ECLI:NL:PHR:2026:555

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
25/03034
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e lid 3 SvArt. 14 lid 1 Overeenkomst Nederland-Suriname
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding hoger beroep wegens onjuiste betekening in Suriname

De verdachte werd in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend, ondanks dat de verdachte in Suriname woonde. De dagvaarding werd echter als gewone brief naar het buitenlandse adres verzonden, terwijl het toepasselijke verdrag tussen Nederland en Suriname vereist dat dit bij aangetekend schrijven moet gebeuren.

De advocaat van de verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof onjuist had geoordeeld over de rechtsgeldigheid van de betekening. Volgens art. 36e lid 3 Sv en art. 14 van Pro de Overeenkomst tussen Nederland en Suriname had de dagvaarding aangetekend moeten worden verzonden.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De dagvaarding is daarmee nietig verklaard en het verstek tegen de verdachte onterecht verleend.

Uitkomst: De dagvaarding in hoger beroep is nietig verklaard wegens onjuiste betekening naar het buitenlandse adres in Suriname.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03034
Zitting9 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001892-24) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 24 mei 2024 (parketnr. 96-072258-21), waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van een week.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend en – in navolging daarvan – de verstekverlening tegen de verdachte.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2025 houdt het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
huidige BRP-adres: [a-straat 1] te [plaats] (Suriname),
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mevrouw mr. [betrokkene 1] , advocaat te Rotterdam, die desgevraagd door de voorzitter mededeelt dat zij niet door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren.
De voorzitter stelt vast dat volgens de Informatiestaat SKDB-persoon, gedateerd 13 februari 2025, de verdachte sinds 30 augustus 2024 staat ingeschreven op het adres: [a-straat 1] te [plaats] (Suriname).
Voorts stelt de voorzitter vast dat op 19 februari 2025 de dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie, waarna een afschrift daarvan als gewone brief is verzonden naar dit adres in Suriname.
De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep op de juiste wijze is
uitgereikt.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
2.3
De op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffie van de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in:
(i) een akte van uitreiking, behorende bij de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2025, inhoudende dat de dagvaarding in hoger beroep op 19 februari 2025 is uitgereikt aan het openbaar ministerie en is verzonden naar het op de akte vermelde adres in het buitenland, te weten ‘ [a-straat 1] [plaats] (SR)’;
(ii) een aan genoemde akte van uitreiking gehechte Informatiestaat SKDB-persoon, die inhoudt “gegevens uit SKDB op 13-02-2025” en waarin is vermeld dat het “Huidig BRP-adres” van de verdachte is [a-straat 1] te [plaats] (Suriname), met ingangsdatum vanaf 30 augustus 2024.
2.4
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 36e lid 3 Sv, onder meer inhoudende:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. (…)”
- Art. 14 lid 1 van Pro de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, gesloten te 's-Gravenhage op 27 augustus 1976 (
Trb. 1976, 143) (hierna: de Overeenkomst), welke bepaling luidt:
“De processtukken en de rechterlijke beslissingen, die moeten worden meegedeeld aan personen die zich op het grondgebied van een der Partijen bevinden, worden hun toegezonden hetzij rechtstreeks bij aangetekend schrijven door de bevoegde autoriteiten of deurwaarders, hetzij door bemiddeling van het bevoegd parket van de aangezochte Partij.”
2.5
Ingevolge art. 36e lid 3 Sv dient de uitreiking van de dagvaarding in een geval waarin van de geadresseerde een woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, voor zover een verdrag van toepassing is, te geschieden met inachtneming van dat verdrag. Dat brengt voor dit geval mee dat de dagvaarding overeenkomstig art. 14 van Pro de Overeenkomst bij aangetekend schrijven had dienen te worden verzonden. [1] Het middel klaagt gelet daarop terecht dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, onjuist is, en dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de verdachte.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3460.