ECLI:NL:PHR:2026:505

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
25/02614
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 215 lid 2 FwArt. 233 FwArt. 419 RvArt. 149 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement waardetransportbedrijf RCCS

Deze zaak betreft een geschil over bestuurdersaansprakelijkheid van de indirecte bestuurders van RCCS Holding, verbonden aan het faillissement van RCCS, een waardetransportbedrijf dat onder meer wisselgeld leverde.

Eiseres had een raamovereenkomst met RCCS voor levering van wisselgeld en plaatste op 1 maart 2022 een bestelling van € 500.000,- die niet werd geleverd vanwege het faillissement. RCCS en RCCS Holding vroegen op 1 maart 2022 surseance van betaling aan, die op 2 maart 2022 werd verleend en op 7 maart 2022 werd ingetrokken waarna faillissement werd uitgesproken. Eiseres stelde de bestuurders aansprakelijk wegens het niet nakomen van verplichtingen.

De rechtbank en het hof wezen de vorderingen af, stellende dat het voor de bestuurders vóór 1 maart 2022 onvoldoende voorzienbaar was dat RCCS haar verplichtingen niet zou nakomen (de Beklamelnorm). Het hof oordeelde dat het formele surseanceverzoek op 2 maart 2022 niet zó onzorgvuldig was dat de bestuurders daarvan persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

In cassatie richtte eiseres zich tegen het oordeel over de voorzienbaarheid en de motivering daarvan, onder meer over het belang van Ziemann bij overname van wisselgeldverplichtingen en de inrichting van het online portal. De Hoge Raad verwierp alle klachten en bevestigde dat de bestuurders redelijkerwijs mochten vertrouwen op het reddingsplan en de adviezen van hun advocaat, en dat het niet voorzienbaar was dat RCCS haar verplichtingen niet zou nakomen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bestuurders niet aansprakelijk zijn wegens onvoldoende voorzienbaarheid van betalingsonmacht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02614
Zitting22 mei 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[eiseres] B.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
tegen

1.[verweerder 1] ,

2. [verweerder 2],
verweerders in cassatie,
advocaat: mr. M.H. Visscher.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als
[eiseres]respectievelijk (gezamenlijk)
[verweerders], en de laatsten individueel als
[verweerder 1]en
[verweerder 2].

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft een geschil over bestuurdersaansprakelijkheid. RCCS Waardetransport B.V. (hierna:
RCCS) verleende verschillende diensten op het gebied van waardetransport, waaronder het leveren van (contant) wisselgeld. [eiseres] heeft op 12 oktober 2020 een raamovereenkomst gesloten met RCCS met betrekking tot de levering van wisselgeld. Op dinsdag 1 maart 2022, rond 09:45 uur, hebben RCCS en RCCS Holding B.V. (hierna:
RCCS Holding) per e-mail aan de rechtbank Den Haag een verzoekschrift, zonder bijlagen, tot het verlenen van surseance van betaling toegezonden. Op 1 maart 2022, om 11:06 uur, heeft [eiseres] via het online portal van RCCS een wisselgeldbestelling geplaatst voor € 500.000,- en dat bedrag diezelfde dag overgemaakt. Een dag later, op 2 maart 2022, heeft de advocaat van RCCS het verzoekschrift, met bijlagen, fysiek ingediend bij de rechtbank. Eveneens op 2 maart 2022, om 16:50 uur, heeft de rechtbank Den Haag voorlopige surseance van betaling verleend aan RCCS en RCCS Holding. Op maandag 7 maart 2022 heeft de rechtbank Den Haag de voorlopige surseance van betaling ingetrokken en het faillissement van RCCS en RCCS Holding uitgesproken. De curatoren hebben [eiseres] geïnformeerd dat zij een concurrente vordering in het faillissement van RCCS heeft. [eiseres] heeft de (indirecte) bestuurders van RCCS, [verweerders] , aansprakelijk gesteld voor haar schade.
1.2
De rechtbank heeft de vorderingen van [eiseres] tegen [verweerders] afgewezen. Het hof heeft (in principaal appel) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het overwogen dat het voor [verweerders] vóór 1 maart 2022 onvoldoende voorzienbaar was dat RCCS haar verplichtingen jegens [eiseres] niet zou kunnen nakomen (Beklamelnorm). Voorts heeft het hof geoordeeld dat de beslissing om – teneinde een akkoord over een overname van RCCS door een Duitse partij (Ziemann) te kunnen bereiken – op 2 maart 2022 een formeel surseanceverzoek in te dienen niet als zó onzorgvuldig kan worden beschouwd dat [verweerders] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin dat zij daarmee verhaal door [eiseres] hebben gefrustreerd.
1.3
In cassatie draait het alleen nog om aansprakelijkheid op grond van de Beklamelnorm. Het oordeel wordt met verschillende motiveringsklachten bestreden, mijns inziens tevergeefs.

2.Feiten

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
2.2
[eiseres] is actief in de groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen.
2.3
RCCS Holding was enig aandeelhouder en enig bestuurder van RCCS. [verweerder 1] en [verweerder 2] waren, vanaf 1 januari 2021 respectievelijk 1 februari 2021, bestuurders van RCCS Holding.
2.4
RCCS leverde de volgende diensten op het gebied van waardetransport:
- het leveren van (contant) wisselgeld;
- het vervoer van contant geld vanaf klanten in sealbags (Cash in Transit, hierna:
CiT);
- de bewaarneming van geld en kostbaarheden;
- en de verkoop, verhuur en exploitatie van zogenaamde SmartSafes.
2.5
Het leveren van wisselgeld verliep zo dat klanten van RCCS een raamovereenkomst met RCCS sloten, waarna zij wisselgeld konden bestellen via het online portal van RCCS. De betaling van de koopsom voor het door de klant te ontvangen contante wisselgeld kon handmatig worden overgemaakt of via automatische incasso. Als de voorraad wisselgeld van RCCS niet toereikend was voor een bestelling, dan bestelde RCCS op haar beurt bij De Nederlandsche Bank N.V. (hierna:
DNB) wisselgeld bij.
2.6
RCCS hield voor het verrichten van haar activiteiten (onder meer) de volgende bankrekeningen aan:
- een rekening bij Rabobank voor het betalen van de gewone bedrijfslasten (hierna:
de betaalrekening);
- een rekening hij Rabobank waarop betalingen voor wisselgeldbestellingen binnenkwamen en waarvan bestellingen bij DNB voor wisselgelden werden betaald (hierna:
de wisselgeldrekening); en
- twee 'Target 2-rekeningen' bij de in Duitsland gevestigde bank net-m privatbank 1981 AG (hierna:
Privatbank) voor de verwerking van de CiT-gelden en de SmartSafe-gelden.
2.7
[eiseres] heeft (voor het laatst) op 12 oktober 2020 een raamovereenkomst gesloten met RCCS met betrekking tot de levering van wisselgeld. [eiseres] maakte de koopsom voor het wisselgeld altijd handmatig over naar de wisselgeldrekening.
2.8
Na het faillissement van een branchegenoot heeft RCCS de activiteiten van die branchegenoot, die voornamelijk bestonden uit CiT-vervoer, gedeeltelijk overgenomen. Voor de nieuwe klanten die RCCS als gevolg van deze overname kreeg, moest door Privatbank een zogenaamd "onboarding-proces" worden afgerond, voordat deze nieuwe klanten CiT-gelden konden storten op de Target 2-rekeningen. Gedurende dit proces zijn de CiT-gelden van de nieuwe klanten tijdelijk op de betaalrekening gestort. Omdat RCCS in deze periode operationele verliezen leed, is in de eerste helft van 2019 een tekort in de CiT-gelden ontstaan (hierna:
het CiT-tekort).
