ECLI:NL:RBAMS:2002:AD7694

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/021316-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige opzetheling van verduisterde juwelen en diamanten

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor meervoudige opzetheling van juwelen en diamanten die door verduistering in dienstbetrekking waren verkregen. Verdachte en zijn mededaders wisten dat de goederen afkomstig waren van verduisteringen gepleegd door een medeverdachte en hebben deze goederen in bezit gehad en verborgen gehouden.

De bewezenverklaring betreft het bezit van onder meer vier ringen en een grote hoeveelheid diamanten en sieraden met een waarde van ongeveer 14 miljoen gulden. Verdachte heeft ook actief bijgedragen aan de vlucht van de medeverdachte met een deel van de buit. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte uit puur winstbejag handelde.

De rechtbank heeft de dagvaarding deels nietig verklaard voor een onduidelijk onderdeel, en verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De strafoplegging bestaat uit een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank hield rekening met het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten was veroordeeld en dat hij na aanhouding heeft meegewerkt door de bergplaatsen van de goederen te noemen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar wegens meervoudige opzetheling.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM
Parketnummer: 13/021316-01
Datum uitspraak: 3 januari 2001
op tegenspraak
VERKORT VONNIS
van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, 8e meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:
verdachte,
geboren te A. op 2 juni 1961,
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 december 2001.
1. Telastelegging.
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.
2. Voorvragen.
Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt.
Voor wat betreft het subsidiaire gedeelte van het onder 2. primair telastegelegde, waar het bestanddeel “anders dan door misdrijf” is telastegelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit gedeelte niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dit gedeelte van de telastelegging is immers kwalificatief en niet nader feitelijk ingevuld. Voor het overige voldoet deze telastelegging wel aan voornoemde eisen.
De dagvaarding wordt dan ook ten aanzien van het onder 2. primair telastegelegde partieel nietig verklaard, namelijk waar in subsidiaire zin het bestanddeel “anders dan door misdrijf” is telastegelegd.
3. Waardering van het bewijs.
3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2. primair is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1. telastegelegde:
op 3 augustus 2001 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, vier ringen voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten, dat het door verduistering in dienstbetrekking verkregen goederen betroffen;
ten aanzien van het onder 2. subsidiair telastegelegde:
in de periode van 4 augustus 2001 tot en met 4 september 2001 te Almere en te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een grote hoeveelheid diamanten en juwelen en sieraden voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten, dat het door verduistering in dienstbetrekking verkregen goederen betroffen,
zulks terwijl voornoemde diamanten en juwelen en sieraden een totale waarde (zijnde een vaste verrekenprijs) hebben van ongeveer 14 miljoen gulden.
Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
4. Het bewijs.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
5. De strafbaarheid van de feiten.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van hetgeen onder 2. primair is telastegelegd en voorts dat het de onder 1. en 2. subsidiar verweten gedragingen bewezen zijn en gevorderd hem voor die feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1. en 2. primair telastegelegde.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Verdachte en zijn mededaders hebben meermalen door middel van opzetheling, welk strafbaar feit op zichzelf het plegen van andere (vermogens)delicten bevordert, geprofiteerd van de door [verdachte P.] gepleegde verduisteringen.
Verdachte, die op de hoogte was van het faillissement van [verdachte P.] in persoon en van diens bedrijf Euro Diamonds, heeft op 3 augustus 2001 ringen aangenomen van [verdachte P.] in de wetenschap dat hij die (kostbare) ringen nooit rechtmatig kon hebben verkregen.
Verdachte en zijn mededaders hebben vervolgens uit puur winstbejag zich bereid verklaard de buit van “de grote slag” van [verdachte P.] te willen bewaren en nadien de goederen op verschillende plaatsen verborgen.
Tevens heeft verdachte [verdachte P.] aktief bijgestaan bij diens vlucht uit Nederland met medeneming van een aantal diamanten.
Voor dergelijk gedrag is in beginsel een gevangenisstraf passend en geboden.
Anderzijds weegt de rechtbank ten voordele van verdachte mee dat hij, blijkens het hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat verdachte kort na zijn aanhouding de bergplaatsen van de verduisterde goederen heeft genoemd, bekennende verklaringen heeft afgelegd en dat hij zodoende blijk heeft gegeven het onjuiste van zijn handelwijze in te zien.
De rechtbank vindt in een en ander aanleiding een werkstraf op te leggen. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte in de toekomst te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing:
Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 2. primair telastegelegde partieel nietig, namelijk waar in subsidiaire zin het bestanddeel “anders dan door misdrijf” is telastegelegd.
Verklaart het onder 2. primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1. en 2. subsidiair bewezenverklaarde:
opzetheling, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze straf in mindering gebracht zal worden volgens de maatstaf van 2 uur per dag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.G. Bauduin, voorzitter,
mrs. P.H.M. Kuster en C.M.E. de Koning, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.D. Overbeek, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 januari 2001.
De oudste rechter is buiten staat dit verkorte vonnis te ondertekenen.