ECLI:NL:RBAMS:2005:AT3171
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- T.P.J. de Graaf
- J.J. Bade
- A.M. Ruige
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over kwalificatie en exporteerbaarheid van Wajong-uitkering onder EU-verordening 1408/71
Twee jonggehandicapte eiseressen ontvingen een Wajong-uitkering die door het UWV werd beëindigd nadat zij naar respectievelijk Frankrijk en Duitsland waren verhuisd. De Wajong kent sinds 1998 een exportbeperking, waardoor uitkeringen aan personen die buiten Nederland wonen worden stopgezet. De eiseressen betwisten deze beëindiging en stellen dat de uitkering onder EU-regelgeving mogelijk anders moet worden gekwalificeerd.
De rechtbank analyseert de Wajong in het licht van Verordening 1408/71, met name artikel 4 lid 2 bis Pro en artikel 10 bis Pro, waarin bijzondere, niet op premie gebaseerde prestaties worden geregeld. De Wajong wordt vergeleken met de WAO, een reguliere premiegefinancierde arbeidsongeschiktheidsverzekering die onder artikel 4 lid 1 valt Pro. De Wajong verschilt doordat zij gericht is op jonggehandicapten zonder arbeidsverleden en wordt gefinancierd uit algemene middelen.
De rechtbank constateert dat de Wajong kenmerken vertoont van zowel een sociale verzekering als sociale bijstand, maar twijfelt of deze kwalificeert als een bijzondere prestatie in de zin van artikel 4 lid 2 bis Pro. Ook is onduidelijk of de Wajong als een vervangende of aanvullende prestatie op de WAO kan worden gezien. Gezien deze onzekerheden legt de rechtbank een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie om duidelijkheid te verkrijgen over de kwalificatie van de Wajong en de toepassing van de exportbeperking.
Uitkomst: De rechtbank legt een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie over de kwalificatie van de Wajong-uitkering en de toepassing van de exportbeperking.