2.9
Op 20 december 2019 heeft Privatbank de overeenkomst met RCCS voor de Target 2-rekeningen opgezegd tegen 1 januari 2021. RCCS moest daarom op zoek naar een nieuwe bank voor de verwerking van de CiT-gelden en de SmartSafe-gelden. De einddatum van 1 januari 2021 is vervolgens een aantal keer door Privatbank verlengd tot uiteindelijk 24 maart 2022. Dan zou ook de bankvergunning van Privatbank eindigen.
2.1
Omdat het RCCS begin februari 2022 nog niet was gelukt om een bank te vinden die de rol van Privatbank kon overnemen, heeft zij Rabobank verzocht om (opnieuw) tijdelijk gebruik te mogen maken van de betaalrekening voor de verwerking van CiT-gelden. Toen Rabobank niet positief reageerde, heeft RCCS DNB verzocht in de gesprekken met Rabobank te bemiddelen.
2.11
In een e-mail van 11 februari 2022 heeft DNB aan RCCS, voor zover relevant, het volgende geschreven:
"(...) Door de ontstane situatie houdt DNB er serieus rekening mee dat RCCS in de situatie kan komen dat de dienstverlening moet stoppen. Enerzijds wil DNB meedenken in mogelijke reële, duurzame oplossingen. Anderzijds wil DNB, samen met RCCS, zich voorbereiden op een scenario waarbij de dienstverlening dreigt te stoppen voor de klanten van RCCS. Tijdens ons overleg kwam nog een scenario van overname ter sprake. Een Duitse waardetransporteur zou mogelijk serieuze interesse hebben in een overname en zou reeds over de financiële infrastructuur beschikken waarlangs de dienstverlening van RCCS afgewikkeld kan worden. (...) "
2.12
Op 15 februari 2022 heeft Rabobank het verzoek van RCCS om tijdelijk gebruik te mogen maken van de betaalrekening voor de CiT-gelden afgewezen.
2.13
Bij e-mail van 23 februari 2022 heeft DNB aan RCCS, onder meer, het volgende geschreven:
"In het gesprek gister hebben jullie ons bijgepraat over de ontwikkelingen en opties om tijdig een bank te vinden die de clearingrol verzorgt, alsook de gevolgen voor RCCS als dit niet mogelijk blijkt. Wij hebben de mogelijkheden op hoofdlijnen verkend in hoeverre DNB kan bijdragen aan een oplossing voor de door RCCS geschetste clearingsproblematiek. Wij zien één (kleine) mogelijkheid, die we eerst aan onze directie moeten voorleggen.(...) Voor deze constructie is medewerking van alle betrokken banken noodzakelijk. Alvorens DNB dit overleg met de banken kan starten, zal de schuld als gevolg van achterstallige betalingen aan de retailers (het CiT-tekort), naar zegge nu 1,4 miljoen EURO, moeten zijn afgelost. (...)"
2.14
[verweerders] hebben de aandeelhouders van RCCS Holding verzocht een financiering van € 7,4 miljoen te verschaffen. De grootste aandeelhouder was niet bereid hieraan mee te werken.
2.15
Bij e-mail van 23 februari 2022 stuurde [verweerder 2] een e-mail naar [betrokkene 1] van de Duitse Ziemann Group (hierna:
Ziemann) met – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:
“Sehr geehrter [betrokkene 1] ,
wie heute telefonisch besprochen hier eine Kurzbeschreibung unseres Plans, den unser Anwalt ausgearbeitet hat.
1. Die DNB fordert die Lösing des Zahlungsrückstandes von 7 Mio als Vorraussetzung für ein Konto bei den niederländischen Banken.
2. Wir werden die DNB informieren, dass wir Montag beim Gericht ein Zahlungsmoratorium anfragen, wobei das direkt mit einem Angebot an die Kreditoren über den “Bewindvoerder” verbunden wäre (nicht bindend und kann nachverhandelt bzw. Zurückgezogen werden)
3. Ziel ist es, sobald der Bewindvoerder bekannt ist, wir ihm gegenüber erklären, dass Cash Logistik (bzw. eine durch CL neu gegründete Gesellschaft), interessiert ist, die Aktiva von RCCS zu kaufen und den Betrieb in der neuen BV fortzuführen. Zu den Aktiva gehören sämtliche Betriebsmittel, Vertrage, Personal, Kunden, Pipeline, Goodwill etc..
4. Dem Bewindvoerder muss ein Angebot gemacht werden, dass dem Wert der Unternehmung angemessen ist. z. B. 3 Mio ex. CIT.
5. Um zu vermeiden, dass die CIT Kunden, die noch Geld zu fordern haben, Opfer der Zahlungsunfähigkeit von RCCS werden, muss das Angebot beinhalten, dass die Verpflichtungen aus den Zahlungsrückstanden (7,3 Mio) übernommen werden und direkt bezahlt werden.
(...)”
2.16
Op vrijdag 25 februari 2022 heeft DNB RCCS, voor zover van belang, als volgt bericht:
"(...) In onze eerdere mail hebben we – samengevat – kenbaar gemaakt dat DNB een kleine mogelijkheid zag voor een tijdelijke constructie (...). Tevens hebben we kenbaar gemaakt dat alvorens DNB dit overleg met de banken kan starten, de schuld als gevolg van achterstallige betalingen aan de retailers (...) zal moeten zijn afgelost en dat RCCS uiterlijk eind deze week zekerheid heeft over funding van de volledige schuld aan de retailers. Na het gesprek van vanmiddag constateren we dat deze zekerheid niet is gegeven. Tenzij RCCS komende maandag alsnog deze zekerheid schriftelijk kan verstrekken (...), menen we dat we uit voorzorg tevens het scenario van een surseance of faillissement van RCCS moeten gaan voorbereiden, om te voorkomen dat we uit de tijd lopen. (...)"
2.17
RCCS heeft op zaterdag 26 februari 2022 een bericht gestuurd aan haar stakeholders (hierna:
de update). Hierin was, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
"(...) Stand van zaken
De laatste stand van zaken is dat alles geprobeerd is om surseance te voorkomen. Van structurele oplossingen met Duitse partijen tot een doorstart met bestaande aandeelhouders. In alle gevallen was een tijdelijke bankrekening noodzakelijk voor het afwikkelen van de (CIT en SmartSafe) geldstromen. Gebleken is dat de Nederlandse banken en de DNB alleen bereid waren om een tijdelijke bankrekening te faciliteren als de CIT-schuIden (EUR 7,4M) volledig zouden zijn afgelost voor afgelopen vrijdag. Hoewel een oplossing binnen een aantal maanden realistisch was, is het onmogelijk gebleken om binnen de gestelde termijn aan deze voorwaarde te voldoen. Management heeft dan ook geen andere optie meer dan het aanvragen van surseance van betaling medio volgende week.
(...)
Hoe nu verder?
Maandag a.s. hebben we een laatste call met de DNB om de randvoorwaarde te bespreken c.q. in te willigen. Gegeven de stelligheid waarmee DNB haar voorwaarden zowel schriftelijk als mondeling heeft neergezet, verwachten wij niet dat zij hier in de laatste call op terug zullen komen. (. . .)
