ECLI:NL:RBAMS:2007:BA6277
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verschoningsrecht bij voorlopig getuigenverhoor in civiele procedure
In deze civiele bodemzaak heeft Partrust Beheer B.V. een voorlopig getuigenverhoor verzocht waarbij A en B, beiden werkzaam bij de AFM, als getuigen zijn opgeroepen. A en B beriepen zich op hun verschoningsrecht op grond van artikel 1:89 van Pro de Wet op het financieel toezicht (Wft), dat geheimhouding van op toezichtwetgeving verkregen gegevens waarborgt.
Partrust betwistte dit beroep en stelde dat er een rechtens te respecteren belang bestaat bij het horen van A en B, omdat zij betrokken zijn bij de informatieverstrekking aan Fortis en ING, die onderwerp van het geschil is. De rechtbank oordeelde dat het verschoningsrecht niet betekent dat A en B niet hoeven te verschijnen; zij moeten ter zitting verschijnen om hun beroep op het verschoningsrecht toe te lichten.
De rechtbank concludeerde dat Partrust niet is komen vast te staan dat de vragen alleen betrekking hebben op vertrouwelijke informatie en dat A en B geen aanvullende feiten hebben gesteld die hun verschoning rechtvaardigen. Daarom werd het verzoek om ontslag van verschijningsplicht ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om de enquête te schorsen afgewezen, aangezien beroep tegen deze beschikking schorsing van rechtswege veroorzaakt.
De beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink en op 24 mei 2007 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek van de getuigen om te worden ontslagen van hun verschijningsplicht bij het voorlopig getuigenverhoor wordt ongegrond verklaard.