ECLI:NL:PHR:2026:562

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
24/03446
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWMArt. 1 WWMArt. 2 WWMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring voorhanden hebben pistool en munitie

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens het voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie op 11 november 2021. In eerste aanleg was hij vrijgesproken. Het cassatieberoep richtte zich op de motivering en bewijsvoering van het hof, met name de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte, de toerekening van de aangetroffen telefoon en het DNA-bewijs.

Het hof baseerde zijn oordeel op observaties van politieagenten die de verdachte herkend achten bij een bergingscomplex en een woning van een vriend, waar een vuurwapen en munitie werden aangetroffen naast een telefoon met een Snapchat-account dat aan de verdachte kon worden toegeschreven. Daarnaast werd op een kogelpatroon DNA van de verdachte aangetroffen met een zeer hoge waarschijnlijkheid. De ex-vriendin verklaarde dat de verdachte haar tien dagen eerder een pistool had getoond.

De verdediging voerde aan dat de herkenning onbetrouwbaar was, dat de telefoon niet overtuigend aan de verdachte kon worden toegeschreven, dat het DNA ook op een ander moment kon zijn achtergelaten en dat het niet bewezen was dat het om hetzelfde wapen ging. De Hoge Raad achtte deze klachten onvoldoende gegrond en concludeerde dat het hof voldoende en samenhangend bewijs had om het voorhanden hebben van het wapen en munitie aan de verdachte toe te rekenen.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het arrest. De Hoge Raad bevestigt daarmee de veroordeling van de verdachte voor het bezit van het vuurwapen en munitie op de bewuste datum.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het voorhanden hebben van een pistool en munitie op 11 november 2021.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03446
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 10 september 2024 (parketnr. 22-002220-23) wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken voor dit feit.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is – na vrijspraak in eerste aanleg voor dit feit – veroordeeld voor het op 11 november 2021 te [plaats] voorhanden hebben van een pistool en bijbehorende munitie. In cassatie wordt geklaagd over de motivering van het oordeel van het hof dat de verdachte genoemd pistool en munitie voorhanden heeft gehad.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde “voorhanden hebben” niet uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd dan wel niet zonder meer begrijpelijk is.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 11 november 2021 te [plaats] een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk en/of type Browning Hi-Power-Grand Puissance, kaliber 9 mm en (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Pro Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De
verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2024 verklaard – zakelijk weergegeven – :
De voorzitter houdt voor dat ‘ [naam 1] ’ te linken is aan een bepaald Facebook-account en dat dat account te linken is aan ‘ [accountnaam 1] ’. Dat u ‘ [accountnaam 1] ’ bent, blijkt uit twee muziekwebsites. Zegt die laatste naam u iets?
De verdachte verklaart dat hij die naam wel kent en heeft gebruikt.
2. Een door de advocaat-generaal tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2024 aan het hof en raadsman verzonden e-mail bevattende – zakelijk weergegeven – :
Een snelkoppeling naar de website [internetsite 1] ( [internetsite 1] ) .
De advocaat-generaal voert aan dat het blijkens deze website pas per februari 2022 mogelijk is om je achterliggende Snapchataccountnaam te wijzigen.
3. Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 11 november 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2021352502-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 93-94):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 11 november 2021 werd er een melding uitgegeven door het Operationeel Centrum Rotterdam. De melding betrof een bedreiging. De melder zou bedreigd worden door ene [naam 1] . Deze [naam 1] zou een vuurwapen bezitten. Wij hoorden van het Operationeel Centrum Rotterdam dat [naam 1] moest zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001. Wij werden voorzien van een foto van [verdachte] uit het systeem van de politie.
