Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
3.Het eerste middel
valse naamof in een
valse hoedanigheid”.
zelfeen valse naam heeft genoemd, in de weg staat een bewezenverklaring van het gebruik van dit oplichtingsmiddel. De Hoge Raad heeft zich, als ik het goed heb, niet eerder over een dergelijke kwestie uitgelaten.
het aannemenvan een valse naam alleen sprake is als iemand zichzelf met een valse naam bij een ander presenteert. [4] Het is echter de vraag of aan deze restrictieve uitleg ook de hand moet worden gehouden in medeplegersverband. Dan gaat het immers om de vraag of het
gezamenlijkhandelen van de verdachten ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte. [5] Daarvan kan ook sprake zijn wanneer niet de verdachte, maar een medepleger, aan de verdachte een valse naam heeft toegekend en/of hem onder die valse naam aan een ander heeft gepresenteerd. In de onderhavige zaak heeft het handelen van de (onbekend gebleven) medeverdachte die in de richting van de aangeefster de naam van [betrokkene 2] heeft genoemd, bezien in samenhang met het handelen van de verdachte, die naar de woning van de aangeefster is gegaan om haar bankpassen en bankreader op te halen, bij de aangeefster de indruk kunnen wekken dat de persoon die zich bij haar woning meldde Rabobankmedewerker [betrokkene 2] was.
4.Het tweede middel
stukjeachteruit is gereden, en vervolgens vooruit is weggereden waarbij (ook nog) een bocht moest worden gemaakt; de positie van de aangeefster vlak voor die auto, (…) van ‘volle vaart’ bestaande uit een snelheid die de aanmerkelijke kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel had kunnen worden veroorzaakt niet zonder meer begrijpelijk [is]”. Hoewel in deze formulering een paar woorden lijken te zijn weggevallen, maak ik eruit op dat de stellers van het middel de opvatting huldigen dat het oordeel van het hof, dat de verdachte met de bewezen verklaarde gedraging de aanmerkelijke kans dat de aangeefster [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel zou bekomen in het leven heeft geroepen, onbegrijpelijk is. Daarmee wordt geklaagd over het onder 3 primair bewezen verklaarde (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (van welk feit de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken).
5.Het derde middel
niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam”,terwijl “het bestanddeel ‘
met uitzondering van leden van algemeen vertegenwoordigende lichamen’in de tenlastelegging ontbreekt”. Gelet hierop heeft het hof volgens de stellers van het middel “niet beraadslaagd naar aanleiding van de tenlastelegging”, zodat het arrest niet in stand kan blijven.