Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:532

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
24/03048
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.40 Wet milieubeheerArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 5 Besluit emissiearme huisvestingArt. 2 Besluit emissiearme huisvesting
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplichtigheid verhuurder bij overtreding milieuregels varkenshouderij

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan het opzettelijk houden van meer varkens dan toegestaan volgens het Besluit emissiearme huisvesting.

Het hof stelde vast dat de rechtspersoon [A] B.V. als drijver van de inrichting werd aangemerkt en zelf opzettelijk handelde in strijd met de emissievoorschriften. De verdachte, die als verhuurder van de stallen optrad, had geen feitelijke zeggenschap over de exploitatie van de varkenshouderij en werd daarom vrijgesproken van medeplegen.

Wel werd de verdachte medeplichtig geacht omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de huurder de stallen zou gebruiken in strijd met het besluit, door een huurovereenkomst aan te gaan voor een periode waarin de stallen niet meer voldeden aan de emissie-eisen. De clausules in de huurovereenkomst die de verantwoordelijkheid bij de huurder legden, ontsloegen de verdachte niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid.

De procureur-generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij het hof de bewezenverklaring van medeplichtigheid voldoende heeft gemotiveerd en de vrijspraak van medeplegen terecht is.

Uitkomst: De verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen maar veroordeeld voor medeplichtigheid aan overtreding van het Besluit emissiearme huisvesting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03048 E

Zitting26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
gevestigd te [plaats] ,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 26 juli 2024 (parketnr. 20-000535-22) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens "
medeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 6.000,-, waarvan € 3.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte, zaaksnummer 24/03047. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.J.J.E. Stassen, advocaat in Tilburg, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring van medeplichtigheid. Geklaagd wordt over de overweging dat de verdachte medeplichtig was (enkel) door het verhuren van de bewuste stallen terwijl zij wist dat twee van de drie verhuurde stallen per 1 januari 2020 niet meer voldeden.

Bewezenverklaring, bewijsvoering en standpunt verdediging

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

[A] B.V. in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 te [plaats] in de gemeente [...] , als degene die een inrichting dreef aan de [a-straat 1] te [plaats] waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, opzettelijk in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,
-
in stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en
-
in stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,
bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [A] B.V. opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar de stal 3a en de stal 4a aan [A] B.V. te verhuren.
6. De bewezenverklaring is onder meer gegrond op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