In het geval er na het gesprek maandag geen uitzicht is op een oplossing, dan zullen wij dinsdag/woensdag geen andere keuze hebben dan surseance van betaling aan te vragen. Ons nadrukkelijk doel is dan een doorstart te realiseren, waarbij de belangen van alle stakeholders (klanten en medewerkers voorop) zo goed als mogelijk worden meegenomen.
(…)”
2.18
Op dinsdag 1 maart 2022, rond 09:45 uur, hebben RCCS en RCCS Holding per e-mail aan de rechtbank Den Haag een verzoekschrift, zonder bijlagen, toegezonden, strekkende tot het verkrijgen van surseance van betaling. In het verzoekschrift is onder meer het volgende opgenomen:
"32. Het doel van de surseance van betaling is tweeledig. Eén van de doelstellingen is dat RCCS tezamen met de bewindvoerder verdere gesprekken met DNB en de Nederlandse banken wenst te voeren over het verkrijgen van een tijdelijke Target 2 bankrekening faciliteit om zodoende in ieder geval de CiT-gelden ook na 24 maart 2022 te kunnen vervoeren.
33. Het andere doel van de surseance van betaling is om te trachten om met de schuldeisers tot een betalingsregeling te komen. Daartoe is het ontwerpakkoord aan dit verzoekschrift gehecht.
34. RCCS is op dit moment in gesprek met een partij die mogelijk de aandelen van RCCS wil overnemen. Voor die partij is echter de schuldenlast van EUR 20mio te hoog. Als die schuldenlast door middel van een akkoord kan worden gereduceerd, dan is die partij wellicht bereid om RCCS van de noodzakelijke financiering te voorzien om het akkoord na te komen. Het is echter thans nog te vroeg om hierover zekerheid te verschaffen. (...)”
2.19
In de begeleidende brief bij dit verzoekschrift (hierna:
de begeleidende brief) is – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“(...)
2. Om te voorkomen dat op het moment van de uitspraak een grote wanorde in het Nederlandse betalingsverkeer ontstaat, heeft het vanuit (met name) het maatschappelijk belang de voorkeur als we op voorhand al weten wie de bewindvoerder gaat worden. Die bewindvoerder kan zich dan vooruitlopend op de surseance van betaling inlezen en hij of zij kan alvast overleg voeren met de directie van RCCS, adviesbureau NTAB dat door RCCS is ingeschakeld, De Nederlandsche Bank ("DNB") en eventueel met de Nederlandse banken.
Hierover is al met DNB gesproken. DNB onderschrijft dit.
(...)
8. Ik denk dat zodra wij (dat wil zeggen RCCS, DNB en NTAB) weten wie de bewindvoerder gaat worden, een periode van drie werkdagen om de bewindvoerder zichzelf te laten inlezen en de noodzakelijke overleggen met de directie van RCCS, NTAB, DNB en de Nederlandse banken te voeren, voldoende zou moeten zijn.
(...)
Graag verneem ik van u of uw Rechtbank bereid is om vanuit maatschappelijke overwegingen aan bovenstaande mee te werken en ons reeds thans de naam van de bewindvoerder te noemen die zal worden aangesteld.
Ik stel me het zo voor dat de behandeling van het verzoekschrift aanstaande vrijdag 4 maart of maandag 7 maart 2022 door uw Rechtbank zal plaatsvinden. En dat u de door u beoogde bewindvoerder alvast vraagt of het hem of haar vrij staat en zo ja, dat u hem of haar vraagt om alvast contact met mij op te nemen. Dan kunnen de voorbereidingen gezamenlijk in gang worden gezet.
(...)”
2.2
Eveneens op 1 maart 2022, om 11:06 uur, heeft [eiseres] via het online portal van RCCS een wisselgeldbestelling geplaatst voor € 500.000,-. [eiseres] heeft daarbij verzocht om levering op 3 maart 2022. Op 1 maart 2022, om 11:41 uur, heeft RCCS per e-mail bevestigd dat het transport is ingepland voor 8 maart 2022. [eiseres] heeft het bedrag van € 500.000,- vervolgens op 1 maart 2022 (handmatig) om 13:14 uur overgemaakt naar de wisselgeldrekening.
2.21
Om 12:52 uur diezelfde dag stuurde de advocaat van RCCS een e-mail naar de rechtbank met – voor zover van belang – de volgende inhoud:
“Er is een vervolggesprek met DNB gepland voor aanstaande donderdag 11 uur [3 maart 2022, hof]. Door alle betrokken partijen wordt het belang onderschreven als daar ook de beoogd bewindvoerder bij aanwezig kan zijn. Het is ook van het grootste belang dat eerst moet worden bezien welke alternatieven er zijn, voordat de surseance van betaling openbaar wordt.
Wellicht kunt u bovenstaande overwegingen meenemen bij de beoordeling van mijn verzoek om nu vast een bewindvoerder aan te wijzen en het surseanceverzoek pas aanstaande vrijdag of maandag te behandelen.”
2.22
Kort na deze e-mail werd de advocaat van RCCS gebeld door de voorzitter van de insolventieafdeling van de rechtbank Den Haag. Deze deelde mee dat hij slechts bereid was om de namen van beoogd bewindvoerders mede te delen als de advocaat zou hebben toegezegd het surseanceverzoek fysiek en compleet te zullen indienen. Die toezegging werd gegeven. Daarop deelde de voorzitter mede dat mr. Hoving en mr. Broeseliske de beoogd bewindvoerders waren. De advocaat van RCCS heeft daarop het verzoekschrift met de begeleidende brief toegestuurd aan mr. Hoving.
2.23
Op woensdag 2 maart 2022, kort na het middaguur, heeft de advocaat van RCCS conform zijn toezegging het verzoekschrift met bijlagen fysiek ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek was opnieuw vergezeld van de begeleidende brief. Die zelfde dag, om 16:50 uur, heeft de rechtbank Den Haag voorlopige surseance van betaling verleend aan RCCS en RCCS Holding, met benoeming van mr. Hoving en mr. Broeseliske tot bewindvoerders.
2.24
Op 2 of 3 maart 2022 heeft [verweerder 1] een e-mail verstuurd aan de klanten van RCCS, waarin zij werden geïnformeerd over de surseance en waarin onder meer is vermeld dat de lopende overeenkomsten niet gestand worden gedaan door de bewindvoerders. Deze e-mail heeft [eiseres] pas op 7 maart 2022 ontvangen.
2.25
Rabobank heeft op donderdag 3 maart 2022 de rekeningen van RCCS en RCCS Holding geblokkeerd, waaronder de betaalrekening en de wisselgeldrekening. Rabobank heeft daarbij een beroep gedaan op de regeling Melding Onterechte Incasso.
2.26
Op vrijdag 4 maart 2022 hebben de bewindvoerders de rechtbank Den Haag verzocht om de surseance van betaling om te zetten in een faillissement. Daarnaast is op die dag, op verzoek van de bewindvoerders, een melding geplaatst op het online portal van RCCS dat wisselgeld alleen nog zal worden uitgeleverd als vooruitbetaald wordt, en dat niet meer betaald kan worden via automatische incasso.
2.27
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikkingen van maandag 7 maart 2022 de voorlopig aan RCCS en RCCS Holding verleende surseance van betaling ingetrokken en het faillissement van RCCS en RCCS Holding uitgesproken, met benoeming van de bewindvoerders tot curatoren. Per deze datum hebben de curatoren het leveren van wisselgeld gestaakt. De wisselgeldbestelling van [eiseres] , waarvan de levering was voorzien voor 8 maart 2022, is niet geleverd.