Hierop zijn wij naar het GBA adres van [verdachte] gereden, te weten de [a-straat 1] te [plaats] en hebben dit adres onopvallend onder observatie genomen. Omstreeks 18:00 uur zag ik, [verbalisant 1] , twee mannen uit voornoemd portiek komen. Een van de mannen was iets langer dan de andere man. Ik schatte de mannen beide op circa 20 jaar oud. Ik zag dat deze mannen het naastgelegen bergingencomplex in liepen. De langere man ging met de sleutel de tweede berging aan de rechterzijde binnen. De andere man stond op de gang in het bergingencomplex. Na ongeveer 3 minuten kwamen beide mannen weer naar buiten.
Ik, [verbalisant 2] , zag dat de mannen langs mij liepen. Ik zag dat de langere man zeer sterke gelijkenissen vertoonde met [verdachte] . Wij zagen dat de mannen via de [b-straat] de [c-straat] op liepen en het portiek met huisnummers […] t/m […] in gingen. Wij hoorden van een collega die contact had met de wijkagent dat een goede vriend van [verdachte] woont op de [c-straat 1] . Dit pand is tevens gelegen in dit portiek. Het zou gaan om: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2001.
Hierop hebben wij met meerdere leden van de Team Parate Eenheid aangebeld maar werd er niet open gedaan. In de woning troffen wij:
- [betrokkene 2] ,
- [betrokkene 3] ,
- [betrokkene 1] ,
- [betrokkene 4] .
Dit was opvallend, omdat ik, [verbalisant 1] tijdens het aanbellen bij de woning, vijf personen achter het raam gezien heb. Desgevraagd gaf [betrokkene 2] aan dat zijn zoon [betrokkene 1] met twee vrienden in de woning was. In de woning troffen wij echter maar 1 vriend, [betrokkene 4] . Ik, [verbalisant 2] ben via de balkondeur het balkon op gegaan en ik heb op het dak gekeken. Daar zag ik een vuurwapen en een telefoon liggen.
4. Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 3 december 2.021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2021352502-21. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 103):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 3 december 2021 verrichtte ik onderzoek naar de inhoud van een mobiele telefoon. Deze telefoon werd op 11 november 2021 in beslag genomen. De telefoon werd aangetroffen op het dak van de woning gelegen aan de [c-straat 1] . Direct naast de telefoon werd een vuurwapen aangetroffen.
Vervolgens opende ik de veiliggestelde chats. Ik zag dat er een gesprek van Snapchat was veiliggesteld. Ik zag dat dit gesprek volledig overeenkwam met het Snapchatgesprek dat werd aangeleverd door het slachtoffer (het hof: [betrokkene 5] ). Ik zag dat de teksten welke door het slachtoffer werden ontvangen, op de telefoon als verzonden werden weergegeven. Vervolgens opende ik de inhoud van de telefoon om de gebruikersnamen van het voornoemde Snapchatgesprek te achterhalen. Ik zag dat het gesprek plaatsvond tussen ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 3] ’. De gebruikersnaam [accountnaam 2] komt overeen met de gebruikersnaam van de verdachte, welke door het slachtoffer (het hof: [betrokkene 5] ) werd aangeleverd.
5. Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 11 november 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 202206011330.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 187 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Mij werd gevraagd om de persoon achter het Snapchat account ‘ [accountnaam 2] ’ te identificeren voor de zaak Marentak. Deze persoon zou zich [naam 1] en [naam 2] noemen in de chatgesprekken.
Ik deed op 11 november 2021 een zoekslag op Google naar “ [naam 1] ” en vond twee keer dezelfde Facebookpagina met de naam “ [naam 1] ” [internetsite 2] | ID: […] . In de URL van deze pagina is de naam ‘ [naam 3] ’ te lezen. Ook kwam de term “ [accountnaam 1] ” een aantal keren voor in de video’s die geüpload waren op de pagina.
Ik deed op 18 november 2021 een zoekslag naar “ [accountnaam 1] ” op Google en dat leidde mij naar de websites [internetsite 3] en
[internetsite 4]
Daar zag ik dat de muziek en tekst van het nummer ‘ […] ’ van [accountnaam 1] , tot ene “ [verdachte] ” toebehoort.
