ECLI:NL:PHR:2026:724

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
26/00643
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 WvggzArt. 5:8 WvggzArt. 5:16 lid 1 WvggzArt. 5:17 WvggzArt. 6:5 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid en motivering van zorgmachtiging en wijzigingen onder Wvggz

De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen drie beslissingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een aansluitende zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene klaagt over de duur van de zorgmachtiging, de onafhankelijkheid van de psychiater die de medische verklaring opstelde, de geldigheid van de handtekening onder de medische verklaring en de rechtmatigheid van de wijziging van de zorgmachtiging wegens een noodsituatie.

De rechtbank had op 26 november 2025 een zorgmachtiging verleend voor twaalf maanden, gevolgd door twee besluiten in februari 2026 die de zorgmachtiging wijzigden door verplichte zorgvormen toe te voegen, waaronder beperking van bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie. De Hoge Raad oordeelt dat het zorgplan en het voorstel van de geneesheer-directeur voldoende inzicht boden in de maximale duur van de zorgvormen, dat de psychiater ondanks het gedeelde werkadres met de zorgaanbieder als onafhankelijk kan worden beschouwd, en dat de medische verklaringen rechtsgeldig waren ondertekend.

Verder is geoordeeld dat de gewijzigde omstandigheden begin februari 2026 een noodsituatie rechtvaardigden, waardoor de tijdelijke verplichte zorg en de daaropvolgende wijziging van de zorgmachtiging terecht waren. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de rechtmatigheid van de zorgmachtiging en de wijzigingen daarvan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging en de wijzigingen daarvan worden bevestigd als rechtmatig en voldoende gemotiveerd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00643
Zitting10 juli 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J. de Jong van Lier,
tegen
Officier van Justitie van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant,
verweerder in cassatie,
hierna: de Officier van Justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een (aansluitende) zorgmachtiging verleend ten aanzien van betrokkene voor de duur van een jaar. Drie maanden later heeft de Officier van Justitie een wijziging van de zorgmachtiging verzocht, in die zin dat daaraan ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ aan de verplichte vormen van zorg worden toegevoegd voor de resterende duur van de zorgmachtiging. De rechtbank heeft dit verzoek aanvankelijk toegewezen voor de duur van twee dagen, in afwachting van een gesprek tussen betrokkene en zijn behandelaren over de medicatie van betrokkene. Daarna heeft de rechtbank het verzoek alsnog toegewezen voor de resterende duur van de (aansluitende) zorgmachtiging.
1.2
In cassatie komt betrokkene op zowel tegen de beslissing van de rechtbank om de initiële aansluitende zorgmachtiging te verlenen als tegen de twee opvolgende beslissingen tot wijziging van die zorgmachtiging. Het cassatieberoep richt zich daarom tegen drie beschikkingen van de rechtbank. Betrokkene klaagt achtereenvolgens dat de rechtbank ten onrechte een (aansluitende) zorgmachtiging heeft verleend, nu in de stukken – in het bijzonder het voorstel van de geneesheer-directeur en het zorgplan – de maximale duur van de afzonderlijke zorgvormen niet is opgenomen (onderdeel 1), dat de psychiater die de medische verklaring heeft afgegeven niet als onafhankelijk in de zin van de Wvggz kan worden gekwalificeerd, nu zij hetzelfde werkadres heeft als de zorgaanbieder (onderdeel 2), dat de medische verklaring niet op de juiste wijze is ondertekend (onderdeel 3) en dat de rechtbank de zorgmachtiging niet had mogen wijzigen, nu geen sprake was van een dreigende noodsituatie in de zin van artikel 8:11 Wvggz Pro (onderdeel 4).
1.3
Naar mijn mening falen alle klachten.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Op 28 mei 2025 is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, te weten tot 28 november 2025. [1]
2.2
Bij verzoekschrift van 10 november 2025 met bijlagen heeft de Officier van Justitie een verzoek ingediend bij de rechtbank om ten aanzien van betrokkene een (aansluitende) zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.3
Op 26 november 2025 is de zaak mondeling behandeld bij de rechtbank. Aanwezig waren betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en twee behandelaars.
2.4
Bij (mondeling gegeven) beschikking van 26 november 2025 [2] heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 26 november 2026. Ten aanzien van de vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“5.7. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten.”
2.5
Op 6 februari 2026 heeft de (waarnemend) zorgverantwoordelijke besloten tot het verlenen van tijdelijke verplichte zorg waarin de op 26 november 2025 verleende zorgmachtiging niet voorziet, op grond van art. 8:11 en Pro art. 8:12 Wvggz Pro. [3] Het betrof de volgende twee vormen van verplichte zorg: (i) het beperken van de bewegingsvrijheid en (ii) het opnemen in een accommodatie. De (waarnemend) zorgverantwoordelijke was van oordeel dat deze vormen van verplichte zorg nodig waren ter afwending van een noodsituatie, gelet op (a) ernstig nadeel, (b) de veiligheid binnen de accommodatie of een andere locatie waar de zorg of verplichte zorg wordt verleend.
2.6
Op 9 februari 2026 heeft de (waarnemend) zorgverantwoordelijke opnieuw besloten tot het verlenen van tijdelijke verplichte zorg, waarbij het wederom ging om (i) het beperken van de bewegingsvrijheid en (ii) het opnemen in een accommodatie. De (waarnemend) zorgverantwoordelijke was van oordeel dat deze vormen van verplichte zorg nodig waren ter afwending van een noodsituatie, gelet op ernstig nadeel. De verpleegkundig specialist heeft dat bij brief van 10 februari 2026 aan betrokkene meegedeeld. [4] De verpleegkundig specialist heeft in dat verband bij brief van 9 februari 2026 aan de geneesheer-directeur gevraagd om wijziging van de zorgmachtiging. [5]
2.7
Vervolgens heeft de geneesheer-directeur bij brief van 12 februari 2026 aan de Officier van Justitie een aanvraag gedaan tot wijziging van de zorgmachtiging van betrokkene. [6]
2.8
De Officier van Justitie heeft de rechtbank op 12 februari 2026 verzocht om de bij beschikking van 26 november 2026 voor betrokkene afgegeven zorgmachtiging aan te vullen met de volgende vormen van verplichte zorg: het beperken van de bewegingsvrijheid; het opnemen in een accommodatie. [7]
2.9
Op 16 februari 2026 is de zaak mondeling behandeld bij de rechtbank. Daarbij zijn verschenen: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een verpleegkundig specialist en een zorgmedewerkster. [8]
2.1
Bij (mondeling gegeven) beschikking van 16 februari 2026 [9] heeft de rechtbank de zorgmachtiging van 26 november 2025 gewijzigd, in die zin dat de rechtbank heeft bepaald dat ten aanzien van betrokkene ook de maatregelen ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ kunnen worden toegepast, zij het voor de duur van twee dagen, waarbij de rechtbank de beslissing op het resterende gedeelte van het verzoek heeft aangehouden tot en met 18 februari 2026 in afwachting van de uitkomst van een gesprek tussen betrokkene en zijn behandelaren over, kort gezegd, de voor hem te nemen vervolgstappen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover thans van belang, overwogen:
“5.3. Uit de stukken en de zitting blijkt dat sprake is van een (dreigende) noodsituatie als bedoeld in artikel 8:11 Wvggz Pro.