2.28
Bij brief van 8 maart 2022 hebben de curatoren de klanten van RCCS bericht dat RCCS en RCCS Holding in staat van faillissement zijn verklaard. In deze brief is verder, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Aan de faillissementen is een surseance van betaling voorafgegaan, welke voorlopig werd verleend op 2 maart 2022. Op dat moment waren de omstandigheden aldus dat een volwaardig surseancetraject doorlopen zou worden, al dan niet met een vorm van doorstart vanuit surseance.
Het bestuur heeft in een brief van 2 maart 2022 bericht over de gevolgen van de surseance. Wij vatten de belangrijkste onderdelen hiervan kort samen.
1. Wij hebben als bewindvoerders aangegeven dat wij de lopende overeenkomsten niet gestand zullen doen. Dat geldt zowel voor klanten met een SmartSafe als voor klanten die gebruik maken van sealbag en/of wisselgeld diensten;
2. We hebben aangegeven dat we bereid zijn om ons in te spannen om de dienstverlening nog enige tijd voort te zetten, voor klanten die dat willen en instemmen met de voorwaarden, zoals gesteld in de e-mail van 2 maart 2022;
(...)
Inmiddels is de situatie veranderd. Vrijdag jl. bleek dat een faillissement onvermijdelijk was.
Met deze nieuwe situatie is duidelijk geworden dat wisselgeld diensten niet meer verantwoord verricht kunnen worden; die zijn dan ook op 7 maart jl. gestaakt. Klanten die een bestelling hebben geplaatst en betaald hebben, dienen hun vorderingen in te dienen (...).”
2.29
Bij brief van 13 maart 2022 heeft [eiseres] [verweerders] als bestuurders aansprakelijk gesteld voor de schade van [eiseres] .
2.3
De curatoren hebben op 25 maart 2022 een akkoord bereikt met Ziemann over een (afgeslankte) doorstart van RCCS.
2.31
In e-mails van 16 en 17 mei 2022 hebben de curatoren (de advocaat van) [eiseres] bericht dat [eiseres] een concurrente vordering in het faillissement van RCCS heeft.
2.32
Op 7 juni 2022 heeft [eiseres] , met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, conservatoire beslagen gelegd ten laste van [verweerders] op onroerende zaken, onder banken en onder Ziemann Cashservice NL B.V. [verweerders] hebben in kort geding opheffing van deze beslagen gevorderd. De vordering van [verweerders] is bij vonnis in kort geding van 26 juli 2022 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam afgewezen. [verweerders] hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Ter zitting van het hof hebben partijen een schikking getroffen, inhoudende dat het (loon)beslag onder Ziemann Cashservice NL B.V. wordt opgeheven, maar de overige beslagen blijven liggen.

3.Procesverloop

3.1
Op 15 juni 2022 heeft [eiseres] [verweerders] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat gedaagden als bestuurder van RCCS Holding en als indirect bestuurder van RCCS aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden schade en gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 500.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
3.2
[verweerders] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat alle gelegde conservatoire beslagen worden opgeheven, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Deze reconventionele vordering (die in hoger beroep ook nog in geschil was) staat in cassatie niet meer ter discussie en laat ik daarom verder buiten beschouwing.
3.3
Bij tussenvonnis van 7 december 2022 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast. Deze mondelinge behandeling heeft op 30 januari 2023 plaatsgevonden. Zowel zijdens [eiseres] als zijdens [verweerders] zijn spreekaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Per brief van 14 februari 2023 heeft [eiseres] opmerkingen gemaakt bij het proces-verbaal. Een week later, op 21 februari 2023, hebben [verweerders] schriftelijk gereageerd op het proces-verbaal.
3.4
Bij eindvonnis van 15 maart 2023 [2] heeft de rechtbank de vorderingen van [eiseres] afgewezen en haar in de proceskosten in conventie veroordeeld.
3.5
Bij dagvaarding van 25 mei 2013, hersteld bij herstelexploten van respectievelijk 21 september en 6 november 2023, is [eiseres] bij het Hof Amsterdam (hierna:
het hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. In principaal appel heeft [eiseres] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen.
3.6
[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het principaal beroep.
3.7
Op 11 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.
3.8
Bij arrest van 22 april 2025 [3] (hierna:
het bestreden arrest) heeft het hof in principaal appel het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het overwogen dat voor [verweerders] vóór 1 maart 2022 onvoldoende voorzienbaar was dat RCCS haar verplichtingen jegens [eiseres] niet zou kunnen nakomen, zodat aan hen als indirecte bestuurders hiervan niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voorts heeft het hof overwogen dat de beslissing om, teneinde het beoogde akkoord te kunnen bereiken, op 2 maart 2022 een formeel surseanceverzoek in te dienen niet als zo onzorgvuldig kan worden beschouwd dat [verweerders] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin dat zij daarmee verhaal door [eiseres] hebben gefrustreerd (rov. 5.18).
3.9
Op 22 juli 2025 heeft [eiseres] (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof. [eiseres] heeft zich in de procesinleiding het recht voorbehouden dit middel aan te vullen indien het opgevraagde, maar op 22 juli 2025 nog niet ontvangen, proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep daartoe aanleiding geeft. Op 31 juli 2025, na ontvangst van het proces-verbaal, heeft [eiseres] een aanvullende procesinleiding ingediend. [verweerders] hebben verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eiseres] heeft gerepliceerd en [verweerders] hebben gedupliceerd.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, waarin verschillende motiveringsklachten worden aangevoerd.
Onderdeel 1
4.2
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.16 van het bestreden arrest, waarin het hof oordeelt dat het voor [verweerders] vóór 1 maart 2022 onvoldoende voorzienbaar was dat RCCS haar verplichtingen jegens [eiseres] niet zou kunnen nakomen, zodat hun hiervan niet een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De motivering voor dit oordeel staat in de daaraan voorafgaande overwegingen. Ik citeer daarom rov. 5.13 t/m 5.16.
“De Beklamelnorm
5.13.
Voor de beoordeling is van belang of en in welke mate vóór 1 maart 2022 voor [verweerders] voorzienbaar was dat transacties zoals die met [eiseres] niet zouden worden nagekomen en dat er tevens geen verhaal zou zijn. [verweerders] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, in de periode vóór 1 maart 2022 een regeling met DNB en de andere banken en een akkoord over volledige overname door Ziemann, zoals beschreven in het voorstel van 23 februari 2022, als een reële mogelijkheid zagen om een faillissement van RCCS af te wenden en RCCS aan haar betalingsverplichtingen te laten voldoen. De bedoeling was om vóór de aanvraag van surseance met Ziemann een akkoord te bereiken zodat aan DNB kon worden medegedeeld dat het aan te bieden schuldeisersakkoord zou zijn gefinancierd met de opbrengst van de verkoop. De stelling van [eiseres] dat die reële mogelijkheid na 26 februari 2022 niet meer bestond omdat Ziemann toen reeds te kennen had gegeven de surseance te willen afwachten in de hoop op een betere deal, wordt verworpen.