4. Een ander schriftelijk bescheid, te weten een Melding Activiteitenbesluit m.b.t. de verandering van de inrichting [verdachte] , met bijlagen, (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Voor het bedrijf [verdachte] , gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] , is op 28-11-2011 een Omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend voor het houden van 444 stuks guste en dragende zeugen, 155 stuks kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a), 57 stuks vleesvarkens, 1728 stuks gespeende biggen (in stal 6) en 1 dekbeer. Op dit bedrijf vinden alle gebruikelijke activiteiten plaats welke op een varkenshouderij plaatsvinden. Middels deze melding activiteitenbesluit d.d. 15-05-2014 wordt een melding gedaan voor de verandering van het bedrijf. Stal 2, 3a, 4a en 6 blijven ongewijzigd.
5. Een ander schriftelijk bescheid, te weten een controleverslag van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant d.d. 29 oktober 2018, (…), voor zover inhoudende:
Datum controle: 29-10-2018
Adres: [a-straat 1]
Postcode en plaatsnaam: [...]
Omschrijving bedrijfsactiviteiten: Varkenshouderij
Op 29 oktober 2018 is ten tijde van de controle geconstateerd dat er geen dieren worden gehouden. De inrichtinghouder heeft een principeverzoek ingediend bij de gemeente [...] om de bestemming van het perceel te wijzigen en het bedrijf te saneren. Mogelijk dat stal 6 nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden.
Dierbezetting
Op 01-08-2015 is het ‘Besluit emissiearme huisvesting’ (Beh) in werking getreden. Dit besluit vervangt het voormalige ‘Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij’.
Stoppersregeling:
Op 26 maart 2013 heeft het bedrijf een Bedrijf ontwikkelingsplan (BOP) ingediend. In dit BOP heeft het bedrijf aangegeven een stoppend bedrijf te zijn. Op grond van het “Beleidsdocument stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij, versie mei 2015” mogen stoppende bedrijven die voldoen aan de voorwaarden van het gedoogbeleid, uitgaan van de eerder in het BOP aangegeven emissiefactoren. Dit zijn de emissiefactoren en maximale emissiewaarden die golden op de dag vóór 01-08-2015 (inwerkingtreding Beh en gewijzigde Rav).
Als stoppersmaatregelen past het bedrijf de maatregel ‘verdunnen van mest door het op te vangen in water’ toe en het minder houden van dieren:
- in stal 1 worden 62 stuks guste en dragende zeugen gehouden (in plaats van 75 stuks);
- in stal 3 worden 60 stuks kraamzeugen gehouden (in plaats van 71 stuks);
- in stal 6 worden 1.728 stuks gespeende biggen gehouden (in plaats van 1.920 stuks).
Op 01-01-2020 moeten de stallen ontruimd en de omgevingsvergunning (of Obm) ingetrokken zijn. Het bedrijf moet zelf actief een verzoek tot intrekking van de vergunning (of Obm) doen en 4 weken van tevoren een melding op grond van artikel 1.10 lid 2 Abm indienen. Indien besloten wordt door te gaan moet zo spoedig mogelijk een omgevingsvergunning worden aangevraagd of een melding art. 1.10 lid 2 en Obm worden ingediend. Hierbij moet worden bedacht dat wanneer de aanpassingen per 01-01-2020 niet zijn gerealiseerd er per die datum geen dieren mogen worden gehouden.
6. Een ander schriftelijk bescheid, te weten een controleverslag van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant d.d. 27 januari 2020, (…), voor zover inhoudende:
Datum controle: 27-01-2020
Adres: [a-straat 1]
Postcode en plaatsnaam: [...]
Omschrijving bedrijfsactiviteiten: Varkenshouderij
Omgevingsvergunningen / meldingen
Melding Activiteitenbesluit milieubeheer inc. OBM 15-04-2014 veranderen inrichting (andere luchtwassystemen en veranderen dieraantallen)
Algemeen
Aan de [a-straat 1] te [plaats] is een varkenshouderij gevestigd. Ten tijde van de controle is enkel gecontroleerd op dierbezetting van de aanwezige stallen. In de stallen 3a, 4a [...] werden de gespeende biggen van een huurder gehouden ( [betrokkene 2] ).
Dierbezetting
Besluitemissiearme huisvesting (Beh):
Op 01-08-2015 is het "Besluit emissiearme huisvesting’ (Beh) in werking getreden. Dit besluit vervangt het voormalige ‘Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij’. In de onderstaande tabel is weergegeven onder welke kolom(men) van bijlage 1 van het Beh het bedrijf valt.
[DA: tabel]