5.4.
Betrokkene is al lange tijd bekend met chronische paranoïde schizofrenie, waarbij hij te maken heeft met chronische, acute ontregelingen en ernstige, aanhoudende wanen en hallucinaties. Het dagelijks leven van betrokkene staat volledig in het teken van deze wanen en hallucinaties. Zo voelt betrokkene zich continu ernstig bedreigd door zijn stiefvader, waardoor hij wil vluchten om aan deze dreigingen te ontsnappen, hij vrijwel de hele dag bezig is om zijn woning te beveiligen en hij constant probeert aan te tonen dat zijn stiefvader kwade bedoelingen met hem heeft. Ook raakt betrokkene veel in conflict met zijn omgeving over zijn wanen. Daarnaast is betrokkene voortdurend erg angstig, waardoor hij onvoorspelbaar, onberekenbaar en oninvoelbaar gedrag vertoont. Betrokkene heeft op dit moment anti psychotische depotmedicatie, maar deze is niet effectief. Zijn behandelaren willen daarom andere medicatie inzetten voor betrokkene, maar dat is tot op heden niet gelukt, omdat betrokkene zich daartegen verbaal hevig blijft verzetten. Daarbij vertoont betrokkene zodanig geladen gedrag dat er onveilige situaties ontstaan, met het risico op fysieke agressie vanwege de verstoorde impulscontrole van betrokkene en de omstandigheid dat zijn gedrag bijna volledig wordt gestuurd vanuit zijn paranoïde wanen. De rechtbank begrijpt dat er daarom is overgegaan tot de inzet van tijdelijke verplichte zorg waar de zorgmachtiging niet in voorziet, te weten de opname van betrokkene in Stichting Emergis, en dat er in Stichting Emergis op 17 februari 2026 een gesprek gepland staat tussen betrokkene en zijn behandelaren over de voorgestelde wijziging van de medicatie van betrokkene. Uit dit gesprek zal blijken welke vervolgstappen er voor betrokkene moeten worden genomen.
5.5.
Om deze (dreigende) noodsituatie af te wenden, heeft betrokkene zorg nodig.
5.6.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene beschikt niet over ziektebesef en -inzicht, ontkent de psychoses en is volledig overtuigd van zijn eigen verhaal, inclusief de wanen en hallucinaties. Daarbij blijft betrokkene zich hevig verzetten tegen de voorgestelde wijziging van zijn anti psychotische medicatie. Ook wil betrokkene niet langer in Stichting Emergis worden opgenomen
5.7.
Daarom zijn de volgende vormen van verplichte zorg ook na de toegepaste tijdelijke verplichte zorg aanvullend nodig:
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het opnemen in een accommodatie.
(…)
5.9.
Gelet op het voorgaande is met de voorgestelde wijziging voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz .Het verzoek zal dan ook worden toegewezen, aldus dat de hierna genoemde vormen van verplichte zorg gelden:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid,
voor de duur van twee dagen;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- het opnemen in een accommodatie
, voor de duur van twee dagen.
De zorgvormen ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ zullen zoals blijkt uit het vorengaande voor de duur van twee dagen worden verleend, dus tot en met woensdag 18 februari 2026, onder aanhouding van het resterende deel, aangezien er binnen deze termijn een gesprek tussen betrokkene en zijn behandelaren heeft kunnen plaatsvinden waaruit zal gaan blijken welke vervolgstappen er voor betrokkene moeten worden genomen. De overige bovengenoemde vormen van verplichte zorg gelden voor de resterende duur van de zorgmachtiging, te weten tot en met 26 november 2026.
5.10.
Het voorgaande betekent dat het verzoek zal worden toegewezen voor de duur van twee dagen, te weten tot en met 18 februari 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek, zodat er nadat het gesprektussen betrokkene en zijn behandelaren heeft plaatsgevonden op het overige deel kan worden beslist.
2.11
Op 18 februari 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Daarbij zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een verpleegkundig specialist.
2.12
Bij (mondeling gegeven) beschikking van 18 februari 2026 [10] heeft de rechtbank het verzoek van de Officier van Justitie toegewezen, in die zin dat zij voor de resterende duur van de zorgmachtiging, te weten tot en met 26 november 2026, de vormen van verplichte zorg ‘het beperken van de bewegingsvrijheid en ‘het opnemen in een accommodatie’ heeft toegevoegd aan de bij beschikking van 26 november 2025 verleende zorgmachtiging. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen:
“5.4. Betrokkene is al lange tijd bekend met chronische paranoïde schizofrenie, waarbij hij te maken heeft met chronische, acute ontregelingen en ernstige, aanhoudende wanen en hallucinaties. Het dagelijks leven van betrokkene staat volledig in het teken van deze wanen en hallucinaties. Zo voelt betrokkene zich continu ernstig bedreigd door zijn stiefvader, waardoor hij wil vluchten om aan deze dreigingen te ontsnappen, bezig is om zijn woning hij vrijwel de hele dag te beveiligen en hij constant probeert aan te tonen dat zijn stiefvader kwade bedoelingen met hem heeft. Ook raakt betrokkene veel in conflict met zijn omgeving over zijn wanen. Daarnaast is betrokkene voortdurend erg angstig, waardoor hij onvoorspelbaar, onberekenbaar en oninvoelbaar gedrag vertoont. Betrokkene had anti-psychische depotmedicatie, maar deze is niet effectief gebleken. Zijn behandelaren willen daarom andere medicatie inzetten voor betrokkene. Inmiddels is er tijdens het gesprek op 17 februari 2026 overeenstemming met betrokkene bereikt over welke medicatie in wordt gezet, maar nog niet over de dosering van deze medicatie. Eerder bleef betrokkene zich verbaal hevig verzetten tegen medicatie en tegen de opname, terwijl opname noodzakelijk is bij het instellen van deze medicatie. Bij zijn verzet vertoonde is betrokkene zodanig geladen gedrag dat er onveilige situaties ontstonden, met het risico op fysieke agressie vanwege de verstoorde impulscontrole van betrokkene en de omstandigheid dat zijn gedrag bijna volledig wordt gestuurd vanuit zijn paranoïde wanen. De rechtbank ziet dat er daarom is overgegaan tot de inzet van tijdelijke verplichte zorg waar de zorgmachtiging voorziet.
5.5.
Om deze (dreigende) noodsituatie af te wenden, heeft betrokkene zorg nodig.
(…)
5.9.
