ECLI:NL:PHR:2026:601

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
24/03630
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.44 lid 1 Interim omgevingsverordening Noord-BrabantArt. 1.2 lid 1 Wet milieubeheerArt. 1a onder 1° Wet op de economische delictenArt. 2 Wet op de economische delictenArt. 461 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zich bevinden met motorvoertuig in stiltegebied buiten toegestane wegen

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het zich bevinden met een motorvoertuig in het stiltegebied [natuurgebied] buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen, in strijd met artikel 2.44 lid 1 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De overtreding werd vastgesteld op basis van politiecontroles en waarnemingen op 29 november 2020.

De verdachte voerde in verzet aan dat hij niet wist dat hij in een stiltegebied reed en dat er geen borden waren die dit duidelijk maakten op zijn aanrijroute. Het hof stelde vast dat het stiltegebied goed was bebord, maar dat het niet duidelijk was of bij de toegangsweg een bord stond. Wel was er een bord geplaatst bij het zandpad waarop de controle plaatsvond, dat duidelijk aangaf dat motorvoertuigen verboden waren.

Het hof oordeelde dat de verdachte vanaf het moment dat hij bij het verbodsbord kwam, de zorgplicht had om te controleren of hij zich aldaar mocht bevinden. Door door te rijden, ook nadat hij het bord had gepasseerd, schond hij deze zorgplicht. Het hof sprak de verdachte vrij van opzet, waardoor het feit een overtreding en geen misdrijf vormde.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en dat het hof terecht het verweer van de verdachte heeft verworpen. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens het zich bevinden met een motorvoertuig in een stiltegebied buiten toegestane wegen blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03630 E
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 20 september 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch [1] wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot een geldboete van € 750, subsidiair 15 dagen hechtenis.
1.2
Namens de verdachte heeft P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, dan wel dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 29 november 2020 in de gemeente [plaats] zich met een motorvoertuig heeft bevonden in het [natuurgebied] buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen.”
2.3
De bewezenverklaring van het hof steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2020 (p. 6-8 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] en/of [verbalisant 7] en/of [verbalisant 8] en/of [verbalisant 9] en/of [verbalisant 10] en /of [verbalisant 11] :
Op zondag 29 november 2020 werd door ons een controleplaats ingericht op een naamloos zandpad in [plaats] , gemeente [plaats] . De dichtstbijzijnde openbare weg betrof de [a-straat] te [plaats] . De coördinaten van de controleplaats betroffen: […] . Het betreft een bosgebied in particulier eigendom. Staatsbosbeheer heeft het toezicht op de naleving van de toegangsbepalingen. Derhalve staan er rondom dit bosgebied ook borden van Staatsbosbeheer met daarop de toegangsbepalingen. De controleplaats is gelegen in het, door de provincie Noord-Brabant aangewezen, stiltegebied genaamd [natuurgebied] . Bij dit proces verbaal is een kaart van het stiltegebied gevoegd met daarop ingetekend de controleplaats.
Ik, [verbalisant 1] , heb voor aanvang van de controle op internet via de zoekmachine van Google de zoekvraag: “Stiltegebieden in Brabant” geraadpleegd. Het eerste zoekresultaat betrof de officiële website van de Provincie Noord-Brabant met daarop uitleg van de regels en kaarten van alle stiltegebieden in Brabant. Mij, [verbalisant 2] is het bekend dat bij de toegangswegen van het [natuurgebied] borden zijn geplaatst die het stiltegebied aanduiden.
Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , waren gekleed in het dagelijks politie-uniform inclusief hoofddeksel en duidelijk herkenbaar als politieambtenaar. Ik, [verbalisant 2] , droeg tevens een geel zichtbaarheidsvest, voorzien van het politielogo. Wij, verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 10] en [verbalisant 11] waren gekleed in het uniform verstrekt door onze werkgevers. Op ons uniform zit het landelijke BOA-logo bevestigd, dat duidelijk zichtbaar was en niet werd afgedekt door andere kledingstukken. Wij waren duidelijk herkenbaar als opsporingsambtenaar. Eveneens droegen wij over onze bovenkleding een geel zichtbaarheidsvest. Dit geel zichtbaarheidsvest is op de borst voorzien van het landelijke BOA-logo. Wij waren duidelijk zichtbaar en herkenbaar.
