ECLI:NL:RBALM:2010:BN8170
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- W.K.F. Hangelbroek
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering opheffing conservatoir beslag na afwijzing bodemvordering en ingesteld hoger beroep
In deze kortgedingprocedure vordert eiser opheffing van conservatoir beslag dat gedaagde heeft gelegd op schilderijen en huurpenningen. Dit beslag is gelegd na een geschil over een koopovereenkomst betreffende een kunstgalerie. De rechtbank Almelo heeft in een bodemprocedure de vorderingen van gedaagde afgewezen, maar gedaagde heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Eiser stelt dat het beslag moet worden opgeheven omdat de bodemrechter de vorderingen van gedaagde heeft afgewezen en hij een spoedeisend belang heeft, vooral omdat het beslag op huurpenningen zijn inkomen aantast. Gedaagde betwist dit en voert aan dat het enkele feit van afwijzing in eerste aanleg niet betekent dat de vorderingen ondeugdelijk zijn en dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt, mede omdat eiser in zijn pensioen heeft voorzien en een non-concurrentiebeding hem belemmert de schilderijen te gelde te maken.
De voorzieningenrechter verwijst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad dat bij afwijzing in eerste aanleg en ingesteld hoger beroep een belangenafweging moet plaatsvinden. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Het belang bij opheffing van het beslag op de schilderijen is niet onderbouwd en het belang bij opheffing van het beslag op huurpenningen onvoldoende geconcretiseerd.
Daarom wordt de vordering van eiser afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Vordering tot opheffing van conservatoir beslag wordt afgewezen wegens onvoldoende belang en negatieve belangenafweging.