Gelet op het voorgaande is met de voorgestelde wijziging voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen, aldus dat de hierna genoemde vormen van verplichte zorg gelden:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- het opnemen in een accommodatie.
Deze vormen van verplichte zorg gelden voor de resterende duur van de zorgmachtiging.”
2.13
Bij procesinleiding, binnengekomen op 26 februari 2026, heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de drie hiervoor genoemde beschikkingen van de rechtbank van 26 november 2025, 16 februari 2026 en 18 februari 2026.
2.14
In de procesinleiding is vermeld dat bij het opstellen daarvan de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen op 26 november 2025, 16 februari 2026 en 18 februari 2026, alsmede de schriftelijke uitwerking van de beschikking van de rechtbank van 18 februari 2026 nog niet beschikbaar waren en dat de advocaat van betrokkene daarom een voorbehoud maakt om de cassatieklachten aan te vullen en/of te wijzigen zodra hij over genoemde stukken beschikt. Op 12 maart 2026 heeft de advocaat van betrokkene in dit verband een aanvullende procesinleiding ingediend, ter
vervangingvan de aanvankelijk ingediende procesinleiding. Daarbij zijn de wijzigingen ten opzichte van de aanvankelijk ingediende procesinleiding zichtbaar gemaakt. Het is deze gewijzigde versie van de procesinleiding (‘Aanvullende procesinleiding’) waarin de klachten zijn geformuleerd die ik hierna zal bespreken.
2.15
De Officier van Justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat vier onderdelen.
Onderdeel 1: maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg
3.2
Onderdeel 1klaagt in de kern dat de rechtbank ten onrechte een zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twaalf maanden, omdat de specificatie van de maximale duur per zorgvorm in de stukken, althans in het voorstel van de geneesheer-directeur tot het verlenen van de zorgmachtiging ontbreekt. Ik begrijp het onderdeel aldus dat het zich keert tegen zowel de beschikking van de rechtbank van 26 november 2025, waarbij de initiële (aansluitende) zorgmachtiging is verleend voor de duur van twaalf maanden, als tegen de daarna gegeven beschikkingen van respectievelijk 16 februari 2026 en 18 februari 2026, waarbij de zorgmachtiging is gewijzigd.
3.3
De klacht wordt als volgt toegelicht. Op grond van artikel 5:17 lid 4 aanhef Pro en onder c Wvggz dient het verzoekschrift van de officier van justitie het door de geneesheer-directeur opgestelde voorstel voor een zorgmachtiging te bevatten, waarin in elk geval staat vermeld de maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg. Slechts als (onder andere) dit punt in het zorgplan is opgenomen, kan in het voorstel voor een zorgmachtiging naar het zorgplan worden verwezen, mits het zorgplan deel uitmaakt van het voorstel. In de onderhavige zaak is echter noch in de bevindingen van de geneesheer-directeur, noch in het zorgplan kenbaar beoordeeld wat de maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg zou moeten zijn. Het voorstel voor een zorgmachtiging bevat ook geen verwijzing naar het zorgplan op dit punt (wat ook niet had geholpen, omdat in het zorgplan hierover evenmin iets staat vermeld). Door de zorgmachtiging en de daarin opgenomen vormen van verplichte zorg niettemin toe te wijzen voor de duur van twaalf maanden heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 5:17 lid Pro 4, aanhef en onder c, Wvggz, althans artikel 6:5 Wvggz Pro, althans artikel 2:1 lid 1 Wvggz Pro. De rechtbank heeft immers miskend dat de specificatie van de maximale duur per zorgvorm in het voorstel van de geneesheer-directeur een essentiële waarborg betreft. Daarbij komt dat de rechter zich geen eigen oordeel kan vormen over de noodzaak van de duur van specifieke zorgvormen zonder dat dit steunt op een daartoe strekkend medisch oordeel, welk oordeel in deze zaak dus ontbreekt. Voor het geval de rechtbank mocht hebben geoordeeld dat zij voldoende deugdelijk medisch was voorgelicht om de termijn van de zorgvormen te kunnen bepalen, is dat oordeel onbegrijpelijk. De rechtbank heeft ook niet inzichtelijk gemaakt waarom een termijn van twaalf maanden voor de zorgvormen proportioneel was. Dit klemt te meer nu uit het dossier volgt dat wel is gedacht aan termijnen korter dan twaalf maanden. [11] Vanuit medische hoek is ook niets aangevoerd dat duidt op de noodzaak om de zorgvormen ‘beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘opnemen in een accommodatie’ langdurig op te leggen. De rechtbank heeft gelet op dit alles miskend dat verplichte zorg proportioneel en subsidiair moet zijn en op grond van artikel 3:3 Wvggz Pro slechts als uiterst middel kan worden verleend, althans heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de wijziging van de zorgmachtiging voor de gehele resterende duur daarvan diende te gelden, aldus de toelichting op het eerste onderdeel.
3.4
Alvorens ik overga tot bespreking van het eerste onderdeel stel ik het volgende voorop.
3.5
Ingevolge artikel 5:17 lid 1 Wvggz Pro dient de officier van justitie, indien hij beslist dat is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, onverwijld een verzoekschrift voor een zorgmachtiging bij de rechter in. Artikel 5:17 lid 3 Wvggz Pro bevat een opsomming van de documenten die bij een dat verzoek aan moeten worden bijgevoegd. Daaronder vallen onder meer het zorgplan (onder c) en de bevindingen van de geneesheer-directeur (onder e). De officier van justitie moet zorg dragen voor een zo volledig mogelijk verzoekschrift, opdat de rechter op basis van een zo breed mogelijk beeld van de betrokkene een beslissing kan nemen. [12] In het verzoekschrift moet worden onderbouwd waarom verplichte zorg noodzakelijk is. Ingevolge artikel 5:17 lid 4 onder Pro c Wvggz moet het voorstel de maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg vermelden.
3.6
De onderdelen a t/m h die zijn opgesomd in artikel 5:17 lid 4 Wvggz Pro komen globaal overeen met de inhoud van het zorgplan, als bedoeld in artikel 5:14 Wvggz Pro. Desondanks heeft de wetgever deze onderdelen expliciet ook benoemd in artikel 5:17 lid Pro 4, omdat deze betrekking hebben op het voorstel van de geneesheer-directeur aan de officier van justitie en dus op de inhoud van de zorgmachtiging. [13] Het voorstel kan (op onderdelen) afwijken van het zorgplan (hetgeen dan wel nadere motivering zal behoeven). Uiteindelijk moet de officier van justitie dit voorstel en ook de andere informatie waarover hij beschikt afwegen en verwerken in zijn motivering in het verzoekschrift aan de rechter. [14]
3.7
Indien alle in artikel 5:17 lid 4 Wvggz Pro genoemde elementen (a t/m h) in het zorgplan zijn opgenomen, kan daar in het voorstel voor de zorgmachtiging door de geneesheer-directeur worden verwezen. [15]
3.8
In deze zaak is op 23 oktober 2025 door de zorgverantwoordelijke een zorgplan opgesteld. [16] In het zorgplan is onder categorie 5 opgenomen welke zorg nodig is om het (dreigend) ernstig nadeel voor betrokkene weg te nemen. Daarbij is onder b opgenomen hoe lang deze (verplichte) zorg naar verwachting zal (dienen te) duren en is gemotiveerd waarom de zorg nodig is. Het zorgplan bevat alle in artikel 5:17 lid Pro 4 (a t/m h) Wvggz genoemde onderdelen.