Op 29 november 2020, omstreeks 12.50 uur zagen en hoorden wij, verbalisanten, crossmotoren de controleplaats naderen. Wij, verbalisanten zagen dat het een groep crossmotoren betrof van in totaal 3 crossmotoren. Op elke crossmotor zat enkel de bestuurder.
Ik, [verbalisant 5] , gaf op een afstand van ongeveer 25 meter een stopteken aan de eerste motorrijder, zijnde de later volledig te noemen [verdachte] . Ik zag dat hij hieraan niet voldeed en zijn crossmotor tot stilstand bracht en meteen 180 graden keerde om terug te rijden.
Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] zagen dat, het door [verbalisant 5] gegeven stopteken op correcte wijze werd uitgevoerd en er geen twijfel over kon bestaan dat duidelijk was voor de aankomende bestuurder dat deze werd gemaand te stoppen met zijn voertuig.
Nadat genoemde [verdachte] gekeerd was en weer terug reed, kreeg deze opnieuw een stopteken, dit keer van mij, [verbalisant 2] . Ik zag dat hij opnieuw niet stopte en links langs mij reed om vervolgens achter mij tot stilstand te komen voor het inmiddels opgetrokken touw met daaraan duidelijk zichtbaar om de ongeveer 30 centimeter rood/wit politie lint van elk 40 centimeter lengte.
Alle drie de motoren zijn tot stilstand gekomen en de bestuurders zijn staande gehouden ter controle op de naleving van de regels en voorschriften van Wegenverkeerswet 1994. Ik, [verbalisant 11] , hield staande:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , met de Nederlandse nationaliteit. Hij verklaarde geen identiteitsbewijs of rijbewijs bij zich te hebben.
Hij reed op een crossmotor voorzien van het Nederlandse [kenteken] . Desgevraagd kon de bestuurder mij, [verbalisant 11] , ook geen geldig Nederlands kentekenbewijs voor de motor waarop hij reed, tonen. De motor was op naam gesteld van zijn vrouw, zo verklaarde de bestuurder.
Ik, [verbalisant 1] heb de gegevens van het kenteken opgevraagd op mijn, vanuit dienstwegen verstrekte, mobiele telefoon en heb zo de te naam gestelde achterhaald en via het register van de Gemeentelijke Basis Administratie, achter de naam en gegevens gekomen van de bestuurder. In het register van het Rijksdienst van het Weg Verkeer zag ik aan de hand van de foto in het systeem dat het ook daadwerkelijk de bestuurder betrof hier.
Op 15 december 2020 werd door [verdachte] aan het politiebureau een geldig Nederlands rijbewijs getoond met rijbewijsnummer […] .
Ik, [verbalisant 1] , nam omstreeks 12.54 uur een verklaring van hem af. Hij verklaarde: “Ik wist niet dat ik in een stiltegebied reed. Ik ben hier niet bekend. Ik heb geen bordjes gezien. Ik weet dat in een stiltegebied niet gereden mag worden. Dat is duidelijk.”
2. Het aanvullende proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2100-2020272716-5, d.d. 7 februari 2021, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van de verbalisanten door [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] :
Op zondag 29 november 2020, omstreeks 12.55 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , in dienst van de politieregio Oost-Brabant. Wij waren in uniform gekleed en derhalve duidelijk herkenbaar als zijnde politieambtenaren. Op voornoemde datum en voornoemd tijdstip waren wij, verbalisanten, in samenwerking met Bijzondere Opsporings Ambtenaren van diverse disciplines, doende met een verkeerscontrole in een Stiltegebied genaamd [natuurgebied] en gelegen in de gemeente [plaats] . Op voornoemde datum en voornoemd tijdstip werden door ons, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , een drietal motorrijders gecontroleerd en verbaliseerd voor: "Het zich bevinden in een Stiltegebied met een motorvoertuig of bromfiets buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen. Betreft artikel 1.2 lid 1 Wet Milieubeheer."