6. Een
proces-verbaal vooronderzoek labd.d. 17 november 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2021352502-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 1-2):
Als het onderzoek door verbalisant [deskundige 1] , forensisch onderzoek, Team Forensische Opsporing:
In verband met een onderzoek naar een bezit vuurwapens te [plaats] werd op verzoek van de Eenheid Rotterdam tussen door mij een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendragers. Voorafgaand aan het DNA vooronderzoek werd het vuurwapen geschouwd door een medewerker van Team Wapens, Munitie en Explosieven. Deze schouw werd uitgevoerd ten behoeve van het vaststellen van het voorwerp en de veiligheid. De schouw werd verricht onder DNA vrije omstandigheden.
Sporendragers
Goednummer : PL1700-2021352502-6302552
SIN : AAPL1289NL
Object : Vuurwapen (Pistool)
Merk/type : Overige Hi-Power
Kleur : Zwart
Land : Nederland
Kaliber : Vermoedelijk 9mm kort
Bijzonderheden : Patroonmagazijn met patronen mogelijk merk vervalsing
Goednummer : PL1700-2021352502-6302849
SIN : AAPL1290NL
Object : Munitie (Kogelpatroon)
Aantal/eenheid : 6 stuks
Merk/type : S&B Kogelpatroon
Land : Nederland
Kaliber : 9mm naar 9mm kort
Bijzonderheden : Uit patroonmagazijn projectielel dieper in huls gedrukt
Onderzoek vuurwapen (pistool) met SIN AAPL1289NL
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen: een vuurwapen (pistool), merk: ‘Smith & Wesson’, registratienummer: ‘24244’, kleur: zilverkleurig met bruine houten kolfplaten. In het houtwerk zijn afbeeldingen van een huilende wolf, een cirkelvormige maan met ster en een kop van een roofvogel aangebracht. Met hierbij een (separaat verpakt) patroonmagazijn, merk: onbekend, kleur: zwart.
In het patroonmagazijn zaten vijf (5) kogelpatronen en een (1) losse kogelpatroon in de verpakking (SIN: AAPL1290NL).
7. Een
rapport van het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag, nr. 2021.12.08.163, d.d. 26 januari 2022, opgemaakt en ondertekend door de [deskundige 2] . Dit rapport houdt onder meer in:
8. Een
proces-verbaal van aangifted.d. 10 november 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2021350536-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 9-10):
als de op 7 december 2021 afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :
Op 1 november 2021 omstreeks 08:40 uur bevond ik mij in de woning van [naam 1] . Toen de moeder van [naam 1] thuis kwam nam [naam 1] mij mee naar de schuur. Gekomen bij de schuur zag ik dat [naam 1] naar een kistje liep dat in de schuur stond. Ik zag dat [naam 1] een pistool uit dit kistje tevoorschijn haalde. Ik zag dat [naam 1] iets in het pistool deed.
9. Een
proces-verbaal Onderzoek Vuurwapens en Munitied.d. 18 november 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2021352502-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 99 - 100):
Als het onderzoek door verbalisant [deskundige 3] , operationeel Specialist A, Team Wapens, Munitie en explosieven:
Op donderdag 11 november 2021 zijn goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:
Wapenomschrijving 2:
Object : Vuurwapen (Pistool)
Merk/type : Onbekend/ Browning Hi-Power-
Grand Puissance
Kaliber : 9 mm
Het inbeslaggenomen voorwerp is een pistool geschikt om projectielen door een loop af te schieten.
Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de WWM.
Wapenomschrijving 3:
Object : munitie (kogelpatroon)
Aantal/eenheid : 6 stuks
Merk/type : S&B Kogelpatroon
Kaliber : 9 mm naar 9 mm kort
Het betreft kogelpatronen van het kaliber 9 mm. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de WWM.”