3.9
Op 5 november 2025 heeft de geneesheer-directeur de Officier van Justitie geïnformeerd over zijn bevindingen en een voorstel gedaan tot verlening van een zorgmachtiging ten behoeve van betrokkene. [17] De geneesheer-directeur verwijst naar het zorgplan en oordeelt dat het zorgplan kan dienen als voorstel voor de zorgmachtiging. [18]
3.1
Uit het verzoekschrift van 10 november 2025 volgt dat de Officier van Justitie op 5 november 2025 de hiervoor genoemde bevindingen en het voorstel voor de zorgmachtiging van de geneesheer-directeur heeft ontvangen met daarbij gevoegd de medische verklaring én het door de zorgverantwoordelijke opgestelde zorgplan (inclusief de bijlagen). [19] Voor zover het onderdeel betoogt dat het voorstel van de geneesheer-directeur tot verlening van de zorgmachtiging geen verwijzing bevat naar het zorgplan, mist het feitelijke grondslag. Uit het verzoekschrift van de Officier van Justitie volgt immers dat aan het voorstel van de geneesheer-directeur tot verlening van de zorgmachtiging als bijlage onder meer het zorgplan is gevoegd.
3.11
Anders dan het middel betoogt, benoemt het zorgplan wel degelijk de maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg. Daarbij is mijns inziens niet slechts gebruik gemaakt van vage omschrijvingen van de termijnen, zoals het middel stelt, maar is per zorgvorm toegelicht hoe lang deze zorg naar verwachting nodig zal zijn. Daarbij is niet voor elke zorgvorm dezelfde termijn opgenomen. Dat alleen al wijst erop dat aandacht is besteed aan de vraag wat voor elk van de noodzakelijk geachte zorgvormen de termijn diende te zijn. Die termijn geeft aan wat de
maximaal toegestane periodeis voor het verlenen van een bepaalde vorm van verplichte zorg. Voor het toepassen van verplichte zorg en het eventuele stopzetten daarvan is ingevolge art. 8:9 Wvggz Pro een besluit van de zorgverantwoordelijke vereist. Het kan dus voorkomen dat, gelet op het toestandsbeeld, een bepaalde vorm van verplichte zorg minder lang hoeft te worden toegepast dan op het moment van het verzoek om een zorgmachtiging werd verwacht en ingevolge de zorgmachtiging is toegestaan.
3.12
De geneesheer-directeur mocht in dit geval in zijn voorstel tot verlening van de zorgmachtiging dus volstaan met een verwijzing naar het zorgplan, nu het zorgplan alle in artikel 5:17 lid 4 Wvggz Pro genoemde onderdelen bevat en het zorgplan een van de bijlagen bij het voorstel was (zie hiervoor onder 3.8).
3.13
De stelling dat de omschrijving ‘gedurende de looptijd van de machtiging’ in essentie de rolverdeling tussen de medicus en jurist omdraait, zoals in de toelichting wordt gesteld, kan ik niet goed volgen. In deze zaak is duidelijk dat het zorgplan is opgesteld ten behoeve van de aanvraag van het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging. Een aansluitende zorgmachtiging wordt over het algemeen gevraagd voor de duur van twaalf maanden, zo ook in dit geval. Dat sommige vormen van zorg geacht worden nodig te zullen zijn voor de gehele looptijd van de (aansluitende) zorgmachtiging lijkt niet onlogisch, met name waar het bepaalde zorgvormen betreft zoals ‘de toediening van medicatie’. Zo volgt in de deze zaak uit het zorgplan (en overigens ook uit de overige stukken in het dossier) dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie, waarvoor behandeling met antipsychotica is ingezet. In het verleden is betrokkene bij het stoppen van verplichte zorg opgehouden met het nemen van deze anti-psychotische medicatie. [20] Dat de zorgvorm ‘de toediening van medicatie’ noodzakelijk wordt geacht voor de gehele duur van de machtiging is daarom goed volgen. Dit geldt voor de zorgvorm ‘het verrichten van medische controles’. Anders dan het onderdeel aanvoert, was de rechtbank op dit punt dan ook voldoende medisch voorgelicht met betrekking tot de maximale duur van de afzonderlijke vormen van verplichte zorg, zodat het oordeel van de rechtbank op dit punt ook niet onbegrijpelijk is.
3.14
Daarbij komt nog dat uit de processen-verbaal van de achtereenvolgende mondelinge behandelingen volgt dat ter zitting door (de advocaat van) betrokkene de verzochte duur van de afzonderlijke vormen van zorg niet aan de orde is gesteld. Uit het proces-verbaal van de zitting van 26 november 2025 blijkt dat de advocaat heeft verklaard dat op dat moment “
tegen andere vormen van verplichte zorg [dan ‘het opnemen in een accommodatie en ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’] minder bezwaar is als de zorgmachtiging verleend wordt”. [21] Nu de medische onderbouwing van de verzochte duur van de verschillende zorgvormen afdoende is en op dit punt ter zitting ook geen bezwaar is gemaakt door of namens betrokkene, hoefde de rechtbank hieraan geen nadere motivering te wijden.
3.15
Het onderdeel betoogt nog dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de wijziging en aanvulling van de zorgmachtiging onvoorwaardelijk voor de gehele resterende duur daarvan, dus tot en met 26 november 2026, diende te gelden. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 februari 2026 de aanvullende zorgvormen, te weten ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ aanvankelijk verleend voor de duur van twee dagen omdat binnen die termijn (te weten op 17 februari 2026) een gesprek zou plaatsvinden tussen betrokkene en zijn behandelaren over de te nemen vervolgstappen. De rechtbank heeft vervolgens in haar beschikking van 18 februari 2026 gemotiveerd waarom de twee aanvullende vormen van zorg alsnog voor de resterende duur van de zorgmachtiging dienden te worden toegewezen: tussen betrokkene en de behandelaren was weliswaar overeenstemming was bereikt over welke medicatie zou worden ingezet, maar nog niet over de dosering van die medicatie en ook niet over de vraag of opname noodzakelijk is bij het instellen van deze medicatie. [22] Onder andere uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 februari 2026 volgt dat de verpleegkundig specialist ter zitting heeft verklaard dat betrokkene “
het op de depotmedicatie die hij op dat moment kreeg niet goed deed in een ambulante setting” en dat de nieuwe medicatie klinisch moet worden ingesteld. Daarbij wordt gestart met drie weken orale medicatie, waarna een verhoging van drie weken volgt en daarna, afhankelijk van het toestandsbeeld, kan worden overgegaan tot een depot, aldus de verpleegkundig specialist ter zitting. [23] In het licht van dit ter zitting geschetste tijdspad en, zoals gezegd, het ontbreken van verweer met betrekking tot de duur van de verzochte vormen van zorg is het oordeel dat de (aanvullende) vormen van zorg eveneens voor de resterende duur van de machtiging dienden te worden verleend niet onbegrijpelijk.
