ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ6721
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Regresrecht van de Staat op gerechtsdeurwaarder bij tekort op bijzondere rekening
De Staat der Nederlanden vordert regresbetalingen van A en B, gerechtsdeurwaarders die samenwerkten onder de naam ABC, vanwege een tekort van ruim €2,8 miljoen op een bijzondere rekening die voortkomt uit een executoriale verkoop van aandelen. De Staat baseert zijn vorderingen op artikel 480 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat hoofdelijke aansprakelijkheid van de Staat en regresrecht op de deurwaarder regelt.
A en B zijn uit hun ambt gezet wegens ernstige tuchtrechtelijke overtredingen. De Staat stelt dat beide deurwaarders als zodanig aansprakelijk zijn, ook omdat zij samenwerkten in een maatschap en een gezamenlijke rekening hielden. A betwist dit en stelt dat hij niet als deurwaarder in de zin van artikel 480 lid 3 Rv Pro moet worden beschouwd. De rechtbank volgt dit standpunt en oordeelt dat alleen de natuurlijk persoon die met de executie is belast als deurwaarder in de zin van artikel 480 Rv Pro geldt.
B wordt wel als deurwaarder aangemerkt en is hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort. De rechtbank wijst de vorderingen tegen A af en veroordeelt B tot betaling van het volledige bedrag aan de Staat. Ook de vordering tot betaling van rente en toekomstige kosten wordt toegewezen. De proceskosten worden verdeeld waarbij de Staat de kosten aan de zijde van A moet vergoeden en B de kosten aan de zijde van de Staat. De rechtbank benadrukt dat het niet relevant is of B verwijt treft voor het tekort; aansprakelijkheid volgt uit de wet.
Uitkomst: De Staat krijgt regresbetaling van B, niet van A, voor het tekort op de bijzondere rekening.