3.4
Het bestreden arrest houdt verder nog het volgende in:
“De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de verdachte op 11 november 2021 in het bezit is geweest van een vuurwapen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank veroordeeld wegens –kort gezegd– afpersing waarbij, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, ook een vuurwapen is gebruikt. Naar aanleiding van een melding van de aangeefster in die zaak heeft de politie de woning waar de verdachte zou verblijven aan de [d-straat 1] te [plaats] geobserveerd. De verbalisanten zagen twee mannen, waarvan één persoon sterke gelijkenissen vertoonde met de foto van de verdachte uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie, uit het portiek lopen en naar het naastgelegen bergingencomplex lopen. De verbalisanten zagen de mannen het bergingencomplex met gebruik van een sleutel ingaan en zagen vervolgens dat de mannen het complex even later verlieten en naar de [c-straat] liepen. De verbalisanten hebben waargenomen dat de mannen het portiek met de huisnummers […] t/m […] ingingen. Volgens informatie van de wijkagent zou in de woning [c-straat 1] een vriend van de verdachte wonen. Toen de politie de woning betrad, waren daar vier personen aanwezig, terwijl een verbalisant bij het aanbellen vijf personen door het raam had gezien. De vader van de vriend van verdachte gaf ook te kennen dat zijn zoon met twee vrienden aanwezig zou zijn, terwijl er in de woning slechts één van die vrienden werd aangetroffen. Door de verbalisanten werd op de dakrand boven het balkon een telefoon en naast de telefoon een vuurwapen met munitie aangetroffen.
Uit onderzoek naar de inhoud van deze telefoon blijkt dat in deze telefoon een Snapchatgesprek aanwezig was dat plaatsvond tussen de gebruikers ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 3] ’. Eerstgenoemde gebruikersnaam komt overeen met de gebruikersnaam van het Snapchataccount van ‘ [naam 1] ’, waarvan de gebruiker ‘ [accountnaam 3] ’ een screenshot heeft aangeleverd. Tevens heeft de gebruiker ‘ [accountnaam 3] ’ verklaard dat ‘ [naam 1] ’ ook bekend stond als de artiest ‘ [accountnaam 1] ’ op YouTube. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bevestigd dat hij deze artiestennaam inderdaad ook wel heeft gebruikt. Het hof merkt hierbij op dat – zo blijkt uit ter terechtzitting in hoger beroep door het openbaar ministerie gepresenteerde informatie dit door de verdediging niet althans niet overtuigend is weersproken – het pas sinds 2022 mogelijk is om je Snapchat-gebruikersnaam te wijzigen en dat de telefoon op 11 november 2021 is aangetroffen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat hieruit volgt dat de hiervoor genoemde –op het dak gevonden– telefoon aan de verdachte toebehoort. Het vuurwapen met munitie werd door verbalisanten naast deze telefoon op het dak aangetroffen.
Op tenminste één van de kogelpatronen in het aangetroffen vuurwapen is een DNA-hoofdprofiel aangetroffen. Het is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat dit DNA afkomstig is van de verdachte dan wanneer dit DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.
Nu bovendien de ex-vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte haar op 1 november 2021 een wapen heeft getoond toen zij samen in de berging van de woning aan de [d-straat 1] te [plaats] waren, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het vuurwapen voorhanden had.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep daarnaast – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de herkenning van de verdachte tijdens de observatie onbetrouwbaar moet worden geacht.
Het hof acht de herkenning, gelet op het volgende, voldoende betrouwbaar. Volgens een van de verbalisanten die betrokken was bij de observatie, vertoont de langste van de twee geobserveerde mannen zeer sterke gelijkenissen met de verdachte. Deze herkenning wordt bovendien ondersteund door het gegeven dat de betreffende man de woning van de verdachte verlaat, de berging van deze woning met behulp van een sleutel ingaat en vervolgens naar binnen gaat bij het portiek gelegen aan de [c-straat] met de huisnummers […] / […] , terwijl bekend is dat de woning gelegen aan de [c-straat 1] de woning van een (destijds) goede vriend van de verdachte betreft.”