[verweerders] hebben er in dit verband op gewezen dat Ziemann geïnteresseerd bleef in de overname van RCCS volgens de lijnen van het plan van 23 februari 2022, en slechts hoopte op een grotere afboeking op de schuldenlast. Dit betekende alleen dat tijdens de surseance verder moest worden onderhandeld, aldus [verweerders]
Naar het oordeel van het hof brengt de mededeling van Ziemann niet zonder meer mee dat een akkoord vanaf dat moment niet meer als reële mogelijkheid kon worden beschouwd. Uit de e- mailcorrespondentie van 1 en 2 maart 2022 valt redelijkerwijs af te leiden dat ook Ziemann onveranderd van het oorspronkelijke overnameplan uitging. Nadat de surseance formeel was aangevraagd en de bewindvoerders waren benoemd, zijn de gesprekken met Ziemann en DNB, onder leiding van de bewindvoerders, ook daadwerkelijk voortgezet. Daaruit volgt dat ook DNB en de bewindvoerders de door RCCS beoogde marsroute aanvankelijk en in ieder geval tot vrijdag 4 maart 2022 als een reële mogelijkheid zagen. Dat het reddingsplan mogelijk niet zou slagen, is onvoldoende voor het aannemen van een persoonlijk ernstig verwijt, gelet op de hiervoor beschreven uitgangspunten.
5.14.
[eiseres] heeft nog aangevoerd dat het overnameplan in elk geval geen betrekking had op de wisselgeldschulden, zodat ook als een akkoord zou worden bereikt, de verplichtingen aan [eiseres] niet zouden worden nagekomen. Ook hierin kan [eiseres] niet worden gevolgd. Uit het voorstel van 23 februari 2022 volgt dat het overnameplan betrekking had op de “Aktiva” van RCCS, bestaande uit “
samtliche Betriebsmittel,Verträge, Personal,Kunden, Pipeline, Goodwill etc” [onderstreping door hof]. Dat dit, anders dan [verweerders] stellen, niet zou meebrengen dat Ziemann ook de wisselgeldschulden zou overnemen, is door [eiseres] onvoldoende onderbouwd. Dat deze schulden in het plan niet met name worden genoemd, is daarvoor onvoldoende. [verweerders] hebben bovendien voldoende gemotiveerd gesteld dat Ziemann er belang bij had zoveel mogelijk klanten te behouden. Nu veel klanten zowel CiT- en SmartSafe-diensten als wisselgelddiensten afnamen, had Ziemann er belang bij om jegens hen de openstaande wisselgeldverplichtingen na te komen. Daarbij hebben [verweerders] onweersproken gesteld dat de daarmee gemoeide schuld op de totale schuldenlast gering was. Ook de omstandigheid dat in het surseance-verzoek geen melding wordt gemaakt van de wisselgeldschulden is voor de stelling van [eiseres] niet redengevend. De wisselgeld-activiteiten vormden, in relatie tot de CiT- en SmartSafe-diensten een betrekkelijk klein onderdeel van RCCS en stonden los van die activiteiten. Uiteraard zouden ook de wisselgeldactiviteiten in gevaar komen als RCCS de CiT- en SmartSafe-diensten zouden moeten staken, omdat RCCS in dat geval haar hele onderneming zou moeten staken, maar dit bedrijfsonderdeel verkeerde zelf niet in moeilijkheden. De omstandigheid dat in het verzoekschrift niet wordt gesproken over de wisselgeldactiviteiten kan in het licht van het voorgaande niet worden uitgelegd als een aanwijzing dat deze activiteiten niet zouden worden gered.
5.15.
[eiseres] stelt voorts dat [verweerders] op 1 maart 2022 ervan op de hoogte waren dat een surseance-verzoek zou worden ingediend (zij hadden dat immers al ondertekend), en dat zij hadden moeten begrijpen dat toewijzing van dat verzoek ertoe zou leiden dat het RCCS niet meer vrij stond haar verplichtingen jegens [eiseres] na te komen. Zoals [verweerders] in hoger beroep onweersproken hebben gesteld is op 1 maart 2022 een informeel surseance-verzoek verzonden naar de rechtbank met het verzoek om de namen van de beoogde bewindvoerders mede te delen, opdat de gesprekken tussen RCCS, DNB en Ziemann onder de leiding van de beoogde bewindvoerders zouden kunnen worden voortgezet. De voorzitter van de insolventiekamer van de rechtbank Den Haag bleek echter niet te willen meewerken aan de door RCCS beoogde marsroute, waarna de advocaat van RCCS alsnog op 2 maart 2022 een formeel verzoek heeft ingediend, en dezelfde dag nog voorlopige surseance werd verleend. [eiseres] betoogt dat het door [verweerders] beschreven plan, feitelijk neerkomt op een prepack-constructie in het kader van een surseance waarvoor geen wettelijke basis bestaat, zodat zij er niet op mochten vertrouwen dat de rechtbank akkoord zou gaan met het mededelen van de namen van beoogde bewindvoerders zonder voorlopig surseance te verlenen. Het hof overweegt dat, ook als [eiseres] daarin moet worden gevolgd, zulks niet zonder meer meebrengt dat [verweerders] hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [verweerders] zijn ten aanzien van de beoogde marsroute volledig afgegaan op de adviezen van de advocaat van RCCS, die dat ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd en op wiens deskundigheid [verweerders] in redelijkheid mochten vertrouwen. Dit brengt het hof tot het oordeel dat voor [verweerders] vóór 1 maart 2022 redelijkerwijs niet voorzienbaar was of behoefde te zijn dat het plan om op 1 maart 2022 een informeel surseance-verzoek te doen teneinde onder leiding van de beoogde bewindvoerders tot een akkoord te komen, ertoe zou leiden dat op 2 maart 2022 formeel voorlopige surseance zou worden verleend. Dit leidt er tevens toe dat vóór 1 maart 2022 voor [verweerders] de ontwikkelingen na het verlenen van surseance niet voorzienbaar waren, waaronder het blokkeren van de rekeningen door de Rabobank, die aan nakoming van de verplichtingen van RCCS aan [eiseres] in de weg kwamen te staan.
5.16.
De conclusie van het voorgaande luidt dat voor [verweerders] vóór 1 maart 2022 onvoldoende voorzienbaar was dat RCCS haar verplichtingen jegens [eiseres] niet zou kunnen nakomen, zodat haar hiervan niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat betekent dat de vorderingen van [eiseres] op de eerste grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid niet toewijsbaar zijn.”
4.3
Onderdeel 1 bestaat uit twee subonderdelen.
4.4
Subonderdeel 1.1klaagt
ten eerstedat het oordeel in rov. 5.16 onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat het niet gedragen kan worden door de motivering in rov. 5.14 dat Ziemann er belang bij had om zoveel mogelijk klanten te behouden, nu veel klanten zowel CiT- en SmartSafe-diensten als wisselgelddiensten afnamen, en Ziemann er belang bij had om
jegens hende openstaande wisselgeldverplichtingen na te komen. Het middel voert aan dat [eiseres] , anders dan de meeste andere klanten, [4] geen CiT- en SmartSafe-diensten van RCCS afnam, maar slechts wisselgelddiensten. [5] Die diensten vormden bovendien maar een zeer beperkt deel van de activiteiten van RCCS. [6] Het middel betoogt dat het argument dat RCCS er belang bij had om wisselgelddiensten na te komen teneinde klanten te behouden, daarom niet opgaat voor [eiseres] .
4.5
Ten tweedewordt geklaagd dat het hof in ieder geval ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van [eiseres] dat zij van RCCS slechts wisselgelddiensten afnam. [7] Er wordt betoogd dat deze stelling essentieel is, omdat hieruit volgt dat RCCS er geen belang bij had om [eiseres] als klant te behouden. De wisselgelddiensten waren voor RCCS immers van ondergeschikte betekenis.
