ECLI:NL:RBAMS:2005:AT6265
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering Nederlander aan Zweden wegens onttrekking minderjarige aan wettig gezag
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een Nederlander aan Zweden wegens onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag. De verdachte erkende het feit, maar was zich niet bewust van de strafbaarheid. De overlevering kon alleen plaatsvinden indien Zweden garanties gaf over de strafuitvoering, wat werd bevestigd.
De rechtbank constateerde dat een deel van het strafbare feit in Nederland was gepleegd, waardoor artikel 13 lid 1 sub a van Pro de Overleveringswet de overlevering verbiedt. Het Openbaar Ministerie verzocht om af te zien van deze weigering vanwege het belang van goede rechtsbedeling, maar de rechtbank vond de motivering onvoldoende, met name ontbrak een overweging over subsidiariteit en alternatieven voor voorlopige hechtenis.
De raadsman voerde aan dat de verdachte in Nederland vaste woon- en werkomgeving heeft, zorgplicht draagt en dat overlevering onomkeerbare gevolgen zou hebben. Pogingen tot overleg met Zweedse autoriteiten over vrijwillige melding zonder voorlopige hechtenis liepen op niets uit.
De rechtbank concludeerde dat het Openbaar Ministerie niet aannemelijk had gemaakt dat het belang van goede rechtsbedeling zwaarder woog dan het belang van de verdachte. Daarom werd de overlevering geweigerd en de detentie opgeheven. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de Nederlander aan Zweden en heft zijn detentie op.