ECLI:NL:PHR:2026:626

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
26/00061
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.10 SvArt. 552a SvArt. 98 lid 2 SvArt. 98 lid 4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake verschoningsrecht Duitse advocaat bij beslag

De zaak betreft een Duitse advocaat (de klager) die klaagde over beslaglegging op diverse documenten en USB-sticks bij zijn cliënt, waarbij hij stelde dat deze onder zijn verschoningsrecht vielen. Na een doorzoeking op 28 februari 2023 legde het functioneel parket beslag op verschillende voorwerpen. De klager diende op 8 maart 2023 een klaagschrift in op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv.

De rechtbank Limburg verklaarde de klager niet-ontvankelijk in zijn klaagschrift omdat hij geen belanghebbende was en het verschoningsrecht niet van toepassing was op de inbeslaggenomen stukken. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking en verwees de zaak terug, omdat de beschikking van de rechter-commissaris niet aan de klager was betekend.

Na betekening diende de klager opnieuw een klaagschrift in, maar de rechtbank handhaafde het oordeel dat de stukken niet onder het verschoningsrecht vielen. De Procureur-Generaal concludeert dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de klager geen belang meer heeft, nu in de samenhangende zaak onherroepelijk is vastgesteld dat het verschoningsrecht niet geldt.

De conclusie van de Procureur-Generaal leidt tot verwerping van het cassatieberoep van de klager, waarmee de eerdere beslissingen worden bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Duitse advocaat wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij het klaagschrift over beslaglegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00061 Br
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[de klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Limburg heeft de klager bij beschikking van 12 augustus 2025 (RK 25-013282) niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift ex art. 5.4.10 jo 552a Sv, strekkende tot teruggave van de onder een cliënt van de klager inbeslaggenomen voorwerpen omdat daarop een verschoningsrecht van de klager (een Duitse advocaat) zou rusten.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Advocaten T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger hebben een middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaken 25/04301 en 26/00065. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Vijf andere samenhangende zaken (25/04319, 25/04320, 26/00059, 26/00062 en 26/00064) zijn door de Hoge Raad reeds bij arresten van 2 juni 2026 afgedaan. In die zaken zijn geen middelen ingediend, zodat het cassatieberoep door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard.
1.4
Als ik het hierna heb over ‘de klagers’, bedoel ik daarmee steeds de klager in de onderhavige zaak en zaak 25/04301, en de klager in de samenhangende zaak 26/00065 ([betrokkene 1] , zijnde de cliënt van de klager, onder wie de voorwerpen feitelijk in beslag zijn genomen).