3.16
Het voorgaande brengt mee dat het eerste onderdeel faalt.
Onderdeel 2: de onafhankelijkheid van de psychiater
3.17
Onderdeel 2stelt de onafhankelijkheid van de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld aan de orde. Geklaagd wordt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat, nu uit de processtukken blijkt dat de psychiater hetzelfde werkadres heeft als de zorgaanbieder, zij niet zonder nadere motivering mocht veronderstellen dat de psychiater kan worden aangemerkt als
onafhankelijkpsychiater in de zin van artikel 5:7 aanhef Pro en onder c Wvggz. De rechtbank had dan ook vragen moeten stellen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de psychiater en hierover een oordeel moeten vellen. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het op de weg van betrokkene lag om dit punt aan de orde te stellen, is dat oordeel onjuist. Dit geldt temeer nu sprake was van overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 5:16 lid 1 Wvggz Pro door de Officier van Justitie. Voorts heeft de rechtbank miskend dat zij, gelet op de hier aan de orde zijnde ingrijpende mensenrechteninbreuken, de plicht had om ambtshalve en kenbaar enig onderzoek te doen naar de onafhankelijkheid van de psychiater, althans heeft zij haar oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd, aldus het tweede onderdeel.
3.18
Ik ga eerst kort in op de onafhankelijkheid van de psychiater die de medische verklaring afgeeft.
3.19
Bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet een medische verklaring als bedoeld in artikel 5:8 Wvggz Pro van een onafhankelijk psychiater worden gevoegd (art. 5:17 lid 3 aanhef Pro en onder a Wvggz).
3.2
Artikel 5:7 Wvggz Pro vermeldt de voorwaarden die gelden voor de psychiater die de medische verklaring opstelt. Deze voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. [24] Artikel 5:7 aanhef Pro en onder c Wvggz bepaalt in dat verband dat de psychiater onafhankelijk functioneert.
3.21
De psychiater dient dus onafhankelijk te functioneren van de zorgaanbieder. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit niet betekent dat de psychiater niet in dienst mag zijn van de zorgaanbieder (mijn onderstrepingen, A-G):
“De arts dient verder onafhankelijk te functioneren van de zorgaanbieder.
Dat houdt niet in dat de arts niet in dienst mag zijn van de zorgaanbieder.Dat laatste zou niet praktisch zijn gelet op de schaalgrootte van de ggz-instellingen. GGZ Nederland en de NVvP hebben hier naar aanleiding van de consultatie over de nota van wijziging ook op gewezen.
De zorgaanbieder moet er wel voor zorgen dat de arts in de uitoefening van zijn functie ten behoeve van deze wet onafhankelijk kan functioneren. Zo dient de zorgaanbieder zich ter zake te onthouden van het geven van aanwijzingen. De omstandigheid dat de arts daarbij in dienst is van de zorgaanbieder hoeft hieraan niet in de weg te staan, aldus ook de Hoge Raad (HR 15 april 2011, JVGGZ 2011/17). De onafhankelijkheid moet vooral gewaarborgd zijn in de relatie tot betrokkene.Daarom is de eis uit de Wet bopz overgenomen dat de arts minimaal één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene.” [25]
De onafhankelijkheid van de arts dient derhalve gewaarborgd te zijn in de relatie tot de betrokkene.
3.22
In dit verband heeft de Hoge Raad op 2 oktober 2020 [26] , onder verwijzing naar onder meer voornoemde passage uit de wetsgeschiedenis, en voor zover hier relevant, het volgende overwogen (voetnoten weggelaten en mijn onderstrepingen, A-G):
“3.1.4 Art. 5:7 Wvggz Pro stelt voorwaarden aan de psychiater die de medische verklaring opstelt. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Art. 5:7, aanhef en onder c, Wvggz bepaalt in dat verband dat de psychiater onafhankelijk ten opzichte van de zorgaanbieder functioneert.
Deze voorwaarde houdt niet in dat de psychiater niet in dienst mag zijn bij de zorgaanbieder. Wel dient de zorgaanbieder ervoor te zorgen dat de psychiater in de uitoefening van zijn functie onafhankelijk kan functioneren en dient de zorgaanbieder zich te onthouden van het geven van aanwijzingen. De psychiater mag gedurende ten minste een jaar geen zorg hebben verleend aan de betrokkene (art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz). Ook daarmee wordt gewaarborgd dat de psychiater die de medische verklaring opstelt, een onafhankelijk oordeel geeft over de betrokkene.”
3.23
Uitgangspunt is dus dat de psychiater in dienst mag zijn van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder dient zich in dat geval wel te onthouden van het geven van aanwijzingen aan de psychiater, maar de omstandigheid dat de psychiater in dienst is van de zorgaanbieder hoeft hieraan niet in de weg te staan, aldus de Hoge Raad. Ook kan de psychiater in de medische verklaring gebruik maken van de door de instelling verstrekte informatie over het toestandsbeeld van de betrokkene. [27]
3.24
In deze zaak is de psychiater kennelijk in dienst bij de zorgaanbieder (Emergis). Dat staat dus niet aan de onafhankelijkheid van de psychiater in de weg. Anders dan het onderdeel betoogt, is de omstandigheid dat de psychiater en de zorgaanbieder werkzaam zijn op hetzelfde adres zonder belang. Dat een psychiater in dienst van een instelling zijn of haar werk verricht op het adres van die instelling ligt erg voor de hand, zou ik menen.
3.25
In dit verband wordt voorts nog geklaagd dat uit de stukken niet blijkt hoe de zorgaanbieder ervoor heeft gezorgd dat de psychiater in de uitoefening van haar functie onafhankelijk kon functioneren, alsmede dat niet blijkt hoe is gewaarborgd dat de zorgaanbieder geen aanwijzingen heeft gegeven aan de psychiater. Daarvoor bestond mijns inziens echter, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding, nu uit de stukken geenszins blijkt dat sprake is geweest van aanwijzingen, in welke vorm dan ook, van de zorgaanbieder aan de psychiater. In 2.5 van de procesinleiding wordt verwezen naar een gesprek dat tussen de psychiater en de behandelaar van betrokkene zou hebben plaatsgevonden, voorafgaand aan het gesprek tussen de psychiater en betrokkene, waaruit zo ik begrijp zou volgen dat de psychiater niet onafhankelijk zou hebben gefunctioneerd van de behandelaar. Zoals gezegd, is een en ander niet te herleiden uit de stukken in het dossier. Ter zitting in eerste aanleg is op dit punt ook geen verweer gevoerd. [28]
3.26
Gelet op het voorgaande bestond voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om de onafhankelijkheid van de psychiater aan de orde stellen, althans om daarover (ambtshalve) vragen te stellen. De omstandigheid dat in deze zaak de termijn als bedoeld in artikel 5:16 lid 1 Wvggz Pro was verstreken, maakt dit ook niet anders.
