Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
exceptio plurium litis consortium. [broer 1] heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof en heeft alleen [broer 2] in de cassatieprocedure betrokken. [broer 2] vordert in het incident dat [broer 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep omdat het cassatieberoep niet tevens is ingesteld tegen [nicht] , althans dat [broer 1] wordt gelast om op de voet van art. 118 Rv Pro [nicht] , in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [zus] , tot cassatie te doen oproepen.
2.Feiten en procesverloop
exceptio plurium litis consortiumen incidentele vordering tot gedwongen tussenkomst (art. 118 Rv Pro) ingediend. [broer 2] vordert in het incident:
3.Beoordeling van de incidentele vordering
exceptio plurium litis consortium– ofwel het verweer van de processueel ondeelbare rechtsverhouding – bestaat erin dat meerdere partijen in het geding hadden moeten worden betrokken. [4] Het doel van het verweer is het bewerkstelligen dat de uitspraak aangaande de rechtsverhouding ten opzichte van alle betrokkenen gezag van gewijsde verkrijgt. [5] Alleen dan is de uitspraak effectief en praktisch uitvoerbaar, omdat de beslissing ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen hetzelfde luidt. [6]
exceptio plurium litis consortiumslechts gehonoreerd indien sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Van een dergelijke rechtsverhouding is pas sprake indien het
rechtens noodzakelijkis dat de beslissing ten aanzien van al die betrokken partijen in dezelfde zin luidt, waarbij de bijzonderheden van het geval van doorslaggevende betekenis kunnen zijn. [7] Dit mag slechts worden aangenomen indien de aard en inhoud van de rechtsverhouding daartoe nopen. [8] Soms vloeit rechtstreeks uit de wet voort dat noodzakelijk is dat anderen in de procedure worden betrokken (bijvoorbeeld art. 3:218, 3:245 en 5:95 BW). In andere gevallen ligt het processueel ondeelbare karakter van de rechtsverhouding besloten in de aard van de rechtsverhouding zelf. [9] Voor het geval van een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap heeft uw Raad de vuistregel aanvaard dat dit in beginsel een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft. [10]