De drie verdachten, onder wie [verdachte] , hebben van de Officier van Justitie van het Functioneel Parket te 's-Hertogenbosch een strafbeschikking gekregen. Alle drie de verdachten, genaamd [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , stelden zich in verzet, tegen de hun door de Officier van Justitie opgelegde strafbeschikkingen. In het schriftelijk bezwaar werd door hen alle drie als reden aangedragen dat men op de route, aanrijdend naar de plaats van controle, geconstateerd heeft dat er geen bebording geplaatst is waaruit duidelijk werd dat men zich in een stiltegebied bevond. De aanrijdroute is door de voornoemde verdachten weergegeven op een fotoblad waarop in rood de gereden aanrijdroute is aangegeven. Tevens is in deze bijlage op een drietal punten de locatie aangeduid waar men wel een bord ‘Stiltegebied’ heeft geconstateerd heeft. De drie verdachten concluderen dat zij op hun aanrijdroute geen Borden Stiltegebied hebben kunnen waarnemen. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hebben naar aanleiding van het verzet een nader onderzoek ingesteld en met name de bebording bekeken. Ik, [verbalisant 2] , heb de route die door de drie verdachten identiek is aangegeven, bekeken. Als bijlage 1 en 2 is bij dit proces verbaal bevindingen een tweetal kaarten gevoegd. Bijlage 1 betreft het gehele stiltegebied. Bijlage 2 betreft een uitsnede met daarin enkele punten ingetekend. Op bijlage 2 bij punt A is men volgens eigen opgaaf het stiltegebied ingereden. Ter plaatse betreft het een openbare en verharde (geasfalteerde) weg. Vervolgens heeft men ingetekend langs de bosrand te zijn gereden tot punt B, zoals vermeld op bijlage 2. De route tussen punt A en punt B betreft een voor het openbaar verkeer opgesteld zandpad. Daar waar er paden aan de linkerkant het bos, en dus stiltegebied, ingaan, zijn deze paden voorzien van borden 461 Sr waaruit blijkt dat die verboden zijn voor motorvoertuigen. Zie bijlage 3 voor een foto van dit bord. Deze paden zijn voorzien van een slagboom of paaltjes.
In artikel 2.44 lid 1 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is gesteld: 'Het is in een Stiltegebied verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen.' Het pad waar de drie verdachten zijn staande gehouden was niet opengesteld voor gemotoriseerd verkeer. Op de dag van de controle zagen wij aan het begin van dit pad, bij punt B in bijlage 2, een bord staan. Dit bord is duidelijk zichtbaar en leesbaar en vindt zijn grondslag in artikel 461 Wetboek Pro van Strafrecht (verboden toegang). Ten tijde van de controle heb ik, [verbalisant 1] , een foto gemaakt van dit bord die bij dit proces verbaal van bevindingen is gevoegd als bijlage 3. Als tekst staat op dit bord onder andere: 'Verboden voor motorvoertuigen.'