4.6
In de aanvullende procesinleiding wordt deze klacht aangevuld. Er wordt aldus
ten derdebetoogd dat het oordeel ook ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof niet heeft gerespondeerd op [eiseres] ’ essentiële stelling dat Ziemann geen belang erbij had om de € 500.000,- over te nemen in verband met de beperkte omzet die daarmee kon worden gemaakt. [8] Volgens het middel is deze stelling essentieel, omdat, indien zij juist is, hieruit volgt dat Ziemann er geen belang bij had om [eiseres] als klant te behouden.
4.7
De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.8
Ik stel voorop dat het oordeel in rov. 5.16 niet alleen gestoeld is op de bestreden overweging in rov. 5.14, maar op alle overwegingen die zijn geplaatst onder het kopje ‘
De Beklamelnorm’, te weten: rov. 5.13-5.15. Er staat in rov. 5.16 immers: “
De conclusie van het voorgaande luidt …”. Verder merk ik op dat rov. 5.13 in cassatie niet wordt bestreden. Daarin oordeelt het hof dat [verweerders] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij, in de periode vóór 1 maart 2022, een regeling met DNB en de andere banken en een akkoord over volledige overname door Ziemann als een reële mogelijkheid zagen om een faillissement van RCCS af te wenden en RCCS aan haar betalingsverplichtingen te laten voldoen.
4.9
In rov. 5.14 behandelt het hof [eiseres] ’ stelling dat het overnameplan van Ziemann geen betrekking had op de wisselgeldschulden, zodat ook als een akkoord zou zijn bereikt, de verplichtingen aan [eiseres] niet zouden worden nagekomen. Volgens het hof kan [eiseres] hierin niet worden gevolgd (rov. 5.14, tweede volzin, die niet wordt bestreden). Dat oordeel is gestoeld op vier argumenten, die in onderlinge samenhang moeten worden gelezen:
1) [eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd dat uit de tekst van het overnamevoorstel volgt dat Ziemann ook wisselgeldschulden zou overnemen;
2) [verweerders] hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat Ziemann er belang bij had om zoveel mogelijk klanten te behouden;
3) [verweerders] hebben bovendien onweersproken gesteld dat de schuld voor het overnemen van wisselgeldverplichtingen op de totale schuldenlast gering was;
4) De omstandigheid dat in het surseance-verzoek geen melding wordt gemaakt van de wisselgeldschulden is voor de stelling van [eiseres] niet redengevend.
Het middel bestrijdt het argument onder 2). Dat argument werkt het hof uit in de daaropvolgende zin. Volgens het hof namen veel klanten zowel CiT- en SmartSafe-diensten, als wisselgelddiensten af, en had Ziemann er daarom belang bij om (ook) de openstaande wisselgeldverplichtingen na te komen.
4.1
In dit oordeel ligt besloten dat Ziemann er (financieel) belang bij had om (ook) de wisselgelddienstverlening als zodanig over te nemen. Dat oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. [verweerders] hadden immers gemotiveerd aangevoerd [9] dat RCCS jegens individuele of gezamenlijke wisselgeldklanten geen tekort had [10] en dat in de gesprekken met Ziemann het nooit een punt van discussie of twijfel was geweest dat de wisselgeldactiviteiten mee over zouden gaan als het zou lukken om de CiT- en SmartSafe-activiteiten te redden en door te starten. [11] Voorts voerden [verweerders] aan dat Ziemann belang had bij voldoende klanten en omzet. Ik citeer nr. 64 van de memorie van antwoord in principaal appel: [12]
“64. Het was immers de bedoeling van zowel het bestuur van RCCS als van Ziemann om de onderneming van RCCS
going concerndoor te starten in een nieuwe entiteit. Bij zo'n plan is vereist dat de doorstartende entiteit voldoende klanten en omzet heeft, omdat een doorstart anders bedrijfseconomisch niet levensvatbaar is. Een groot deel van RCCS’ klanten nam naast de CiT- of SmartSafe-diensten ook wisselgelddiensten af. De wisselgeldactiviteiten waren voor veel klanten net zo belangrijk als de CiT- en SmartSafe-diensten. Als de wisselgeldactiviteiten en -verplichtingen zouden achterblijven en met een afboeking zouden worden geconfronteerd of zelfs in faillissement zouden belanden, zou dat tot grote onvrede en conflicten met klanten hebben geleid, die ook CiT- en SmartSafe-klanten afnamen en die cruciaal waren voor het welslagen van een doorstart. Het is daarom nooit overwogen om de surseance aan te grijpen om de wisselgeldactiviteiten en -verplichtingen, zoals jegens [eiseres] , achter te laten en niet meer na te komen.”
4.11
[eiseres] heeft hier alleen tegenover gesteld dat niet is aangetoond welke specifieke activa zouden worden overgenomen volgens het overnameplan [13] van 23 februari 2022 en welke crediteuren zouden ‘achter blijven’; [14] dat de wisselgelddiensten van RCCS een kleine rol binnen haar dienstverlening speelden; en dat de wisselgelddiensten tijdens de onderhandelingen met Ziemann niet op tafel lagen. [15]
4.12
In eerdere instanties heeft [eiseres] vooral betwist dat Ziemann de verplichting
jegens haarzou overnemen [16] en dat Ziemann geen belang had om specifiek [eiseres] als klant te behouden. Dit heeft het hof kennelijk niet relevant en dus ook niet essentieel geacht, nu onweersproken door [verweerders] was aangevoerd dat in de afweging van het bestuur de positie van kleine, individuele klanten geen rol speelden. [17] Het ging, met andere woorden, niet om de vraag of Ziemann er belang bij had om elke individuele klant over te nemen, maar of Ziemann er belang bij had de dienstverlening als zodanig over te nemen. Ook hebben [verweerders] onweersproken gesteld dat er geen redenen waren voor het bestuur om bijzondere aandacht te besteden aan de positie van [eiseres] . [18] In het licht hiervan is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en is er ook geen sprake van een of meer essentiële stellingen waarop het hof had moeten responderen.
4.13
De klachten van subonderdeel 1.1 falen.
4.14
Subonderdeel 1.2richt eveneens een motiveringsklacht tegen rov. 5.16. Er wordt geklaagd dat, kort gezegd, de feitenvaststellingen van het hof in rov. 3.17 (hiervoor weergegeven in 2.17), in rov. 3.19 (hiervoor weergegeven in 2.19) en rov. 3.20 (hiervoor weergegeven in 2.20), in samenhang bezien, geen andere conclusie toelaten dan dat op het moment waarop [eiseres] haar wisselgeldbestelling plaatste (1 maart 2022, 11:06 uur), althans op het moment van de bevestiging dat het transport zal worden uitgevoerd (1 maart 2022, 11:41 uur), redelijkerwijs voorzienbaar was dat RCCS de door haar aangegane verplichtingen op grond van deze bestelling niet zou kunnen nakomen. Daartoe wordt aangevoerd dat:
1) de advocaat van RCCS al op 1 maart 2022, 9:45 uur, aan de rechtbank had voorgesteld om het surseanceverzoek te behandelen op 4 of 7 maart 2022;
2) een gevraagde surseance “
dadelijk” voorlopig wordt verleend (art. 215 lid 2 Fw Pro);
3) het wisselgeld pas geleverd zou worden op 8 maart 2022; [19] en
4) gezien art. 233 Fw Pro, RCCS na de voorlopige surseanceverlening haar verplichtingen op grond van de bestelling niet meer kon nakomen, althans slechts nog voor hoogstens 2,5%.