3.5
In de toelichting op het middel is een viertal klachten opgenomen die – kort gezegd – als volgt kunnen worden samengevat:
- ’s hofs oordeel dat de herkenning van de verdachte tijdens de observatie betrouwbaar is zou niet zonder meer begrijpelijk zijn, omdat hier geenszins sprake is van een herkenning op basis van specifiek onderscheidende persoonskenmerken door een verbalisant van iemand die de verbalisant vanuit zijn hoedanigheid als opsporingsambtenaar bekend is;
- ’s hofs oordeel dat de naast het wapen aangetroffen telefoon aan de verdachte kan worden toegeschreven ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering – naast het op die telefoon aangetroffen gesprek – niet ook volgt dat het telefoonnummer, de contacten of de inhoud van telefoon (waaronder zendmastgegevens) aan de verdachte zijn te relateren, terwijl evenmin blijkt dat de telefoon op 11 november 2021 is achtergelaten noch dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en de munitie dan wel dat de verdachte feitelijke macht kon uitoefenen over het wapen en de munitie;
- de bewijsvoering niets inhoudt over de vraag of het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen DNA een daderspoor is of dat het DNA op de kogelpatroon daar mogelijk ook op een ander moment dan op de datum van het tenlastegelegde kan zijn terechtgekomen, terwijl er geen DNA van de verdachte op het wapen zelf is aangetroffen;
- het bij de bewijsvoering betrekken dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat de verdachte haar op 1 november 2021 – dat is 10 dagen voor de bewezenverklaarde pleegdatum – een vuurwapen heeft getoond niet zonder meer begrijpelijk is, omdat uit de bewijsvoering niet volgt dat het om één en hetzelfde vuurwapen zou gaan en in genoemde periode de wetenschap over de aanwezigheid van een wapen dan wel de beschikkingsmacht over een wapen verloren kan gaan.
3.6
Uit de onder 3.3 en 3.4 weergegeven bewijsvoering kan het volgende worden afgeleid. Naar aanleiding van een melding op 11 november 2021 van de aangeefster in de afpersingszaak waarvoor de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld en in welke zaak door de verdachte een vuurwapen is gebruikt (feit 1) [1] heeft de politie op de dag van de melding de woning waar de verdachte zou verblijven ( [d-straat 1] te [plaats] ) geobserveerd. Tijdens die observatie zagen de verbalisanten twee mannen van circa 20 jaar oud [2] – waarvan één van de mannen sterke gelijkenissen vertoonde met de foto van de verdachte uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie – uit het portiek lopen en naar het naastgelegen bergingscomplex gaan, waarna de als verdachte herkende man met een sleutel de tweede berging aan de rechterzijde inging en de andere man op de gang bleef staan. Na ongeveer 3 minuten komen beide mannen weer naar buiten en lopen zij samen in de richting van de [c-straat] . Bij de [c-straat] aangekomen lopen zij vervolgens het portiek met de huisnummers […] t/m 236 in. Uit informatie van de wijkagent zou in de woning [c-straat 1] een vriend van de verdachte wonen. Als een van de verbalisanten bij genoemde portiekwoning aankomt ziet hij als hij door het raam kijkt vijf personen, terwijl op het moment dat de politie de woning betreedt er nog maar vier personen aanwezig zijn. Door de vader van de vriend van de verdachte ( [betrokkene 6] ) wordt gezegd dat zijn zoon ( [betrokkene 1] ) met twee vrienden in de woning was, terwijl er in die woning slechts één van die vrienden ( [betrokkene 4] ) wordt aangetroffen. [3] Vervolgens treffen de verbalisanten op de dakrand boven het balkon een telefoon aan met daarnaast een vuurwapen met in het patroonmagazijn munitie (in het patroonmagazijn 5 kogelpatronen en 1 losse kogelpatroon in de verpakking). Op de telefoon wordt een Snapchatgesprek aangetroffen tussen een tweetal gebruikers, waarvan één van de gebruikers (‘ [accountnaam 2] ’) na onderzoek als de verdachte kon worden geïdentificeerd. Ook bleek uit onderzoek van het vuurwapen dat op tenminste één van de kogelpatronen een DNA-hoofdprofiel is aangetroffen, waarbij dit profiel meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte dan wanneer dit DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon. De ex-vriendin van de verdachte – eerdergenoemde aangeefster in de afpersingszaak – heeft verklaard dat zij zich op 1 november 2021 in de woning van de verdachte bevond (ik begrijp: op het GBA-adres van de verdachte: [a-straat 1] te [plaats] (bewijsmiddel 3),
PHvK) en dat de verdachte haar meenam naar “de schuur” (ik begrijp: eerdergenoemde berging,
PHvK) en de verdachte daar uit een kistje een pistool tevoorschijn haalde.