In artikel 5.25 lid 2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is bepaald: 'De borden bedoeld in het eerste lid worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.' In lid 1 wordt gesteld dat het om de bebording van de stiltegebieden gaat. Hieruit blijkt dat de bebording van stiltegebieden worden geplaatst langs verharde openbare wegen die toegang geven tot het gebied dan wel daaraan grenzen. Hieruit blijkt dat de bebording van stiltegebieden niet exact op de grens van het stiltegebied hoeft te staan. Zoals verwoord in het verzet van de verdachten hebben zij achteraf wel borden gevonden van het stiltegebied. Eén van die borden, bij punt C op bijlage 2, betreft een bord met daarop een kaart waarop de begrenzing van het stiltegebied is aangegeven. Ons, verbalisanten, is het bekend dat dit stiltegebied goed is aangegeven middels bebording. Op meerdere plaatsen staan dergelijke borden met een plattegrond, met rechtsonder een print van het bord 'stiltegebied'. Op andere plaatsen staan enkel een bord van 'stiltegebied'.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van het verzetschrift van de verdachte tegen de opgelegde strafbeschikking, d.d. 20 januari 2021, voor zover inhoudende:
Ik ben op 29 november 2020 tezamen met 2 vrienden staande gehouden tijdens een controle / handhavingsactie in een stuk bosgebied in de Gemeente [plaats] . De controle werd uitgevoerd door de Bijzondere Opsporingsambtenaren (BOA's) in samenwerking met de politie. Ten tijde van de staande houding reden wij op motorfietsen. Naar de mening van de betrokken ambtenaren reden wij in een verboden voor motorvoertuigen gebied, een zogenaamd Stiltegebied. Op de door ons gereden aanrijroute zijn geen Stiltebied-borden geplaatst, waardoor wij niet konden weten en/of vermoeden dat wij in een Stiltegebied reden. Ik voeg bij dit schrijven een bijlage toe, genaamd BIJLAGE 1 waarop te zien is hoe de aanrijroute was (ROOD) en waar de Stiltegebied-borden geplaatst zijn (GROEN).
Bijlage 1
(Het hof neemt waar op deze bij het verzetschrift als bijlage gevoegde kaart welke route volgens de verdachte door hem is gereden voordat hij werd staande gehouden en dat daarop is aangegeven op welke plaatsen door hem Stiltegebied-borden zijn aangetroffen. Daaruit blijkt dat de verdachte komende vanaf de verharde weg, de [b-straat] , aan het einde rechtsaf de onverharde, langs de bosrand gelegen weg is ingeslagen, waarna hij linksaf een zandpad is ingeslagen, zonder dat op deze route een op die kaart aangeduid ‘stiltegebied bord’ wordt gepasseerd, waarop - verder het bos in - de controleplaats was ingericht.)”
2.4
De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in:
“Het hof stelt vast dat [natuurgebied] in de Interim Omgevingsverordening Noord- Brabant is aangewezen als stiltegebied. Krachtens artikel 2.44, eerste lid, van voornoemde omgevingsverordening is het in dit stiltegebied verboden om zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen.
Uit het politiedossier volgt dat op 29 november 2020 een controle in [natuurgebied] is uitgevoerd door de politie. De controleplaats was ingericht op een naamloos zandpad in [plaats] , binnen de gemeente [plaats] . De op de controleplaats aanwezige verbalisanten hoorden, omstreeks 12.50 uur, geluiden van motorvoertuigen en zij zagen dat een drietal crossmotoren c.q. enduro-motoren de controleplaats op kwam rijden. Aan hen werd een stopteken gegeven op basis van de Wegenverkeerswet 1994. De voorste motorrijder van de groep - naar later bleek: de verdachte - negeerde het stopteken, draaide 180 graden om en reed weg. Naar eigen zeggen handelde de verdachte hierbij uit schrik. Uiteindelijk is de verdachte, net als de andere twee motorrijders, gestopt en staande gehouden.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat hij in een stiltegebied reed, dat hij geen bordjes heeft gezien en dat hij weet dat in een stiltegebied niet gereden mag worden. De verdachte heeft in zijn verzetschrift op een als bijlage gevoegde kaart aangegeven welke route door hem is gereden voordat hij werd staande gehouden en heeft daarop aangegeven op welke plaatsen door hem siltegebiedborden zijn aangetroffen. Voor zover relevant blijkt daaruit dat de verdachte komende vanaf de verharde weg [b-straat] aan het einde rechtsaf de onverharde, langs de bosrand gelegen weg is ingeslagen, waarna hij linksaf een zandpad is ingeslagen waarop - verder het bos in - de controleplaats was ingericht. Nu het politiedossier geen duidelijke weergave bevat van de door de verdachte afgelegde weg, zal het hof uitgaan van de door de verdachte aangegeven aanrijroute. Verdachte heeft aangevoerd dat op die aanrijroute geen enkel stiltegebiedbord is geplaatst.