3.27
Het voorgaande brengt met zich dat het tweede onderdeel faalt.
Onderdeel 3: medische verklaring – handtekening psychiater
3.28
Onderdeel 3klaagt dat de medische verklaringen van 26 oktober 2025 en 11 februari 2026 niet konden dienen als grondslag voor de beslissing tot het verlenen van de zorgmachtiging, omdat de beide verklaringen niet, althans niet op de juiste wijze, zouden zijn ondertekend. Volgens de klacht staat onder de medische verklaringen namelijk geen handtekening, maar (slechts) een ‘plaatje’ van een handtekening, waardoor er onvoldoende waarborgen zijn dat de psychiater de verklaringen persoonlijk heeft vastgesteld en ondertekend. Indien de rechtbank heeft geoordeeld dat ook een plaatje van een handtekening als geldige ondertekening heeft te gelden, heeft zij het op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad geldende vereiste dat moet vaststaan dat de verklaringen daadwerkelijk van de onafhankelijk psychiater afkomstig zijn, miskend.
3.29
Ik sta eerst stil bij de tijdigheid van de klacht. Als hoofdregel heeft te gelden dat klachten die na het verstrijken van de cassatietermijn zijn aangevoerd niet voor behandeling in aanmerking komen. Onder bijzondere omstandigheden aanvaardt de Hoge Raad hierop echter uitzonderingen. De belangrijkste uitzonderingen zijn dat niet tijdig kan worden beschikt over de bestreden uitspraak in schriftelijke vorm of dat het proces-verbaal van een zitting niet tijdig voorhanden is. Wel moet dan in de procesinleiding het voorbehoud gemaakt zijn dat men na verkrijging van het precies omschreven ontbrekend processtuk nog aanvullende klachten wil kunnen aanvoeren. [29] Als hieraan is voldaan, is het mogelijk om, bij wijze van uitzondering, na het indienen van de procesinleiding nadere cassatieklachten te formuleren. De aanvullende procesinleiding mag slechts klachten bevatten die als gevolg van het ontbreken van het desbetreffende stuk niet eerder konden worden geformuleerd. [30]
3.3
Zoals hiervoor onder 2.14 is weergegeven, vermeldt de oorspronkelijke procesinleiding van 26 februari 2026 dat bij het opstellen daarvan de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen bij de rechtbank op respectievelijk 26 november 2025, 16 februari 2026 en 18 februari 2026, alsmede de schriftelijke uitwerking van de beschikking van de rechtbank van 18 februari 2026 nog niet beschikbaar waren en de advocaat van betrokkene daarom een voorbehoud heeft gemaakt om de cassatieklachten aan te vullen en/of te wijzigen zodra hij over genoemde stukken beschikte. Op 12 maart 2026 heeft de advocaat een aanvullende procesinleiding ingediend, ter vervanging van de aanvankelijk ingediende procesinleiding.
3.31
Uit de aanvullende procesinleiding volgt dat het ‘oude’ onderdeel 3 is ingetrokken (de tekst daarvan is in de aanvullende procesinleiding doorgestreept), omdat dit kennelijk niet tot cassatie kon leiden [31] en dat daarvoor in de plaats een geheel nieuw onderdeel 3 is toegevoegd, te weten de klacht zoals in 3.28 omschreven. Deze klacht ziet als gezegd op de medische verklaringen van respectievelijk 26 oktober 2025 en 11 februari 2026. Het voorbehoud dat in de oorspronkelijke procesinleiding is gemaakt ziet op het op dat moment ontbreken van de processen-verbaal, alsmede de schriftelijke uitwerking van de beschikking van de rechtbank van 18 februari 2026. De medische verklaringen waren ten tijde van het opstellen van de oorspronkelijke procesinleiding wél beschikbaar, zodat eventuele klachten die hierop betrekking hebben eerder, ook vóór verkrijging van genoemde ontbrekende stukken, in de procesinleiding konden worden opgenomen. Voor zover onderdeel 3 zoals uiteengezet in de aanvullende procesinleiding ziet op de beschikking van de rechtbank van 26 november 2025 is de klacht daarom buiten de cassatietermijn ingediend en komt zij derhalve niet voor behandeling in aanmerking. Voor zover het onderdeel betrekking heeft op de beschikkingen van de rechtbank van 16 februari 2026 en 18 februari 2026 is wél sprake van indiening binnen de cassatietermijn, zodat ik voor wat betreft die uitspraken zal overgaan tot bespreking van de klacht.
3.32
Geklaagd wordt dat de medische verklaringen van 26 oktober 2025 en 11 februari 2026 gebrekkig zijn, omdat zij niet zijn voorzien van een handtekening van de onafhankelijk psychiater, althans deze handtekening kort gezegd niet volstaat omdat het slechts zou gaan om een plaatje van een handtekening. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat dit punt door of namens betrokkene in eerste aanleg naar voren is gebracht. Zowel in de beschikkingen van de rechtbank van 16 februari 2026 en 18 februari 2026, alsmede in de bijbehorende processen-verbaal wordt niet ingegaan op dit vermeende (formele) gebrek dat zou kleven aan de medische verklaringen, met als gevolg dat de rechtbank haar beslissing tot wijziging van de zorgmachtiging daarop niet had mogen baseren. Nu de medische verklaringen zijn voorzien van een handtekening, wat er ook zij van de wijze waarop de ondertekening van de medische verklaringen precies heeft plaatsgevonden (digitaal, dan wel door middel van een kopie van de handtekening), en door of namens betrokkene zoals gezegd in eerste aanleg niet naar voren is gebracht dat aan deze handtekening en dus mogelijk aan de medische verklaring een gebrek zou kleven, had de rechtbank mijns inziens niet ambtshalve aan de orde hoeven stellen of die handtekening daadwerkelijk afkomstig was van de onafhankelijk psychiater die betrokkene heeft onderzocht. Het was aan betrokkene om mogelijke twijfel hierover naar voren te brengen, hetgeen hij heeft nagelaten.
3.33
Gelet hierop treft het derde onderdeel geen doel.
