ECLI:NL:HR:2026:39

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
23/03853
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 311.1.4 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak primair verdachte diefstal koper, veroordeling subsidiair voor schuldheling medeplegen diefstal

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd vrijgesproken van primair tenlastegelegde diefstal van koperen leidingen, maar veroordeeld voor subsidiair tenlastegelegde schuldheling. Het hof baseerde zijn oordeel mede op de verklaring van een medeverdachte die de verdachte belastte met een rol bij de diefstal.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel, dat zich richt op de betrouwbaarheid van de verklaring van de medeverdachte en de motivering van het oordeel over medeplegen, niet leidt tot cassatie. Het hof heeft de verklaring van de medeverdachte als betrouwbaar beoordeeld en voldoende gemotiveerd dat de verdachte een intellectuele en materiële bijdrage heeft geleverd aan de diefstal, ondanks het ontbreken van koper bij de verdachte zelf.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar ziet geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg dan deze constatering. De straf van twee maanden gevangenisstraf wordt niet verminderd. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling medeplegen diefstal met straf van twee maanden gevangenisstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03853
Datum13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2023, nummer 20-002372-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het in de zaak met parketnummer 01307681-21 bewezenverklaarde medeplegen van diefstal.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 januari 2026.