ECLI:NL:RBAMS:2005:AT5163
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.E. Leijten
- P.B. Martens
- P.M. Vos
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs opzettelijke kindermishandeling met heet water
Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk toebrengen van brandwonden en een gebroken sleutelbeen aan een driejarig meisje. Het incident vond plaats op 18 november 2004, waarbij het slachtoffer eerste- en tweedegraads brandwonden opliep door contact met heet water.
Tijdens de terechtzitting verklaarde verdachte dat zij per ongeluk heet water over het slachtoffer had gemorst bij het legen van een waterkoker in een dweilemmer. De rechtbank achtte deze verklaring niet kennelijk onwaar en vond dat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevatte dat het letsel opzettelijk was toegebracht.
De verklaringen van pleegouders werden niet als bewijs gebruikt vanwege het de-auditu karakter en het ontbreken van een juist verhoor van het slachtoffer. Gezien het ontbreken van bewijs werd verdachte vrijgesproken en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van opzettelijke kindermishandeling.