Onderdeel 4: noodsituatie en wijziging zorgmachtiging
3.34
Onderdeel 4richt zich naar ik begrijp tegen de beschikking van 16 februari 2026 en klaagt dat uit de stukken niet blijkt van nieuwe relevante omstandigheden op grond waarvan sprake was van een noodsituatie als bedoeld in artikel 8:11 Wvggz Pro. Door zonder nieuwe omstandigheden aan te voeren een beslissing te nemen op de voet van artikel 8:12 Wvggz Pro en vervolgens een wijzigingsverzoek in te dienen is de facto gevraagd om een herbeoordeling van de situatie van betrokkene waarover ten tijde van het verlenen van de initiële (aansluitende) zorgmachtiging van 26 november 2025 reeds was beslist. Als de rechtbank miskend heeft dat een dergelijk verzoek niet kan worden toegewezen, is dat oordeel onjuist, zo stelt het middel. Het oordeel van de rechtbank dat zich een situatie als bedoeld in artikel 8:11 Wvggz Pro voordeed, is onbegrijpelijk nu in het verzoek van 12 februari 2026, dat heeft geleid tot de beschikkingen van de rechtbank van 16 en 18 februari 2026 geen omstandigheden waren aangevoerd die anders waren dan de omstandigheden die al waren aangevoerd in het verzoek dat heeft geleid dat de initiële (aansluitende) zorgmachtiging van 26 november 2025, aldus het vierde onderdeel.
3.35
In een noodsituatie kan het voorkomen dat er dwang moet worden toegepast, waarin de zorgmachtiging (of de crisismaatregel en de voortzetting van de crisismaatregel) niet voorziet. De artikelen 8:11 t/m 8:13 Wvggz bieden daartoe de mogelijkheid binnen strikte kaders. De verplichte zorg in een noodsituatie kan worden verleend, maar slechts voor korte duur, te weten drie dagen. Verlenging is mogelijk, maar slechts onder de voorwaarden genoemd in artikel 8:12 Wvggz Pro. [32]
3.36
In dit verband bepaalt artikel 8:13 lid 1 Wvggz Pro, ter waarborging van zorgvuldigheid bij de toepassing van verplichte zorg in noodsituaties, [33] dat de zorgverantwoordelijke een beslissing tot (voortzetting van de) tijdelijke verplichte zorg op schrift stelt en die beslissing voorziet van een motivering. Het tweede lid van artikel 8:13 Wvggz Pro bepaalt dat de beslissing vermeldt op welke moment de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke de proportionaliteit, subsidiariteit, effectiviteit en veiligheid van de tijdelijke verplichte zorg beoordelen. [34] Het derde lid van artikel 8:13 Wvggz Pro bevat voorschriften voor de geneesheer-directeur over het verstrekken van een afschrift van de beslissing aan de betrokkene, de vertegenwoordiger en de advocaat en het informeren van hen over de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de patiënten- en familievertrouwenspersoon. Artikel 8:13 Wvggz Pro schrijft geen termijnen voor ten aanzien van de aanvraag tot wijziging van de zorgmachtiging.
3.37
Tegen deze achtergrond moet het vierde onderdeel worden beoordeeld.
3.38
Anders dan het onderdeel betoogt, volgt uit de stukken in het dossier – waaronder de brief van 6 februari 2026 van de (waarnemend) zorgverantwoordelijke aan betrokkene en de brief van 9 februari 2026 van de verpleegkundig specialist aan de geneesheer-directeur – dat de situatie van betrokkene begin februari 2026 was gewijzigd ten opzichte van de situatie naar aanleiding waarvan op 26 november 2025 de initiële (aansluitende) zorgmachtiging is verleend. In genoemde brief aan de geneesheer-directeur met betrekking tot de reden voor de wijziging van de zorgmachtiging het volgende (onderstreping toegevoegd, AG):
“Patient heeft een psychotische stoornis met wanen en hallucinaties. Hierdoor heeft hij chronisch ernstig nadeel ivm ernstig disfunctioneren op sociaal maatschappelijk vlak. Het alledaagse leven van patient staat bijna volledig in het teken van de wanen/hallucinaties waardoor hij dus bijna niet toekomt aan gezondheidsbevorderende alledaagse taken zoals werken/dagbesteding/goed lopende helpende sociale contacten. Patient raakt veel in conflict met zijn omgeving over zijn wanen en belt veelvuldig politie. Patient zijn daginvulling bestaat grotendeels uit het beveiligen van zijn huis en het aantonen dat zijn stiefvader het kwade met hem voor heeft. Patient lijdt dus psychisch enorm onder zijn psychose.
Patient gebruikt op dit moment een antipsychoticum maar deze is niet effectief. Vanuit de zorgmachtiging wilden we patient ambulant omzetten naar een ander antipsychoticum maar dit is tot op heden niet gelukt (dus ook niet met zorgmachtiging voor medicatie). Dit lukt niet omdat patient zich verbaal hevig blijft verzetten en hij erg geladen wordt in de gesprekken waarin we het behandelbeleid bespreken. Dit geeft een onveilige behandelomgeving voor het FACT team van Emergis. Er is nog geen fysieke agressie geweest richting FACT maar het risico hierop wordt verhoogd ingeschat vanwege de verstoorde impulscontrole en gedrag van patient dat bijna volledig gestuurd wordt vanuit zijn paranoide wanen. We willen patient dan ook in een veilige behandelomgeving krijgen om patient alsnog wel in te stellen op een ander antipsychoticum.De klinieken van Emergis worden als een meer veilige behandelomgeving ingeschat met meer personeel en meer veilige behandelruimtes. Bij escalatie kan zo snel ingegrepen worden wat veiligheid van personeel en patient ten goede komt. (…)” [35]
Voorts staat in het verzoekschrift van de Officier van Justitie van 12 februari 2026 tot wijziging van de zorgmachtiging, voor zover van belang, het volgende:
“Uit de stukken blijkt dat bij betrokkene sprake is van een chronisch psychotische stoornis met wanen en hallucinaties van waaruit hij zich hevig verzet tegen de voorgenomen wijziging van de medicatie die noodzakelijk is omdat het huidige antipsychoticum niet voldoende effectief is. Betrokkene is erg geladen in de gesprekken met het FACT aangaande het behandelbeleid en dit maakt de behandelomgeving onveilig.
Vanwege de verstoorde impulscontrole en het gedrag van betrokkene is er een verhoogd risico op agressie richting het FACT team. Het is daarom noodzakelijk betrokkene in een veilige behandelomgeving te krijgen om hem in te kunnen stellen op een ander antipsychoticum. Hiervoor zijn een opname in een accommodatie en beperken van de bewegingsvrijheid noodzakelijk.” [36]
3.39
Anders dan het onderdeel betoogt, waren derhalve wel degelijk nieuwe relevante omstandigheden aangevoerd. Ik acht het oordeel van de rechtbank in de beschikking van 16 februari 2026 dat ten aanzien van betrokkene sprake was van een noodsituatie als bedoeld in artikel 8:11 Wvggz Pro daarom niet onbegrijpelijk. De klacht faalt dan ook in zoverre.
3.4
In de toelichting op de klacht [37] wordt voorts nog geklaagd, zo begrijp ik het betoog, dat uit de beschikking van de rechtbank van 18 februari 2026 niet blijkt dat er enige reden was om de aanvullende machtiging (ik begrijp vormen van zorg) te verlenen voor de resterende duur van de initiële machtiging, te weten tot en met 26 november 2026.