Voorts had Ziemann, die interesse had in overname van de onderneming van RCCS, te kennen gegeven een surseance af te willen wachten. [20]
4.15
Het hof heeft in rov. 5.15 vastgesteld – en dit wordt in cassatie niet bestreden – dat [verweerders] in hoger beroep onweersproken hebben gesteld dat op 1 maart 2022 een
informeelsurseance-verzoek naar de rechtbank is verzonden met het verzoek om de namen van de beoogde bewindvoerders mede te delen,
opdatde gesprekken tussen RCCS, DNB en Ziemann onder de leiding van de beoogde bewindvoerders zouden kunnen worden voortgezet. Het hof heeft hier kennelijk mee bedoeld dat op 1 maart 2022, 9:45 uur, het plan (“
de beoogde marsroute”, rov. 5.13 en 5.15) was om
vóór de aanvraag(rov. 5.13, waarmee het hof kennelijk heeft bedoeld ‘de
formeleaanvraag’) van de surseance een akkoord te hebben bereikt met Ziemann. [21] Ook als deze beoogde marsroute niet legitiem is, kan volgens het hof [verweerders] geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, omdat zij zijn afgegaan op de adviezen van de advocaat van RCCS (rov. 5.15).
4.16
Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat het voor [verweerders] vóór 1 maart 2022 redelijkerwijs niet voorzienbaar was of behoefde te zijn dat het plan om op 1 maart 2022 een
informeelsurseance-verzoek te doen om onder leiding van de beoogde bewindvoerders tot een akkoord te komen, ertoe zou leiden dat op 2 maart 2022
formeelvoorlopige surseance zou worden verleend. Anders dan [eiseres] in cassatie betoogt, [22] ligt in rov. 5.13 en 5.15 besloten dat het voor [verweerders] ook niet voorzienbaar was dat het informele surseance-verzoek uiterlijk op 7 maart 2022 tot formele surseanceverlening zou leiden. Ik licht dat toe.
4.17
In de begeleidende brief bij het informele surseanceverzoek werd weliswaar de datum van 7 maart 2022 genoemd, maar het hof heeft kennelijk – anders dan het middel – dit niet zo gelezen dat het de bedoeling was dat “
hoe dan ook” [23] surseance zou zijn uitgesproken op 7 maart 2022 (en dus vóór de geplande levering van het wisselgeld op 8 maart 2022). In het oordeel van het hof ligt besloten dat [verweerders] op het peilmoment het als een reële mogelijkheid zagen dat vóór 7 maart 2022 een akkoord zou zijn bereikt (rov. 5.13). In het licht van de gedingstukken is dat oordeel niet onbegrijpelijk. [24]
4.18
De stelling van [eiseres] dat die reële mogelijkheid na 26 februari 2022 niet meer bestond omdat Ziemann toen reeds te kennen zou hebben gegeven de surseance te willen afwachten in de hoop op een betere deal, heeft het hof eveneens onder ogen gezien en gemotiveerd verworpen in rov. 5.13.
4.19
De klacht van subonderdeel 1.2 slaagt daarom evenmin.
Onderdeel 2
4.2
Onderdeel 2 bestaat uit twee subonderdelen.
4.21
Subonderdeel 2.1is gericht tegen rov. 5.12 van het bestreden arrest. Daarin oordeelt het hof dat [eiseres] aan [verweerders] het (eerste) verwijt maakt dat zij de wisselgeldportal vóór 1 maart 2022 niet hebben gesloten, waarmee het aangaan van de overeenkomst en de betaling door [eiseres] zou zijn voorkomen.
4.22
Er wordt geklaagd dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat [eiseres] dit verwijt niet aan [verweerders] heeft gemaakt. [eiseres] verwijt [verweerders] wél dat zij voor klanten geen extra drempel hebben opgeworpen om te voorkomen dat in de portal nog overeenkomsten konden worden aangegaan. [25] Volgens het middel is dit onderscheid van belang, omdat, anders dan bij het sluiten van het portal, het opwerpen van een drempel om bestellingen te plaatsen niet (zonder meer) zou hebben geleid tot klachten en onrust onder klanten, en ook niet tot een negatief effect op de gesprekken met DNB en Ziemann, en daarmee op de kansen op een redding van RCCS.
4.23
De aanvullende procesinleiding voegt daaraan toe dat uit het proces-verbaal (p. 2) volgt dat [eiseres] ook belang heeft bij deze klacht omdat, indien RCSS de portal aldus ingericht zou hebben dat klanten
slechts via automatische incasso konden betalen, deze inrichting van de portal niet (zonder meer) geleid zou hebben tot klachten en onrust onder klanten. Deze inrichting zou daarom niet (zonder meer) een negatief effect hebben gehad op de gesprekken met DNB en daarmee op de kansen op een redding van RCCS.
4.24
Voor zover de klacht al voldoet aan de daaraan te stellen eisen (art. 419 Rv Pro) [26] en de stelling voldoende is onderbouwd, [27] slaagt zij mijns inziens niet. De in de klacht vervatte stelling (indien [verweerders] voor de wisselgeldklanten van RCCS een extra drempel hadden ingebouwd, zoals het aldus inrichten van de portal dat klanten alleen via automatische incasso konden betalen, zou dat niet (zonder meer) een negatief effect hebben gehad op de gesprekken met DNB en Ziemann, en daarmee op de kansen op een redding van RCCS) is niet essentieel. Indien deze stelling al feitelijk juist was, zou het hof niet tot een ander oordeel zijn gekomen. Ik licht dat toe.
4.25
Het hof toetst aan de Beklamelnorm en dus of de bestuurder bij het namens de vennootschap
aangaan van de verbintenissenwist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt); zie rov. 5.9. In casu ging het om een overeenkomst die tot stand was gekomen via de portal (rov. 3.20 en 5.12). Het hof overweegt in rov. 5.13 e.v. (nogmaals: in cassatie onbestreden) dat [verweerders]
nietredelijkerwijs konden voorzien dat op het peilmoment geplaatste bestellingen niet meer zouden worden nagekomen en dat RCCS niet meer aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. In dat licht oordeelt het hof dat [verweerders] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt dat RCCS de verbintenis is aangegaan.
4.26
In dat oordeel ligt besloten dat alleen het
sluitenvan de portal ertoe leidt dat de overeenkomst
nietwordt aangegaan. Immers, ook indien [verweerders] een extra drempel hadden opgeworpen, zou de portal open zijn geweest en zou het mogelijk zijn geweest om een verbintenis aan te gaan. De beoordeling die het hof dan had moeten maken, zou niet anders zijn geweest. De stelling dat de klanten van RCCS en Ziemann mogelijk anders hadden gereageerd op het opwerpen van obstakels dan bij het sluiten van de portal, zou het hof bovendien niet tot een ander oordeel hebben gebracht. Ik lees in de overwegingen niet dat het hof deze omstandigheid relevant heeft geacht bij het bepalen van de voorzienbaarheid.
4.27
Subonderdeel 2.2richt zijn pijlen op rov. 5.19 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat beide gestelde grondslagen (Beklamelnorm en verhaalsfrustratie) niet tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden.