3.7
Uit genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het hof mijns inziens kunnen afleiden dat de verdachte op 11 november 2021 het in de bewezenverklaring bedoelde wapen en bijbehorende munitie zowel bewust aanwezig had als daarover feitelijke macht kon uitoefenen op de wijze zoals is vereist voor het als pleger voorhanden hebben van een wapen en munitie. [4] Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat uit die feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte op 1 november 2021 een pistool in het bergingscomplex van zijn woning bewaarde en de verdachte tien dagen later op 11 november 2021 – na in de berging (ik begrijp: behorende bij zijn woning aan de [d-straat 1] te [plaats] ,
PHvK) te zijn geweest – is gelokaliseerd bij de woning van een (destijds) goede vriend (aan de [c-straat] , portiek met de huisnummers […] t/m […] ), waar het in de bewezenverklaring bedoelde wapen en bijbehorende munitie op een via het balkon te bereiken dak van de woning zijn aangetroffen, terwijl op het moment dat de politie die woning binnentrad één van de personen die daar voorafgaand aan het binnentreden nog aanwezig was – zijnde een vriend van [betrokkene 1] (de betreffende vriend van de verdachte) – de woning (ik begrijp: gelet op de aanwezige politie op een niet gebruikelijke wijze,
PHvK [5] ) heeft verlaten.
3.8
Overigens merk ik nog op dat de voor het bewijs gebezigde herkenning van de verdachte – zoals het hof ook overweegt – niet op zichzelf staat, maar steun vindt in een viertal omstandigheden, te weten (1) dat de betreffende man de woning van de verdachte verlaat, (2) de berging van deze woning met behulp van een sleutel ingaat, (3) naar binnen gaat bij het portiek aan de [c-straat] met huisnummers […] / […] terwijl (4) bekend is dat de woning aan de [c-straat 1] de woning van een (destijds) goede vriend van de verdachte betreft.
3.9
De onder 3.5 weergegeven klachten vinden in voldoende mate weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt. Gezien de vrijspraak door de rechtbank ligt het niet in de rede om het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Uit het dossier (kennisgeving van inbeslagneming, PL1700-2021352502-8) blijkt dat op 11 november 2021 in de woning van de verdachte een luchtdrukwapen (Heckler & Koch G36 C) werd aangetroffen. Dit aanvalsgeweer kwalificeert niet als pistool (en is optisch ook niet als zodanig herkenbaar).
2.De verdachte was op de pleegdatum 20 jaar oud.
3.Vermoedelijk gaat het hierbij om de persoon die de verdachte vergezelde naar de woning aan de [c-straat 1] . De op dat moment in de woning aanwezige personen betreffen namelijk: de vriend van de verdachte ( [betrokkene 1] ), diens vader ( [betrokkene 6] ), [betrokkene 3] (op basis van de voornamen gaat het om een vrouw,
4.Zie in dit verband HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504,
5.Een blik op Google Streetview laat zien dat dit bij deze woning tot de mogelijkheden behoort (bijv. via de balkons en regenpijp van de om de hoek gelegen [e-straat] ).