Het hof overweegt dat, hoewel door de politie - naar aanleiding van verdachtes verweer - een aanvullend proces-verbaal d.d. 7 februari 2021 is opgemaakt, daarin niet is geverbaliseerd dat bij controle feitelijk is geconstateerd dat aan het einde van de [b-straat] , alwaar het verharde gedeelte van de [b-straat] direct toegang biedt tot het stiltegebied “ [natuurgebied] ”, een bord aanwezig is dat het stiltegebied aanduidt In het aanvullend proces-verbaal d.d. 7 februari 2021 (p. 1 en 2) staat gerelateerd dat aan het begin van het zandpad waarop de controleplaats was ingericht, en waar de verdachte volgens zijn verklaring het bos was ingereden, een duidelijk zichtbaar en leesbaar bord was geplaatst dat zijn grondslag had in artikel 461 van Pro het Wetboek van Strafrecht waaruit bleek dat dat pad niet opengesteld was voor gemotoriseerd verkeer. Bij dat proces-verbaal is een foto van dat bord opgenomen als bijlage 3. Hierop staat onder meer vermeld dat de toegang is verboden met een motorrijtuig of bromfiets. De verdachte heeft in eerste aanleg ter terechtzitting verklaard dat hij dat bord (door de verdachte een “particulier handhavingsbord” genoemd) later heeft gezien.
Gelet op het vorenstaande, is het hof van oordeel dat de verdachte op 29 november 2020 met zijn motorvoertuig het [natuurgebied] is ingereden. Het hof kan echter niet vaststellen dat de verdachte opzettelijk het stiltegebied is ingereden. Mogelijk heeft de verdachte ten aanzien daarvan gedwaald, nu niet duidelijk is of het stiltegebied met een bord bij de toegangsweg was aangeduid.
Op grond van het dossier kan wel worden vastgesteld dat de verdachte, eenmaal in het stiltegebied, langs een bord is gereden met daarop de vermelding dat de toegang voor motorrijtuigen verboden is, en dus niet opengesteld voor gemotoriseerd verkeer. Het hof is van oordeel dat de verdachte, in elk geval vanaf het moment dat hij bij dit bord aankwam, de zorgplicht had om na te gaan of hij zich aldaar met zijn motorvoertuig mocht bevinden. Door zijn weg te vervolgen op een niet voor gemotoriseerd verkeer opengestelde weg, heeft de verdachte die zorgplicht geschonden. Immers, de verdachte is vanaf een verharde weg een onverhard zandpad in het bos ingereden en hij had er - net als ieder weldenkend mens en te meer als motorrijder - op bedacht moeten zijn dat hij zich toen niet zondermeer in een gebied bevond waar hij met zijn motorvoertuig mocht rijden. Naar het oordeel van het hof had de verdachte anders kunnen en moeten handelen op het moment dat hij bij het verboden toegangsbord kwam. Door op dat moment toch door te rijden en het stiltegebied verder in te rijden, is het hof van oordeel dat de verdachte zich, hoewel niet opzettelijk, op 29 november 2020 met een motorvoertuig heeft bevonden in het [natuurgebied] buiten een voor gemotoriseerd verkeer opengestelde weg.
Het hof acht het tenlastegelegde feit, in de overtredingsvariant, daarmee wettig en overtuigend bewezen.”
2.5
Alvorens in te gaan op de klachten van de steller van het middel, sta ik eerst nog kort stil bij de toepasselijke wet- en regelgeving.
2.6
De tenlastelegging is gebaseerd op het destijds geldende art. 2.44 lid 1 Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (hierna: Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) dat luidde:
“Het is in een Stiltegebied verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen.”