De bijbehorende maximale emissiewaarden en de toets aan het Beh staan in de dierentabel weergegeven. Gebleken is dat voor wat betreft stal 3a en 4a niet wordt voldaan aan het Beh (zie naleving artikelen).
In de navolgende tabel is het vergunde aantal dieren per stal systeem in vergelijking met het aanwezige aantal dieren weergegeven.
[DA: tabel]
Er heeft een wijziging in diersoorten plaatsgevonden. De wijziging in dierbezetting betekent (ook) een verhoging van de ammoniak- en geuremissie voor wat betreft stal 3a en 4a.
Naleving artikelen
Constatering: In de stallen 3a en 4a worden ca. 2400 stuks gespeende biggen gehouden in een huisvestingsysteem dat niet voldoet aan kolom A van bijlage I van het Beh.
Actie: Zolang het stalsysteem niet voldoet aan de voorwaarden van het Beh mogen hierin maximaal per stal 20 stuks biggen gehouden worden.
(…)
7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 29 juli 2020, (…), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van [betrokkene 2] , de vertegenwoordiger van [A] B.V.:
V: Bent u bevoegd om namens [A] B.V, gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats] een verklaring af te leggen?
A: “Ik ben daar directeur van.”
V: Wat voor soort bedrijf is [A] B.V. en hoe lang bent u al werkzaam in deze branche?
A: "Is een fokzeugenbedrijf en zitten vanaf 2010 in de varkens.”
C: Tijdens een controle op 27 januari 2020 heeft de toezichthouder van de OMWB vastgesteld dat er in stallen 3a, 4a [...] op de locatie [a-straat 1] te [plaats] , gespeende biggen worden gehouden. Door de eigenaar van de inrichting, [betrokkene 1] , is aangegeven dat u deze stallen hebt gehuurd.
V: Is dat juist?
A: "Ja."
V: Wanneer en hoeveel de biggen heeft u geplaatst in de stallen van [a-straat 1] te [plaats] ?
A: "In oktober 2019 zijn wij biggen gaan plaatsen in de stallen op de [a-straat] . Het begon met 500 biggen en liep daarna op. In januari en februari hebben wij gepiekt en zijn daarna weer aan het afbouwen gegaan.”
V: Hebt u stallijsten bijgehouden tijdens het gebruik van deze stallen en zo ja kunt u die overleggen?
A: “Ik heb aan- en afvoerlijsten en die kan ik u nasturen.”
V: Heeft [betrokkene 1] u op de hoogte gebracht van het feit dat de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting?
A: "Ja dat wist ik.”
V: Erkent u dat u in de periode van 1 januari 2020 tot laatste week van april in de stallen 3a en 4a van de locatie [a-straat 1] te [plaats] meer dan 40 stuks dieren hebt gehouden, terwijl dat op grond van het Besluit emissiearme huisvesting niet meer was toegestaan?
A: "Ja.”
8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 augustus 2020, (…), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van [betrokkene 1] , de vertegenwoordiger van [verdachte] :
C: U hebt aan de toezichthouder van de OMWB aangegeven dat u deze stallen hebt verhuurd aan [betrokkene 2] , directeur van [A] B.V.
V: Is dat juist?
A: “Ja.”
V: Wist u dat u na 1 januari 2020 in de stallen 3a en 4a van de locatie [a-straat 1] te [plaats] meer dan 40 stuks dieren zijn gehouden, terwijl dat op grond van het Besluit emissiearme huisvesting niet meer was toegestaan?
A: “Ik was daar wel van op de hoogte.”
9. Een ander schriftelijk bescheid, te weten een door [betrokkene 1] opgestelde en ondertekende verklaring, gedateerd 10 augustus 2020, inhoudende:
Verklaring
De biggenstal was verhuurd aan een varkenshouder ( [A] BV vertegenwoordigd door [betrokkene 2] ) die een nieuwe biggenstal ging bouwen en dus tijdelijk opvang voor zijn biggen nodig had. Deze nieuwe stal zou op 31 december 2019 klaar zijn en dus zou mijn verhuurde stal per 31-12-2019 leeg zijn. Door vertragingen vanwege weersomstandigheden is het niet gelukt om de nieuwe stal van mijn huurder klaar te hebben op 31-12-2019. Ik ben niet gemachtigd om de biggen van mijn huurder op straat te zetten en ook kan ik hem niet dwingen om met zijn biggen te vertrekken. Ook ben ik geen dierenbeul en zal ik die biggen niet uit de stal jagen of dergelijke zodat mijn stal wel tijdig leeg komt te staan. Ik ben zelf geen varkenshouder, ik heb geen ubn nummer, ik bezit geen varkensrechten, en ik ben ook niet de eigenaar van deze desbetreffende biggen. Ik verhuur vastgoed en daar vallen ook biggenstallen onder.
10. Een schriftelijk bescheid, te weten de huurovereenkomst opgemaakt te [plaats] d.d. 20 juni 2018, (…), voor zover inhoudende:

Ondergetekenden

1a. [betrokkene 1]
Wonende aan [c-straat 1] . T: 06 [...] E: [e-mail 2]
Ingeschreven in het handelsregister van de KVK onder nummer [...]
Hierna te noemen; Verhuurder
Verklaart te hebben verhuurd aan mede ondergetekende,
2a. [A] B.V.
Gevestigd aan [b-straat 1] te [plaats] . T: [...] / 06- [...] E: [e-mail 1] .
Ingeschreven in het handelsregister van de KVK onder nummer [...]
Rechtsgeldig vertegenwoordigd door [betrokkene 2] .
Hierna te noemen; huurder
Verklaart te hebben gehuurd van mede ondergetekende. (...)

Beknopte omschrijving

Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder zoals hieronder weergegeven.
Stal 3: de kraamafdelingen, de opfokafdeling, geen andere afdelingen in deze stal
Stal 4: de kraamafdelingen, geen andere afdelingen in deze stal
Op de huurlocatie rusten geen varkensrechten.
Verhuurder heeft geen UBN nummer.
Huurder zorgt voor een UBN nummer alsmede voor varkensrechten voor het gehuurde.
Artikel 6. Gebruik
(2) Huurder is gehouden het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.
Artikel 7. Mest en milieuwetgeving
(1) Huurder is in het kader van mestwetgeving alsmede in wetgeving inzake milieu en intensieve veehouderij en aanverwante regelgeving aan te merken als eigenaar en houder van dieren
(2) Huurder is verplicht de omgevingsvergunning onderdeel milieu in stand te houden en zijn bedrijfsvoering daar op af te stemmen.
(3) Huurder is verplicht maximaal het aantal dieren aan te voeren dat is toegelaten ingevolge de betreffende milieuvergunning. Indien huurder meer dieren aanvoert of houd dan uit hoofde van relevante wetgeving of vergunning is toegestaan komt daarmee de samenhangende heffing en/of boete geheel voor rekening van huurder. De geldende regels ingevolge de officiële wetgeving en vergunning horende bij het gehuurde moeten door huurder worden nageleefd.
Artikel 10. Bezichtiging
De huurder is gehouden te gedogen dat de verhuurder of diens gemachtigden het gehuurde bezichtigen ten einde te controleren of huurder aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit deze overeenkomst voldoet dan wel indien de verhuurder het gehuurde wenst te ontwikkelen, verkopen of opnieuw te verhuren of dergelijke.
Artikel 13. Kosten
(1) Het niet nakomen door huurder en enige verplichting uit deze overeenkomst geeft verhuurder het recht de overeenkomst per directie beëindigen.
11. Een ander schriftelijk bescheid, te weten een emailbericht van [betrokkene 2] aan verbalisant [verbalisant 1] d.d. 31 augustus 2020 met bijlage ‘Veesaldokaart2020’, (…), voor zover inhoudende:
[A] B.V.
Locatie [a-straat 1] te [plaats]
UBN: [...]
Beginbalans: 2446 biggen”.
7. Het hof heeft verder, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen:

