ECLI:NL:RBAMS:2006:AY2623
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J.R.M. Vermolen
- B.M. Vroom-Cramer
- J.L. Hillenius
- Rechtspraak.nl
Toestemming tot overlevering ter executie van vrijheidsstraf wegens drugshandel ondanks gedeeltelijke feiten in Nederland
De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 juli 2006 een verzoek tot overlevering van een Franse verdachte, geboren in 1969, ten behoeve van de executie van een onherroepelijke vrijheidsstraf van drie jaar en acht maanden wegens internationale handel in verdovende middelen. De verdachte was gedetineerd in Nederland en werd bijgestaan door een Franse tolk en raadsman.
De kern van het geschil betrof de strafbaarheid van het gebruik van verdovende middelen, dat in Frankrijk wel strafbaar is gesteld maar niet expliciet in de Nederlandse Opiumwet. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van middelen op lijst I en II van de Opiumwet geacht moet worden onder het begrip 'aanwezig hebben' te vallen, wat strafbaar is volgens artikel 2 en Pro 3 onder C van de Opiumwet. Daarmee was aan het vereiste van dubbele strafbaarheid voldaan.
Hoewel de feiten deels in Nederland waren gepleegd, vond de rechtbank dat artikel 13 van Pro de Overleveringswet, dat overlevering kan weigeren bij feiten deels gepleegd in Nederland, niet van toepassing was op executieoverleveringen. De rechtbank stond daarom de overlevering toe voor de vrijheidsstraf, maar weigerde deze voor de opgelegde geldboete, omdat de Overleveringswet alleen overlevering ter executie van vrijheidsstraffen regelt.
De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman dat overlevering ontoelaatbaar was en concludeerde dat de Franse vervolging gegrond was en dat het belang van Nederland bij vervolging gering was. De overlevering werd toegestaan zonder mogelijkheid tot gewoon rechtsmiddel.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe voor executie van de vrijheidsstraf, maar weigert overlevering voor de geldboete.