2.De voorafgaande procesgang

2.1
Op 16 februari 2023 heeft het functioneel parket te Rotterdam naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Duitse officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbank Limburg de (bedrijfs-)woning van [betrokkene 1] , de cliënt van de klager, zal doorzoeken ter inbeslagneming.
2.2
Deze doorzoeking heeft op 28 februari 2023 op het adres van [betrokkene 1] plaatsgevonden. Hierbij is beslag gelegd op diverse voorwerpen, waaronder verschillende ordners, handgeschreven notities en USB-sticks.
2.3
Op 8 maart 2023 is namens de klager op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagneming onder [betrokkene 1] van een USB-stick, een Leitz-ordner en enkele geschriften met beslagnummers A.01.03.001, A.01.04.001, A.01.04.002, A.01.004.003 (in de stukken ook wel geduid met A.01.04.003), A.01.05.002 en A.01.05.003, op de grond dat deze stukken onder het verschoningsrecht van de klager zouden vallen. Namens [betrokkene 1] is tegen de inbeslagneming van dezelfde voorwerpen op 7 maart 2023 eveneens een klaagschrift op grond van art. 5.4.10 jo 552a Sv ingediend.
2.4
Op 14 maart 2023 is de behandeling van de beide klaagschriften door de rechtbank aangehouden in afwachting van de beslissing van de rechter-commissaris op het in het beklag vervatte bezwaar van de klager op grond van art. 98 lid 2 Sv Pro.
2.5
Op 3 april 2023 heeft de rechter-commissaris naar aanleiding van dit bezwaar beslist dat de Leitz-ordner, het stuk A.01.03.001 en de USB-stick(s) vallen onder het verschoningsrecht van de klager en de inbeslagneming in zoverre niet is toegestaan. De overige inbeslaggenomen stukken, waaronder de stukken met beslagnummers A.01.04.001, A.01.04.003, A.01.05.002 en A.01.05.003, vielen volgens de rechter-commissaris niet onder het verschoningsrecht van de klager. In zoverre is de inbeslagneming wel toegestaan door de rechter-commissaris.
2.6
Bij beschikking van 11 juli 2023 heeft de raadkamer van de rechtbank Limburg de beide op 7 en 8 maart 2023 ingediende klaagschriften ex art. 552a Sv ongegrond verklaard omdat tegen de beschikking van de rechter-commissaris door de klager geen klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro was ingediend. Tegen deze beschikking hebben de beide klagers cassatie ingesteld.
2.7
Op 9 april 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het beroep in cassatie in beide zaken. De Hoge Raad heeft de beschikkingen van de rechtbank Limburg van 11 juli 2023 daarbij vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Limburg op de grond – kort gezegd – dat de rechtbank er in haar beschikking van 11 juli 2023 van uit is gegaan dat de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 onherroepelijk was geworden nu daartegen door de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift was ingediend, terwijl uit de stukken niet kon blijken dat de beschikking aan de verschoningsgerechtigde (zijnde de onderhavige klager) was betekend. [1]
2.8
Op 28 mei 2024 is de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 2023 alsnog aan de klager betekend. Daartegen is namens de klager op 5 juni 2024 een klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend. Op dezelfde datum is ook namens [betrokkene 1] een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv Pro ingediend.
2.9
In totaal zijn door de klagers naar aanleiding van de beslaglegging op verschillende momenten in de procedures (vóór en na de terugwijzing door de Hoge Raad), acht klaagschriften ingediend.
2.1
Op 15 juli 2025 zijn alle door de klagers ingediende klaagschriften gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld door de rechtbank. Op 12 augustus 2025 heeft de rechtbank bij afzonderlijke beschikkingen uitspraak gedaan op alle klaagschriften.
2.11
De beschikking die thans voorligt staat, betreft de beschikking van de rechtbank op het op 8 maart 2023 namens de klager ingediende klaagschrift ex art. 5.4.10 jo 552a Sv. Dit klaagschrift strekt ertoe dat wordt beslist dat de inbeslaggenomen voorwerpen vallen onder het verschoningsrecht van de klager.
2.12
De rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:

Beklag
Het 552a Sv-klaagschrift strekt tot teruggave van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover deze niet al zijn teruggeven [
AG: bedoeld zal zijn: teruggegeven], daar deze mogelijk vallen onder het verschoningsrecht van de klager. Het gaat om de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende inbeslagname codes (hierna: IBN-codes): A.01.04.001. A.01.004.003. A.01.05.002 en A.01.05.003.
[…]
Beoordeling
[…]
De stukken waar thans over wordt geklaagd en waarvan teruggave wordt verzocht, zijn niet onder de klager in beslag genomen. Voor het oordeel of de klager desondanks als belanghebbende kan worden aangemerkt, is het volgende van belang.
De klager heeft op 5 juni 2024 een 98 Sv-klaagschrift ingediend (raadkamernummer: 24-015665) waarin wordt geklaagd over de inbeslagname van dezelfde stukken. In de beschikking op dat klaagschrift, dat eerder op dezelfde dag is uitgesproken als onderhavige beschikking, heeft de rechtbank na het inzien van de stukken waarover wordt geklaagd, geoordeeld dat deze niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de klager niet kan worden aangemerkt als belanghebbende van de inbeslaggenomen goederen in de zin artikel 552a Sv.
De klager zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag van 8 maart 2023.”

3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Het middel klaagt dat de beslissing van de rechtbank dat de klager niet-ontvankelijk is in het klaagschrift ex art. 552a Sv van 8 maart 2023 ontoereikend is gemotiveerd, nu het bij die beslissing betrokken oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen niet is gegeven in de voorliggende procedure, maar (uitsluitend) in de gelijktijdig maar niet-gevoegd behandelde art. 98 Sv Pro-procedure (de samenhangende zaak 25/04301), terwijl voorts de beschikking van de rechtbank in die art. 98 Sv Pro-procedure niet onherroepelijk is.
3.2
De klager heeft geen belang meer bij het beklag en dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het cassatieberoep, wanneer het beroep in cassatie in de samenhangende zaak 25/04301 overeenkomstig mijn conclusie leidt tot verwerping van dat cassatieberoep. In dat geval staat immers in rechte onherroepelijk vast dat de betreffende onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen voorwerpen niet onder het verschoningsrecht van de klager vallen, zodat op het onderhavige klaagschrift ex art. 5.4.10 jo 552a Sv van 8 maart 2023 van de klager geen andere beslissing kan volgen. [2]

4.Slotsom

4.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 9 april 2024, ECLIN:NL:HR:2024:562,
2.Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:315.