Vrijspraak
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting in de stallen 3a en 4a aan de [a-straat 1] te [plaats] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de varkenshouderij die in die stallen werd geëxploiteerd. Die zeggenschap lag volledig bij [A] B.V., die het hof dan ook als drijver van de inrichting kwalificeert (zie hierna in het arrest). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet desondanks als medepleger van het haar primair tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt geenszins dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [A] B.V.
Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna is uiteengezet.
(…)
Juridisch kader
Op 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Dit besluit, dat was gericht aan de (intensieve) veehouderijen, bepaalde de maximale emissiewaarden voor ammoniak waaraan door deze veehouderijen moest worden voldaan. Landelijk werd echter een gedoogbeleid gevoerd, ook wel aangeduid als het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Onderdeel van dit actieplan was de stoppersregeling. Veehouderijen die daarvoor waren aangemeld, werden tot 1 januari 2020 vrijgesteld van naleving van de huisvestingsvoorschriften uit het besluit. Wel dienden zij met andere maatregelen een reductie van ammoniakemissie te realiseren. Vanaf 1 januari 2020 moesten de voor de stoppersregeling aangemelde veehouderijen ofwel zijn beëindigd ofwel zodanig zijn aangepast dat alsnog werd voldaan aan de maximale emissiewaarden als opgenomen in het besluit. Op grond van, artikel 2, derde lid, van het Besluit emissiearme huisvesting is dat besluit niet van toepassing op veehouderijen die maximaal het aantal dieren houden dat in de vierde kolom van de tabel onder bijlage 1 wordt genoemd. Voor houders van speenbiggen is dat aantal vastgesteld op 20.
Artikel 5, eerste lid onder a, in combinatie met bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting schrijft voor dat degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in een dierenverblijf, dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, voor de hoofdcategorie varkens geen huisvestingssystemen toepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan 0,21 kilogram NH3 per dierplaats per jaar.
De feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
[A] B.V., opgericht op 16 december 2012, betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. [verdachte] (medeverdachte) is opgericht op 1 januari 2014 en houdt zich in haar – overigens reeds vanaf 1 januari 2004 bestaande (uittreksel KvK) – onderneming onder meer bezig met het verhuren van vastgoed in de agrarische sector. Sinds de oprichting van de maatschap heeft zij als maten [betrokkene 1] en de besloten vennootschap [B] B.V.. Van deze laatste rechtspersoon is [betrokkene 1] enig aandeelhouder en bestuurder.
Van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 huurde [A] B.V. drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3, stal 4 en stal 6 – van [betrokkene 1] . Deze stallen waren gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] . Uit de huurovereenkomst, gesloten tussen beide partijen, volgt dat van de stallen 3 en 4 enkel de kraamafdelingen en van stal 4 ook de opfokafdeling werden verhuurd. Stal 6 betrof de biggenstal en werd in het geheel aan [A] B.V. verhuurd.
Op 28 november 2011 is aan [betrokkene 1] een omgevingsvergunning (activiteit milieu) afgegeven voor het houden van onder meer 155 kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a) en 1728 gespeende biggen (in stal 6). In oktober 2014 is aan [betrokkene 1] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. Daarbij is het hiervoor genoemde, in de in 2011 verleende omgevingsvergunning opgenomen voorschrift ongewijzigd gebleven. Verder was [betrokkene 1] aangemeld voor de stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij.
Op 27 januari 2020 zijn de stallen 3a, 4a en 6 aan de [a-straat 1] te [plaats] door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant aan een controle onderworpen. Daarbij is geconstateerd dat in de stallen 3a en 4a meer dieren (speenbiggen) werden gehouden dan op grond van de aan [betrokkene 1] verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Ook werd vastgesteld dat in stal 3a een huisvestingssysteem werd toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar en in stal 4a een huisvestingssysteem met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH, per dierplaats per jaar, met als gevolg dat de huisvestingssystemen van de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.
Drijver van de inrichting
Op grond van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting is degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verplicht zich te houden aan de in bijlage 1 bij dat besluit genoemde maximale emissiewaarden voor ammoniak. De wetgever heeft niet bepaald op grond van welke criteria kan worden vastgesteld wie in een bepaald geval de drijver van een inrichting is. Het begrip "drijverschap" heeft derhalve nader invulling gekregen in de jurisprudentie en literatuur. Daaruit volgt dat, om te bepalen wie een inrichting drijft, van belang is wie feitelijk de zeggenschap heeft over (de exploitatie van) die inrichting en/of over haar activiteiten alsmede over het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van deze activiteiten. De drijver kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [A] B.V. houder was van de biggen die in de periode van 1 januari 2020 tot en met de laatste week van april 2020 in stal 3a en stal 4a aan de [a-straat 1] te [plaats] waren gehuisvest en ook beschikte over de daarvoor benodigde varkensrechten. Het was [A] B.V. die de varkenshouderij op de desbetreffende locatie exploiteerde.
