ECLI:NL:RBAMS:2000:AA5627
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J.L. Mastboom
- P.H.M. Kuster
- J.L. Bruinsma
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens termijnoverschrijding dagvaarding
In deze strafzaak stelde de rechtbank op verzoek van de raadsman van verdachte een termijn van drie maanden aan de officier van justitie om tot dagvaarding of kennisgeving van niet verdere vervolging over te gaan. Deze termijn begon te lopen op 23 december 1999, de datum van de beschikking van de raadkamer.
De officier van justitie betekende de dagvaarding echter pas op 27 maart 2000, na het verstrijken van de gestelde termijn. De verdediging voerde aan dat deze termijnoverschrijding onherstelbaar was en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De officier van justitie betoogde dat de termijn pas begon te lopen op het moment van betekening van de beschikking aan verdachte, namelijk 28 december 1999, en dat de dagvaarding tijdig was betekend. Tevens stelde hij dat een eerdere poging tot betekening binnen de termijn was gedaan en dat een geringe overschrijding als gezuiverd kon worden beschouwd.
De rechtbank oordeelde echter dat de wettelijke termijn aanving op de datum van de beschikking en dat de dagvaarding te laat was betekend. Omdat de dagvaarding niet op de voorgeschreven wijze was betekend en niet vaststond dat verdachte kennis had kunnen nemen van een eerdere dagvaarding, werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. De behandeling van de zaak voldeed daardoor niet meer aan de beginselen van behoorlijke procesorde.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de door de rechtbank gestelde termijn voor dagvaarding.