4.28
Het middel voert aan dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de volgende stellingen in nr. 15 van de memorie van grieven die volgens [eiseres] ‘essentieel’ zijn:
a. De bestellingen voor wisselgeld door klanten van RCCS konden via het online portal worden geplaatst zonder actieve tussenkomst van RCCS;
b. De bestellingen werden goeddeels automatisch verwerkt en ingepland;
c. Het was voor een klant zeer eenvoudig om met RCCS overeenkomsten aan te gaan, zelfs voor aanzienlijke bedragen;
d. RCCS heeft deze manier van werken, van contracteren, niet aangepast kort voor en na de indiening van het verzoekschrift;
e. Er werd voor klanten geen extra drempel opgeworpen om overeenkomsten aan te gaan;
f. RCCS heeft niet beoordeeld of het voor haar mogelijk was om een bestelling na te komen en of het dus überhaupt gerechtvaardigd was om een bestelling te accepteren en [eiseres] te verzoeken om het bedrag van € 500.000,- spoedig over te maken;
g. Er is geen contant geld ingekocht bij DNB terwijl dat, blijkens de stellingen van [verweerders] in eerste aanleg, gezien de omvang van de bestelling wel noodzakelijk was; en
h. [verweerders] waren ermee bekend dat [eiseres] met regelmaat grote bestellingen plaatste en hadden er aldus rekening mee kunnen houden dat dit ook na 28 februari 2022 zou gebeuren.
Volgens het middel zijn deze stellingen essentieel omdat, indien zij juist zijn, zij tot het oordeel kunnen leiden dat aan [verweerders] een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken en zij op die grond aansprakelijk zijn jegens [eiseres] .
4.29
Ik stel voorop dat de stellingen onder a) tot en met e) in feitelijke instanties niet zijn betwist door [verweerders] en daarom niet in geschil waren (art. 149 lid 1 Rv Pro). Omdat het hof daarom niet op de stellingen hoefde te responderen, faalt de klacht reeds op die grond. Verder meen ik dat de stellingen onder a) tot en met h) geen essentiële stellingen betreffen. Ook voor zover deze stellingen juist zijn, blijft het oordeel overeind dat vóór 1 maart 2022 voor [verweerders] niet voorzienbaar was dat transacties zoals die met [eiseres] niet zouden worden nagekomen en dat er tevens geen verhaal zou zijn. Tegen die overweging in rov. 5.13 heeft [eiseres] , zoals hiervoor gezegd (zie 4.8), immers geen kenbare cassatieklacht gericht. Voor het overige faalt de klacht in het voetspoor van de subonderdelen 1.1 en 1.2.
4.3
In de aanvullende procesinleiding wordt toegevoegd dat het oordeel in rov. 5.19 ook ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op [eiseres] ’ essentiële stelling dat RCCS de wisselgeldportal zo had moeten inrichten dat alleen via automatische incasso kon worden betaald. [28] Deze stelling is volgens het middel essentieel, omdat, indien zij juist is, hieruit volgt dat [verweerders] een persoonlijk ernstig verwijt te maken valt en op die grond aansprakelijk is jegens [eiseres] .
4.31
Deze klacht faalt op dezelfde grond als subonderdeel 2.1 (zie 4.24-4.26).
4.32
De slotsom is dat alle cassatieklachten falen.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie het bestreden arrest: hof Amsterdam van 22 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1066,
2.Rb. Amsterdam 15 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1366.
3.Hof Amsterdam van 22 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1066,
4.Er wordt verwezen naar Mva in principaal appel tevens mvg in incidenteel appel, nr. 34 en 64; spreekaantekeningen [verweerders] 11 februari 2025, nr. 8.
5.Er wordt verwezen naar spreekaantekeningen [eiseres] 11 februari 2025, nr. 18 en rov. 3.7.
6.Er wordt verwezen naar Mva in principaal appel tevens mvg in incidenteel appel, nr. 49.
7.Er wordt verwezen naar spreekaantekeningen zijdens [eiseres] 11 februari 2025, nr. 18.
8.Proces-verbaal hoger beroep, p. 2, onderaan.
9.Als weerlegging van deel 2 van grief 3 (zie mva in principaal appel tevens mvg in incidenteel appel, nr. 60 e.v.). Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte bij de beoordeling heeft meegewogen dat [verweerder 2] en [verweerder 1] er op mochten vertrouwen dat een reële mogelijkheid bestond dat RCCS vanuit de surseance van betaling een doorstart zou maken én dat een doorstart ook zou betekenen dat RCCS haar verplichtingen jegens [eiseres] alsnog na zou kunnen komen (Mvg in principaal appel, nr. 24). [eiseres] voerde aan dat uit het voorstel van 23 februari 2022 niet blijkt dat verplichtingen jegens [eiseres] zouden worden overgenomen (nr. 31, 33), omdat tot de beschreven activa de bedrijfsmiddelen van RCCS behoorden en niet de schulden. Voor overname van passiva uit een surseance bestond geen enkele reden, laat staan dat Ziemann bereid zou zijn daarvoor te betalen, aldus [eiseres] (nr. 33). [eiseres] voegde daaraan toe dat kennelijk veel waarde werd gehecht aan het voortzetten van de CiT-diensten en dat vaststond dat de belangen van de CiT-klanten voorrang kregen ten opzichte van de belangen van de overige crediteuren (nr. 34) en dat nergens uit blijkt dat de verplichtingen van RCCS jegens pre-surseance-crediteuren tot de door de doorstarter over te nemen activiteiten zouden gaan behoren (nr. 35).
10.Mva in principaal appel tevens mvg in incidenteel appel, nr. 60.
11.Mva in principaal appel tevens mvg in incidenteel appel, nr. 61.
12.Zie ook: spreekaantekeningen zijdens [verweerders] 11 februari 2025, nr. 8.
13.Dit plan wordt in de laatste volzin van rov. 5.13 aangeduid als het ‘reddingsplan’.
14.Spreekaantekeningen zijdens [eiseres] , 11 februari 2025, nr. 13.
15.Spreekaantekeningen zijdens [eiseres] , 11 februari 2025, nr. 16.
16.Bijvoorbeeld: spreekaantekeningen zijdens [eiseres] , 11 februari 2025, nr. 16-17.
17.Mva in principaal appel, nr. 62. Uit de gedingstukken blijkt dat alleen de vijftien grootste klanten in de overweging werden meegenomen. Mva in principaal appel, nr. 71; spreekaantekeningen zijdens [verweerders] 11 februari 2025, nr. 9; proces-verbaal in hoger beroep, p. 2 (advocaat [verweerders] ).
18.Spreekaantekeningen zijdens [verweerders] 11 februari 2025, nr. 9; proces-verbaal in hoger beroep, p. 2, onder mr. Buikstra, tweede gedachtestreepje, laatste volzin.
19.Zittingsaantekeningen [eiseres] 11 februari 2025, nr. 8. Dat niet eerder werd geleverd zou te maken hebben met het feit dat gelet op de hoogte van het bedrag speciaal vervoer moest worden geregeld (zie antwoord [verweerder 1] , proces-verbaal in hoger beroep, p.4, bovenaan).
20.Mva in principaal appel tevens mvg in incidenteel appel, nr. 55-59.
21.De kans een akkoord te bereiken werd kennelijk hoger ingeschat als de beoogde bewindvoerders aan tafel zaten.
22.Repliek, nr. 6.
23.Repliek, nr. 4.
24.Ik verwijs naar de volgende vindplaatsen: Mvg in principaal, nr. 17 (“
25.Er wordt verwezen naar Mvg, nr. 15. Volgens de procesinleiding hebben [verweerders] ook op dit verweer gereageerd. Zie: Mva in principaal appel tevens mvg in incidenteel, nr. 46.
26.Zie hierover de discussie: verweerschrift, nr. 26; repliek, nr. 7.
27.Zie hierover de discussie in: verweerschrift, nr. 27, 34, 35; repliek, nr. 8; dupliek, nr. 7.
28.Er wordt verwezen naar het proces-verbaal in hoger beroep, p. 2.