Het hof is, gelet op het voorgaande van oordeel dat [A] B.V. de drijver was van de inrichting (in de stallen 3a en 4a) aan de [a-straat 1] te [plaats] , waarin speenbiggen werden gehouden. Op haar lag dan ook als drijver van de inrichting de plicht om te voldoen aan artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat zij aan die plicht in de periode van 1januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet heeft voldaan.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over (de exploitatie van) de in de stallen 3a en 4a ingerichte Varkenshouderij. Met de rechtbank is het hóf derhalve van oordeel dat de verdachte niet (ook) als drijver van voornoemde inrichting kan wórden aangemerkt.
Opzet bij (de vertegenwoordiger van) [A] B.V.
De vertegenwoordiger van [A] B.V. heeft op 29 juli 2020 verklaard dat hij wist dat de huisvestingssystemen van stal 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden. Desalniettemin heeft hij tot de laatste week van april 2020 in deze stallen speenbiggen gehouden. Daarmee heeft de vertegenwoordiger van [A] B.V. opzettelijk gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.
(…)
Medeplichtigheid [verdachte]
Van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde [betrokkene 1] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3a, stal 4a en stal 6 –, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , aan [A] B.V. In de tussen beide partijen gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat huurder gehouden is het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.
Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. Blijkens zijn verklaring van 10 augustus 2020 was [betrokkene 1] hiervan op de hoogte. De latere ontkenning daarvan acht het hof niet overtuigend. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat in het controleverslag van 29 oktober 2018 – de stallen van [betrokkene 1] stonden op dat moment leeg – is opgenomen “dat stal 6 [mogelijk] nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen, aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden”. Bovendien leidt het hof uit een door [betrokkene 1] zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 10 augustus 2020 af dat hij eind december 2019 wist dat de biggen met enige urgentie in de aan [A] B.V. verhuurde stallen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd en dat “zijn stal per 31-12-2019 dan leeg (zou) zijn”, terwijl – nota bene – de verhuurovereenkomst eigenlijk nog tot eind mei 2020 zou doorlopen.
Door een huurovereenkomst te sluiten met [A] B.V. voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, waarin expliciet is bepaald dat de gehuurde stallen – te weten de stallen 3a, 4a en 6 – overeenkomstig de bestemming als varkensstallen dienen te worden gebruikt, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft [betrokkene 1] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [A] B.V. vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door het sluiten van de huurovereenkomst heeft [betrokkene 1] aan [A] B.V. de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat strafbare feit.
Het hof merkt nog op dat [betrokkene 1] de huurovereenkomst met [A] B.V. op persoonlijke titel heeft gesloten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg – zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van die zitting – als in hoger beroep, volgt evenwel dat de stallen door [betrokkene 1] in het kader van zijn bedrijf, dat zich immers onder meer richt op het verhuren van vastgoed in de agrarische sector, werden verhuurd. Hieruit leidt het hof af dat [betrokkene 1] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [betrokkene 1] tijdens zijn laatste woord ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard.
(…)
Conclusie
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [A] B.V. in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 als drijver van een inrichting aan de [a-straat 1] te [plaats] waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in de stallen 3a en 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een hogere emissiefactor voor ammoniak dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die is vernield in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A. Daarmee heeft [A] B.V. gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Deze overtreding is op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten in combinatie met artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer economisch delict. Door het in voornoemde periode verhuren van de stallen 3a en 4a aan [A] B.V., die daarin een varkenshouderij exploiteerde, wetende dat deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, is de verdachte. [verdachte] , medeplichtig geweest aan de door [A] B.V. begane overtreding van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid.
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