3.41
Ook deze klacht faalt mijns inziens. Uit de beschikking van de rechtbank van 18 februari 2026 volgt dat de verpleegkundig specialist het volgende heeft verklaard:
“4.3. De verpleegkundig specialist heeft gesteld dat er inderdaad sprake is van overeenstemming over de concrete medicatie, maar nog niet over de dosering van deze medicatie. Echter is het met deze medicatie noodzakelijk dat betrokkene hierop wordt ingesteld tijdens een opname. Dit kan niet in een ambulant kader. De eerste drie weken zal betrokkenede medicatie oraal moeten nemen. Na die drie weken wordt de dosis verhoogd voor drie weken. Daarna wordt er afhankelijk van het toestandsbeeld van betrokkene over gegaan op depotmedicatie. Er worden geen bijwerkingen verwacht van deze medicatie. Er wordt al lange tijd geprobeerd om de psychotische belevingen te verminderen, maar dit lukt niet met orale medicatie, omdat betrokkene steeds stopt met het innemen ervan. Er is dus depotmedicatie nodig. Als betrokkenede medicatie goed verdraagt, kan het depot zelfs drie tot zes maandelijks worden toegediend, waardoor betrokkene zo min mogelijk last van Emergis heeft. Er is bij betrokkene sprake van een stoornis en van ernstig nadeel. Betrokkene heeft bijvoorbeeld uit angst sloten in huis laten plaatsen, hij komt veelvuldig bij de politie, hij veroorzaakt overlast en roept agressie over hem af. Ook is er sprake van onvrijwilligheid. Om bovenstaande redenen dient het verzoek te worden toegewezen.”
3.42
Ik verwijs daarbij ook naar hetgeen ik hiervoor onder 3.15 heb overwogen met betrekking tot het door de verpleegkundig specialist geschetste tijdspad ten aanzien van het instellen van de nieuwe medicatie van betrokkene. In het licht hiervan acht ik het oordeel van de rechtbank in de beschikking van 18 februari 2026 tot wijziging van de zorgmachtiging in die zin dat de verzochte vormen van zorg ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ voor de resterende duur van de zorgmachtiging nodig is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.43
Voor zover uit de toelichting op de onderdelen nog volgt dat de beslissing van 6 februari 2026 van de (waarnemend) zorgverantwoordelijke tot het verlenen van tijdelijke onvoorziene verplichte zorg niet voldeed aan de eis van artikel 8:13 lid 2 Wvggz Pro [38] , slaagt de klacht mijns inziens evenmin. Uit de brief van 6 februari 2026 [39] van de (waarnemend) zorgverantwoordelijke aan betrokkene waarin betrokkene wordt geïnformeerd dat op genoemde datum is besloten om aan hem tijdelijk verplichte zorg te verlenen, volgt immers dat de tijdelijke verplichte zorg alleen wordt gegeven omdat het niet anders kan en dat de (waarnemend) zorgverantwoordelijke dagelijks binnen het behandelteam de proportionaliteit, effectiviteit en de veiligheid van de tijdelijke verplichte zorg zal evalueren en beoordelen, indien nodig in overleg met de geneesheer-directeur. [40]
3.44
Het voorgaande brengt met zich dat ook het vierde onderdeel geen doel treft.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Dit volgt onder andere uit het historisch overzicht van het Openbaar Ministerie (productie 1a van het procesdossier). De beschikking zelf bevindt zich niet in het procesdossier.
2.De beschikking is op 10 december 2015 op schrift gesteld en niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
3.Zie voor de beslissing van de zorgverantwoordelijke productie 7 van het procesdossier.
4.Zie productie 8 van het procesdossier.
5.Zie productie 10a van het procesdossier
6.Zie productie 10b van het procesdossier.
7.Zie productie 10 van het procesdossier.
8.Blijkens de beschikking van de rechtbank van 16 februari 2026 is de zorgmedewerkster ter zitting niet gehoord (rov. 1.2).
9.De beschikking is op 20 februari 2026 op schrift gesteld.
10.De beschikking is op 26 februari 2026 op schrift gesteld.
11.In de aanvullende procesinleiding wordt op dit punt ook verwezen naar hetgeen de verpleegkundige ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 16 februari 2026 heeft verklaard.
12.Zie ook
14.J. Berton, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 5:17 Wvggz Pro (publicatiedatum: 30 april 2025).
16.Productie 1f van het procesdossier.
17.Productie 2 van het procesdossier.
18.Zie de bevindingen geneesheer-directeur van 5 november 2025, p. 2 onderaan.
19.Productie 1 van het procesdossier.
20.Zie o.m. het zorgplan van 23 oktober 2025, p. 2 (onderaan). Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 26 november 2025 volgt overigens dat betrokkene dit zelf ter zitting bevestigt (zie p. 2, midden, alwaar betrokkene verklaart dat hij “
21.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 26 november 2025, p. 4 (onderaan).
22.Zie rov. 5.4 van de beschikking van de rechtbank van 18 februari 2026.
23.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 februari 2026, p. 2, onder ‘Verpleegkundig specialist’.
26.ECLI:NL:HR:2020:1545, JGz 2021/1, m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
27.Zie ook mijn conclusie van 30 januari 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:125), waarin ik niet meeging met de klacht van verzoeker in die zaak dat de onafhankelijk psychiater niet onafhankelijk was omdat de medische verklaring mede was gebaseerd op informatie verstrekt door de instelling, in het bijzonder door de casemanager. Zie HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:509 (81 RO).
28.Betrokkene heeft ter zitting van 16 februari 2026 enkel opgemerkt dat de psychiater niet onafhankelijk is omdat zij ‘ook is verbonden aan Stichting Emergis’. Deze opmerking is verder niet onderbouwd en ook de advocaat van betrokkene is hierop niet teruggekomen. Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 3 onderaan.
29.Zie ook art. 3.2.5.1. Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.
30.B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20), Deventer: Wolters Kluwer 202, randnummer 212.
31.Zie de toelichting op de eerste pagina van de aanvullende procesinleiding.
32.V.C. Andeweg en G.L.A.M. van Doveren, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 8:11 Wvggz Pro (publicatiedatum 16 april 2026).
33.zie
34.Zie hierover o.m. S. McFedries,
35.Zie productie 10a van het procesdossier.
36.Zie productie 10 van het procesdossier.
37.Zie p. 10 t/m 13 van de aanvullende procesinleiding.
38.Zie p. 12 van de aanvullende procesinleiding.
39.Zie productie 7 van het rechtbankdossier.
40.Zie p. 3 van de brief van 6 februari 2026 van de (waarnemend) zorgverantwoordelijke waarin betrokkene wordt geïnformeerd over de beslissing tot het tijdelijk verlenen van onvoorziene verplichte zorg.