
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Sj.A. Rullmann
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige detentie wegens ten onrechte uitgevoerde vervangende hechtenis na wetswijziging
Eiser werd bij vonnis van 21 augustus 2002 verplicht tot betaling van ruim 20 miljoen euro wegens wederrechtelijk verkregen voordeel, met vervangende hechtenis als sanctie bij niet-betaling. Het hof Amsterdam bekrachtigde dit vonnis op 14 februari 2003. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van eiser niet-ontvankelijk op 18 november 2003, waardoor het arrest onherroepelijk werd.
Per 1 september 2003 trad een wetswijziging in werking die de vervangende hechtenis bij ontnemingsmaatregelen verving door lijfsdwang op basis van een verlof van de strafrechter. Eiser werd desalniettemin sinds 14 maart 2005 gedetineerd op grond van vervangende hechtenis, terwijl dit volgens de nieuwe wetgeving niet meer toegestaan was.
De rechtbank oordeelt dat het arrest van het hof pas op 18 november 2003 onherroepelijk werd, en dat de vervangende hechtenis daarom niet ten uitvoer had mogen worden gelegd na de wetswijziging. De Staat handelt onrechtmatig door eiser zonder geldige titel vast te houden en wordt veroordeeld tot onmiddellijke vrijlating en betaling van proceskosten.
Uitkomst: De Staat wordt bevolen eiser binnen 24 uur in vrijheid te stellen wegens onrechtmatige detentie.