De verdeling van de verantwoordelijkheden is uitdrukkelijk vastgelegd in de huurovereenkomst. Aan cliënte kwam geen enkele feitelijke bevoegdheid toe. Bij het primaire deel is daar al op ingegaan, compleet met relevante jurisprudentie, en de verdediging verwijst daar dan ook uitdrukkelijk naar.
Op het moment dat cliënte van enige overtreding bleek, te weten bij de controle op 27 januari 2020, heeft zij meteen ingegrepen (zie ook verklaring huurder op p. 117) en huurder gesommeerd de dieren weg te halen. Dat heeft enige tijd geduurd, het is nota bene levende have waar je niet zomaar mee naar de buren kunt. Cliënte heeft in ieder geval meteen aangegeven deze situatie niet te willen. Cliënte heeft daarmee nimmer de opzet gehad op het plegen van een strafbaar feit, zodat de medeplichtigheid niet kan worden aangenomen.
Van cliënte had ook niet verlangd mogen worden dat zij zich gedurende de huurperiode op de hoogte zou stellen van de situatie in het gehuurde. De verdediging maakt hier de vergelijking met hennepkwekerijen in verhuurde panden en wijst onder andere op ECLI:NL:HR:2009:BJ6931. In die zaak werd een loods door de verdachte onderverhuurd aan twee mannen, waarvan de verdachte niet eens van beide alle gegevens had. Onderverhuur mocht niet, zicht op de betaling aan de eigenlijke verhuurder was er niet. Verdachte was eerder gepakt met hennepkwekerijen in door hem verhuurde ruimtes. Verdachte heeft de verhuurde ruimte niet gecontroleerd.
Voor het hof was het helder: een veroordeling voor voorwaardelijk opzet. De HR echter zie die opzet op de medeplichtigheid aan de teelt van hennep echter niet.
In casu: een betrouwbare huurder na tussenkomst van Agrifirm, een gerenommeerd adviesbureau (p. 11 bovenaan). Er is een duidelijke huurovereenkomst, waarin de verplichtingen van de huurder aangaande de wet- en regelgeving duidelijk is aangegeven. Van cliënte, die meer gebouwen en gronden verhuurt, hoeft dan niet verwacht te worden dat hij regelmatig inspecteert op de activiteiten in het gehuurde. Sterker, de controleurs zelf zijn al niet bij machte vast te stellen hoeveel dieren er nu waren, laat staan dat cliënte dat had moeten en kunnen weten.
Bovendien was er het eerste deel van de huurovereenkomst, van 18 augustus 2018 tot 1 januari 2020 helemaal niets strafbaars aan de hand, en heeft hij de huurder meteen gesommeerd te vertrekken toen duidelijk werd dat de situatie niet meer overeenkomstig de milieuregels was. Dan kan niet gezegd worden dat cliënte huurder opzettelijk behulpzaam is geweest, gelegenheid of middelen heeft geboden tot het plegen van misdrijven. Er is geen opzet gericht op de eigen hulpverlening en (tweeledigheid) op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp verleend zou worden. Daar is toch echt wel meer voor nodig.
Cliënte dient dan ook voor het subsidiaire te worden vrijgesproken.”
9. In aanvulling op de pleitnota heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Het klopt dat de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant [betrokkene 1] heeft aangeschreven naar aanleiding van de controle op 27 januari 2020 en de daarbij geconstateerde overtredingen. Direct daarop heeft [betrokkene 1] [betrokkene 2] aangesproken. In de huurovereenkomst is overeengekomen dat de huurder verantwoordelijk is voor de naleving van de geldende wet- en regelgeving. Cliënt was niet gehouden de huurder te controleren. Gelet op het voorgaande kan evenmin gezegd worden dat cliënt medeplichtig is geweest aan het haar tenlastegelegde feit.

