ECLI:NL:RBAMS:2004:AR7230
Rechtbank Amsterdam
- Hoger beroep
- A.J.R.M. Vermolen
- P.B. Martens
- J.N.A. Jolink
- Rechtspraak.nl
Beslissing over Europees Aanhoudingsbevel en overlevering aan Zweden
De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 december 2004 een vordering tot overlevering van een persoon aan Zweden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Zweedse justitiële autoriteiten. De opgeëiste persoon werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot diefstal, diefstal met geweld, aanranding van de eerbaarheid, mishandeling en bedreiging.
De verdediging voerde verweren aan op grond van het ontbreken van een beëdigde vertaling van het EAB, verjaring van de strafvordering en schending van het recht op een redelijke termijn. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat een beëdigde vertaling niet verplicht is en dat de strafvordering niet verjaard is volgens Nederlands recht. Ook werd geoordeeld dat de feiten ernstig genoeg zijn om niet als 'petty crimes' te worden beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat overlevering geweigerd wordt voor de poging tot mishandeling omdat deze niet strafbaar is volgens Nederlands recht, maar dat overlevering voor de overige feiten wel wordt toegestaan. De opgeëiste persoon heeft ontkend schuldig te zijn, maar kon dit niet aannemelijk maken. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Overlevering wordt geweigerd voor poging tot mishandeling maar toegestaan voor overige strafbare feiten.