2.7
Ten tijde van het tenlastegelegde werd overtreding van art. 2.44 lid 1 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in art. 9.1 van deze verordening aangeduid als strafbaar feit en leverde het overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 1.2 lid 1 (oud) van de Wet milieubeheer op. Op grond van art. 1a onder 1° (oud) van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) betrof dit een economisch delict. Het vormde gelet op art. 2 WED Pro een misdrijf voor zover opzettelijk begaan en anders een overtreding.
2.8
De toelichting op art. 2.44 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant [2] hield in:

Artikel 2.44 Verboden gebruik motorvoertuig en bromfiets Stiltegebied
Binnen het stiltegebied gelden rechtstreeks werkende verboden voor diverse activiteiten die verstorend werken op de na te streven stilte en rust.
Dit artikel is er op gericht op handhavend te kunnen optreden tegen motorvoertuigen of bromfietsen die zich bevinden buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om paden die alleen open staan voor voetgangers en fietsers. Daarnaast geldt dat het houden van een toertocht voor motorfietsen en bromfietsen is verboden. Het gebruik van motorvoertuigen in het kader van in het algemeen toelaatbare activiteiten, zoals de agrarische bedrijfsvoering of andere bedrijven, is van het verbod uitgezonderd.”
2.9
Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het middel, dat – zoals al aangegeven – klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dan wel dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
2.1
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het ‘opzettelijk’ overtreden van art. 2.44 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, omdat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte opzettelijk het [natuurgebied] is ingereden. Het is volgens het hof immers niet duidelijk geworden of het stiltegebied met een bord bij de toegangsweg was aangeduid. Het bewezenverklaarde levert daarmee geen misdrijf, maar een overtreding op.
2.11
De steller van het middel klaagt dat het hof tot een bewezenverklaring van de schuldvariant van het tenlastegelegde is gekomen en is voorbijgegaan aan het verweer van de verdachte dat hij geen schuld heeft aan het tenlastegelegde en niet verwijtbaar heeft gehandeld omdat hij niet wist dat hij in een stiltegebied reed. De steller van het middel lijkt daarmee te miskennen dat het bewezenverklaarde een overtreding oplevert en geen ‘schuld’ als bestanddeel bevat. De verwijtbaarheid wordt in dit geval verondersteld [3] en slechts de aannemelijkheid van afwezigheid van alle schuld leidt tot niet aansprakelijkheid. [4] De vaststelling dat de verdachte op 29 november 2020 met zijn motorfiets in het [natuurgebied] is aangetroffen, is daarom in beginsel voldoende voor een bewezenverklaring van de overtreding. Verder geldt dat het hof in reactie op het verweer van de verdachte heeft overwogen dat de verdachte wel degelijk iets te verwijten viel, omdat hij vanaf een verharde weg een onverhard zandpad in het bos is ingereden en hij er – net als ieder weldenkend mens en te meer als motorrijder – op bedacht had moeten zijn dat hij zich toen niet zondermeer in een gebied bevond waar hij met zijn motorrijtuig mocht rijden, terwijl toen hij vervolgens bij het verbodsbord voor toegang met een motorrijtuig kwam, is doorgereden. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat van afwezigheid van alle schuld geen sprake was. Het hof heeft gelet op het voorgaande voorbij mogen gaan aan het verweer van de verdachte.
2.12
Verder klaagt de steller van het middel dat het hof passages uit het verzetschrift van de verdachte ten onrechte als bewijsmiddel 3 voor het bewijs heeft gebezigd, omdat dit bewijsmiddel niet redengevend voor het bewijs zou zijn. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen, nu dit bewijsmiddel bevestigt dat de verdachte op 29 november 2020 op een motorfiets heeft gereden in een bosgebied in de gemeente [plaats] , dat is aangemerkt als stiltegebied.
2.13
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt. Omdat het middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [5]
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 20-002647-23.
2.Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) van 4 november 2019,
3.J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen,
4.J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen,
5.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,