De bespreking van het middel

10. In de toelichting op het middel worden diverse motiveringsklachten opgeworpen over het oordeel dat de verdachte medeplichtig was. Aangevoerd wordt:
1. De overweging dat de verdachte wist dat twee van de drie verhuurde stallen per 1 januari 2020 niet meer voldeden, rijmt niet met de overweging dat in die bewuste stallen nog twintig biggen per stal gehouden mochten worden;
2. Gezien de overwegingen van het hof dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de exploitatie van de stallen, dat er geen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking met de pleger en dat de pleger opzet had op het plegen van de misdrijven, ontbreekt het aan een motivering voor de bewezenverklaring van het dubbele opzet van de verdachte;
3. Het hof gaat eraan voorbij dat de huurovereenkomst niet alleen zag op de stallen ten aanzien waarvan de misdrijven zijn gepleegd, maar ook nog op een derde stal die na 1 januari 2020 nog wel kon worden gebruikt. Daardoor is de legitimiteit van de huurovereenkomst gegeven, zodat de bewezenverklaring van medeplichtigheid onbegrijpelijk is;
4. Het hof is ten onrechte niet ingegaan op het uitdrukkelijke verweer dat in artikel 7 van Pro de huurovereenkomst is bepaald dat alle invulling en feitelijke zeggenschap bij de huurder ligt en dat de huurder alle wet- en regelgeving in de gaten moet houden, waaruit volgt dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, had om een misdrijf te plegen;
5. Het hof is ten onrechte ook niet ingegaan op het uitdrukkelijke verweer dat de verdachte meteen bij de pleger heeft ingegrepen toen bleek dat de regels werden overtreden.
11. Het hof heeft in het arrest eerst uiteengezet waarom [A] B.V. wel en de verdachte niet als drijver van de inrichting kon worden aangemerkt, ook niet over de band van medeplegen. Niet valt in te zien waarom dit oordeel onverenigbaar is met het oordeel dat de verdachte wel degelijk
medeplichtigis geweest. Aan dat laatste worden immers andere eisen gesteld. In zoverre faalt het middel derhalve.
12. Over het bewijs van medeplichtigheid overweegt het hof dat de verdachte met [A] B.V. voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 een huurovereenkomst is aangegaan, terwijl vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, iets waarvan de enig aandeelhouder en bestuurder van de verdachte op de hoogte was. Door toch een huurovereenkomst aan te gaan voor een periode die deels na 1 januari 2020 is gelegen, heeft (de enig aandeelhouder en bestuurder van) de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [A] B.V. vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door de huurovereenkomst aan te gaan heeft de verdachte bovendien aan [A] B.V. de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van het strafbare feit. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid, aldus oordeelde het hof.
13. Ik begrijp de overweging dat de verdachte wist dat de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting aldus dat de stallen 3a en 4a naar ‘s hofs oordeel niet meer gebruikt konden worden voor het houden van de hoeveelheden varkens die [A] B.V. daarin hield. Het hof heeft immers onderkend dat in de genoemde stallen nog maximaal twintig speenbiggen per stal gehouden mochten worden, maar tevens vastgesteld dat daarin na 1 januari 2020 méér dieren werden gehouden dan toegestaan. Ook de klacht dat deze overweging onbegrijpelijk of tegenstrijdig zou zijn, faalt derhalve.
14. Datzelfde geldt voor de klacht dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is omdat in de derde verhuurde stal na 1 januari 2020 nog wel (meer dan twintig) varkens gehouden mochten worden. Die omstandigheid brengt echter niet mee dat er geen sprake kan zijn van medeplichtigheid ten aanzien van de andere twee stallen. Ook deze klacht faalt.
15. De laatste twee klachten houden in dat het hof niet is ingegaan op twee – zo begrijp ik – uitdrukkelijk onderbouwde standpunten met betrekking tot het opzet. Voor zover het aangevoerde al kan worden aangemerkt als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, missen de klachten feitelijke grondslag. Immers heeft het hof overwogen dat de in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, de verdachte niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid ontslaan. De verwerping van het verweer dat de verdachte meteen bij de pleger heeft ingegrepen toen bleek dat de regels werden overtreden, ligt besloten in de vaststellingen (i) dat de verdachte een huurovereenkomst heeft afgesloten voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet meer voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, en (ii) dat de verdachte eind december 2019 wist dat de biggen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat de verdachte door toen niet in te grijpen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [A] B.V. vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd handelde met het Besluit emissiearme huisvesting. De omstandigheid dat de verdachte de huurovereenkomst heeft laten eindigen toen (op 27 januari 2020) bleek dat zulks het geval was, doet daaraan niet af. Ook deze klachten falen derhalve.

Afronding

16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG