Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:490

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/02062
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:123 SrArt. 1 lid 2 Opiumlandsverordening 1960Art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960Art. 3 lid 1 Opiumlandsverordening 1960Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling deelname criminele organisatie en medeplegen poging tot moord en drugssmokkel

De verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot 13 jaar en 6 maanden gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van uitlokking van medeplegen van poging tot moord en meerdere feiten van invoer en uitvoer van verdovende middelen.

Het hof baseerde zijn oordeel op uitgebreide bewijsmiddelen, waaronder communicatie via chatberichten, telefoongesprekken, bezoeken aan medeverdachten in detentie, en fysieke vondsten van cocaïne in Frankrijk. De verdachte speelde een actieve rol in het verzamelen van informatie over de moord op een slachtoffer, fungeerde als tussenpersoon in communicatie tussen medeverdachten en was betrokken bij de coördinatie van internationale drugstransporten.

De verdediging voerde onder meer aan dat de bewezenverklaring van medeplegen van uitlokking onvoldoende was onderbouwd en dat de bewezenverklaring van drugssmokkel onjuist was vanwege interpretatie van de Opiumlandsverordening. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht tot zijn conclusies is gekomen en dat de middelen falen. De bewezenverklaringen zijn voldoende gemotiveerd en de strafrechtelijke kwalificaties zijn correct toegepast.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is om het cassatieberoep te verwerpen, waarmee de veroordeling in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 13 jaar en 6 maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02062 C
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij vonnis van 20 maart 2025 [1] door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. “medeplegen van uitlokking van medeplegen van poging tot moord” alsmede 4, 5. en 6. “de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro A van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod, meermalen gepleegd en om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960 voor te bereiden en te bevorderen, zich en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Hof beslist over de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedragen.
1.2
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel keert zich tegen het onder 2 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat het ‘medeplegen tot uitlokking’ niet uit de bewijsvoering van het Hof kan volgen.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“tot op heden onbekend gebleven anderen op 8 april 2016 in Saint Martin , ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels in het lichaam van die [slachtoffer 1] te hebben geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit de verdachte tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en anderen, in de periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 in Nederland en/of Curaçao en Sint Maarten en/of Saint Martin , door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door:
- met elkaar te bespreken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer 2] op 5 november 2015 te Saint Martin , zijnde de vriendin van [betrokkene 3] , en
- informatie in te winnen over en uit te zoeken wie er verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer 2] , en
- met elkaar te bespreken dat er wraak genomen moet worden op de dood van [slachtoffer 2] op 5 november 2015 te Saint Martin , en
- met elkaar te bespreken dat [slachtoffer 1] verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 2] , en
- met elkaar te bespreken en te bepalen dat die [slachtoffer 1] dood moet, en
- een geldbedrag vast te stellen voor het doden van die [slachtoffer 1] , en
- te bespreken wie in te schakelen om [slachtoffer 1] te doden, en
- een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen voor het doden van die [slachtoffer 1] , en
- de tot op heden onbekend gebleven anderen te benaderen en hun de opdracht te geven [slachtoffer 1] te doden, en
- de betaling van een hoeveelheid wiet te verrichten aan die tot op heden onbekend gebleven anderen”.
2.3
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde heeft het Hof overwogen:
“Het Hof stelt voorop dat voor medeplegen van een strafbaar feit in de zin van artikel 1:123, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte daartoe met een of meer andere personen nauw en bewust samenwerkt. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/ of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/ of tijdens en/ of na het strafbare feit. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, waarbij aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Het Hof stelt, met inachtneming van het bovenstaande, uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 5 november 2015 wordt [slachtoffer 2] , de vriendin van [betrokkene 3] , doodgeschoten. Op diezelfde dag meldt de verdachte aan [betrokkene 1] dat zijn neef, een politieagent, bezig is met het vergaren van nadere informatie zodat deze neef de verdachte precies kan uitleggen wat er is gebeurd. De verdachte is degene die de volgende dag, op 6 november 2015, [betrokkene 3] in de PI in Almelo bezoekt om hem het nieuws te brengen. Hij brengt daarbij ook een boodschap van [betrokkene 1] over dat [betrokkene 3] rustig moet blijven. [betrokkene 3] zet de verdachte diezelfde dag als tussenpersoon in om [betrokkene 1] aan te sporen actie te ondernemen. Hij vraagt (over de telefoon) aan de verdachte of hij [betrokkene 1] heeft gesproken, waarop de verdachte aangeeft dat [betrokkene 1] er bovenop zit. De actie die ondernomen moet worden betreft ook het verplaatsen van de kinderen van [betrokkene 3] naar een veilig onderkomen. De verdachte overweegt zelf die kant op te gaan om hieraan een bijdrage te leveren en deelt dat mede aan [betrokkene 1] . Op diezelfde 6 november 2015 wordt reeds gesproken over het inzetten van anderen om een wraakactie uit te voeren op de moordenaar(s) van [slachtoffer 2] . [betrokkene 2] en [betrokkene 1] spreken samen over het inzetten van mensen uit Saint Croix . [betrokkene 3] geeft de verdachte de opdracht om na te laten gaan welke vlucht vanuit Saint Kitts is gegaan. [betrokkene 3] wil kijken of ze "de kleine slanke man kunnen zien." De verdachte zegt toe dit te zullen doen. Voordat de personen uit Saint Croix voor de wraakactie kunnen worden ingezet, doet [betrokkene 1] op 10 november 2015 een beroep op de verdachte om meer informatie te verkrijgen.
[betrokkene 1] zegt tegen de verdachte dat de personen uit Saint Croix direct in actie kunnen komen, maar dat duidelijk moet worden "waar en wie.” Hierop reageert de verdachte dat hij er bijna achter is hoe het precies zit. Hij heeft informatie gekregen dat personen afkomstig uit Saint Kitts en Sint Maarten betrokken zijn bij de moord op [slachtoffer 2] . Op de vraag van [betrokkene 1] "wie dat ding gedaan heeft en wie achter dat ding staat", antwoordt de verdachte: " [betrokkene 6] e.a. en hun crew. Met [slachtoffer 1] e.a. Zij hebben dat ding laten doen. Dat over [betrokkene 6] e.a. is bijna zeker. Maar neef is bezig om het mij heel precies te zeggen." Nadat de verdachte op 13 november 2015 [betrokkene 3] weer in de PI heeft bezocht, fungeert hij daarna wederom als tussenpersoon in de communicatie tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . [betrokkene 3] is boos. Hij snapt niet waarom er zo lang over wordt gedaan, er moet gas worden gegeven. De verdachte reist vervolgens op 20 november 2015 naar Curaçao en vertrekt zes dagen later naar Sint Maarten. [betrokkene 3] bespreekt de moord op [slachtoffer 2] , (het achterhalen van) de vermoedelijke daders hiervan, waaronder [slachtoffer 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en het inzetten van huurmoordenaars om wraak te nemen ook met anderen, zoals [betrokkene 8] en [betrokkene 4] . Daarbij stuurt hij ook personen aan om actie te ondernemen. De plannen om de verantwoordelijken voor de moord op [slachtoffer 2] te wreken worden vervolgens op 9 en 10 november 2015 concreter gemaakt door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Zij spreken over hoe de personen uit Saint Croix naar Saint Martin kunnen gaan en wat deze personen betaald dienen te krijgen om (onder andere) [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Op 14 november 2015 zegt [betrokkene 3] dat [slachtoffer 1] binnenkort wordt vermoord. In de periode december 2015 tot en met februari 2016 zet de verdachte het contact met [betrokkene 3] voort. Uit PGP-gesprekken in december 2015 blijkt dat de verdachte wacht op informatie van de mannen van ' [naam 1] '. De verdachte geeft aan [betrokkene 3] door dat hij, zodra ' [naam 1] ' reageert, de dingen zal regelen. Op 31 maart 2016 zegt de verdachte [betrokkene 3] opnieuw toe om er gas onder te zetten en zegt [betrokkene 3] dat het niet lang meer duurt voordat het zover is. Uiteindelijk wordt [slachtoffer 1] op 8 april 2016 beschoten door twee onbekend gebleven daders. Uit een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 7] van 10 april 2016 blijkt dat men op die datum nog steeds bezig is te achterhalen wie de (overige) opdrachtgever(s) is/zijn geweest van de moord op [slachtoffer 2] , wie ervoor betaald heeft en wie uitvoerders waren. [betrokkene 2] , [betrokkene 7] en [betrokkene 1] spreken op deze datum ook over hoe [slachtoffer 1] er na de moordpoging aan toe is, dat "ze allemaal plat moeten gaan" en wat ze gaan betalen. De betaling van de huurmoordenaars wordt afgewikkeld door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
Uit het voorgaande leidt het Hof af dat [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 7] en de verdachte [verdachte] nauw en bewust hebben samengewerkt in het geheel van het achterhalen van de personen die verantwoordelijk zijn voor de moord op [slachtoffer 2] en het plannen van een wraakactie, inhoudende dat huurmoordenaars uit Saint Croix tegen betaling (van geld en wiet) worden ingezet om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Voor de nauwe samenwerking is niet vereist dat iedere deelnemer aan elk facet van de (uitvoering van de) strafbare gedraging een bijdrage heeft geleverd. Wel is vereist dat de bijdrage aan het delict van de individuele medepleger van voldoende intellectueel en/of materieel gewicht is en dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de deelneming en het gronddelict. In dit geval geldt dat de verdachte nog op dezelfde dag als de moord op [slachtoffer 2] via zijn neef actief naspeuring doet naar wat er precies is gebeurd en daarvan verslag uitbrengt aan [betrokkene 1] . Niet is gebleken dat hij dit pas doet nadat hem specifiek om deze inspanning is gevraagd. Evenmin is gebleken dat het wat de verdachte betreft bij een eenmalige naspeuring blijft. Als [betrokkene 1] enkele dagen later een beroep op de verdachte doet om meer informatie te vergaren over 'wie en waar', kan de verdachte de namen van [slachtoffer 1] en [betrokkene 6] (reeds) noemen. Dit duidt er naar het oordeel van het Hof op dat de verdachte niet stil heeft gezeten, maar een (pro-)actieve en doelbewuste rol heeft vervuld in een belangrijk facet van het geheel van de gezamenlijk uitgevoerde strafbare gedraging. Voorts heeft de verdachte zich bereidwillig getoond de opdrachten c.q. verzoeken van [betrokkene 3] uit te voeren om [betrokkene 1] aan te sporen en naspeuring te doen naar de vermeende uitvoerders van de moord op [slachtoffer 2] uit Saint Kitts. De verdachte heeft tevens (in ieder geval) tot vlak voor de moordaanslag op [slachtoffer 1] als doorgeefluik gefungeerd in de communicatie tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , welke rol van belang is geweest om te kunnen bewerkstelligen dat de in Nederland gedetineerde [betrokkene 3] en de elders verblijvende [betrokkene 1] in contact konden blijven over de uitvoering van de wraakactie. Door de samenhang van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de context waarin de berichtgevingen tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] door tussenkomst van de verdachte plaatsvonden, kan het naar het oordeel van het Hof niet anders betekenen dan dat de verdachte wist dat het de bedoeling was dat (onbekend gebleven) personen zouden worden ingeschakeld om [slachtoffer 1] te liquideren en dat hij dit op zijn minst genomen bewust heeft aanvaard.
Gelet op het voorgaande acht het Hof, evenals het Gerecht, feit 2 wettig en overtuigend bewezen.”
2.4
Van uitlokking als deelnemingsvorm is sprake als iemand een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit waarvoor die ander zelf kan worden gestraft. Voor een bewezenverklaring van uitlokking is onder meer vereist dat de uitlokker opzet heeft op het uitlokken en op het gronddelict (dubbel opzet). Niet vereist is dat de uitlokker opzet heeft op de precieze wijze van uitvoering van het gronddelict. [2] Enigszins uiteenlopend opzet met betrekking tot het door de uitlokker beoogde gronddelict en het door de uitgelokte begane delict kan worden ‘gerepareerd’ met het leerstuk voorwaardelijk opzet. [3] De uitlokker moet een ander (de uitgelokte) op het idee hebben gebracht het delict te begaan. Evenwel staat daaraan niet in de weg dat andere omstandigheden dan (het gebruik van) het uitlokkingsmiddel meewerken tot dat besluit, mits het uitlokkingsmiddel de doorslag geeft. [4]
2.5
Het middel klaagt over het bewezenverklaarde ‘medeplegen van uitlokking’ (van medeplegen van poging tot moord). Daartoe voeren de stellers van het middel aan dat:
(i.) uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte of een van zijn mededaders een betaling van een hoeveelheid wiet heeft verricht, terwijl het Hof evenmin met de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft aangeduid uit welk bewijsmiddel dat zou volgen;
(ii.) een groot aantal bewijsmiddelen (2, 3, 6, 7, 10 en 11) niet redengevend zijn, nu deze betrekking hebben op verklaringen en handelingen vóór de bewezenverklaarde periode’
(iii.) het Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte zelf een van de (ik begrijp: onder de gedachtestreepjes, D.P.) bewezenverklaarde handelingen heeft verricht en evenmin dat de verdachte op de hoogte was van de door de mededaders verrichtte handelingen in dat verband;
(iv.) dat uit de bewijsmiddelen ‘slechts’ kan volgen dat de verdachte naspeuring heeft gedaan naar de identiteit van de mogelijk bij een op [slachtoffer 2] , vriendin van medeverdachte [betrokkene 3] , gepleegde doodslag betrokken personen en dat hij een aantal keren de medeverdachte [betrokkene 3] in zijn cel heeft opgezocht en contact heeft gehad met de medeverdachte [betrokkene 1] ;
(v.) dat het oordeel dat de verdachte als doorgeefluik heeft gefungeerd tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] om te kunnen bewerkstelligen dat [betrokkene 3] en [betrokkene 1] in contact konden blijven over de uitvoering van de wraakactie onjuist en/of onbegrijpelijk is, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat ook anderen contact hebben gehad over de plannen van [betrokkene 3] ;
(vi.) het oordeel van het Hof, dat door de samenhang van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de context waarin de berichtgevingen tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] door tussenkomst van de verdachte plaatsvonden niet anders kan betekenen dan dat de verdachte wist dat het de bedoeling was dat (onbekend gebleven) personen zouden worden ingeschakeld om [slachtoffer 1] te liquideren en dat hij dat op zijn minst genomen bewust heeft aanvaard, is dan ook onjuist, althans onbegrijpelijk en
(vii.) uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de verdachte, die voorafgingen aan het strafbare feit, zijn voorts onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het bewezenverklaarde (medeplegen van uitlokking van medeplegen moord) van voldoende gewicht is, terwijl het Hof dit (ondanks het gevoerde verweer) ook niet nader heeft gemotiveerd en het onderzoeksteam in het dossier meermalen heeft aangegeven dat bij de verdachte (ten hoogste) sprake zou zijn van medeplichtigheid.
2.6
Het Hof heeft met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde in zijn bewijsoverwegingen de volgende vaststellingen gedaan op basis waarvan het tot zijn – door de stellers van het middel bestreden – oordeel is gekomen:
(i.) nadat [slachtoffer 2] op 5 november 2015 is doodgeschoten, meldt de verdachte op diezelfde dag aan medeverdachte [betrokkene 1] dat zijn neef bezig is met het vergaren van informatie over hetgeen is gebeurd met betrekking tot de dood van [slachtoffer 2] ;
(ii.) de dag erna (op 6 november 2015) brengt de verdachte een bezoek aan medeverdachte [betrokkene 3] in de PI Almelo om hem het nieuws te brengen en de boodschap van [betrokkene 1] over te brengen dat hij ( [betrokkene 3] ) rustig moet blijven;
(iii.) [betrokkene 3] zet op diezelfde dag de verdachte in als tussenpersoon om aan te sporen actie te ondernemen, waaronder het verplaatsen van de kinderen van [betrokkene 3] naar een veilig onderkomen. Hij vraagt (over de telefoon) aan de verdachte of hij [betrokkene 1] heeft gesproken, waarop de verdachte aangeeft dat [betrokkene 1] er bovenop zit. De verdachte overweegt zelf die kant op te gaan om hieraan een bijdrage te leveren en deelt dat mede aan [betrokkene 1] ;
(iv.) op diezelfde 6 november 2015 wordt reeds gesproken over het inzetten van anderen om een wraakactie uit te voeren op de moordenaar(s) van [slachtoffer 2] . [betrokkene 2] en [betrokkene 1] spreken samen over het inzetten van mensen uit Saint Croix ;
(v.) [betrokkene 3] geeft de verdachte de opdracht om na te laten gaan welke vlucht vanuit Saint Kitts is gegaan. [betrokkene 3] wil kijken of ze "de kleine slanke man kunnen zien." De verdachte zegt toe dit te zullen doen;
(vi.) voordat de personen uit Saint Croix voor de wraakactie kunnen worden ingezet, doet [betrokkene 1] op 10 november 2015 een beroep op de verdachte om meer informatie te verkrijgen. [betrokkene 1] zegt tegen de verdachte dat de personen uit Saint Croix direct in actie kunnen komen, maar dat duidelijk moet worden "waar en wie.” Hierop reageert de verdachte dat hij er bijna achter is hoe het precies zit. Hij heeft informatie gekregen dat personen afkomstig uit Saint Kitts en Sint Maarten betrokken zijn bij de moord op [slachtoffer 2] ;
(vii.) op de vraag van [betrokkene 1] "wie dat ding gedaan heeft en wie achter dat ding staat", antwoordt de verdachte: " [betrokkene 6] e.a. en hun crew. Met [slachtoffer 1] e.a. Zij hebben dat ding laten doen. Dat over [betrokkene 6] e.a. is bijna zeker. Maar neef is bezig om het mij heel precies te zeggen";
(viii.) nadat de verdachte op 13 november 2015 [betrokkene 3] weer in de PI heeft bezocht, fungeert hij daarna wederom als tussenpersoon in de communicatie tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . [betrokkene 3] is boos. Hij snapt niet waarom er zo lang over wordt gedaan, er moet gas worden gegeven;
(ix.) de verdachte reist vervolgens op 20 november 2015 naar Curaçao en vertrekt zes dagen later naar Sint Maarten. [betrokkene 3] bespreekt de moord op [slachtoffer 2] , (het achterhalen van) de vermoedelijke daders hiervan, waaronder [slachtoffer 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en het inzetten van huurmoordenaars om wraak te nemen ook met anderen, zoals [betrokkene 8] en [betrokkene 4] . Daarbij stuurt hij ook personen aan om actie te ondernemen;
(x.) de plannen om de verantwoordelijken voor de moord op [slachtoffer 2] te wreken worden vervolgens op 9 en 10 november 2015 concreter gemaakt door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Zij spreken over hoe de personen uit Saint Croix naar Saint Martin kunnen gaan en wat deze personen betaald dienen te krijgen om (onder andere) [slachtoffer 1] van het leven te beroven;
(xi.) op 14 november 2015 zegt [betrokkene 3] dat [slachtoffer 1] binnenkort wordt vermoord;
(xii.) in de periode december 2015 tot en met februari 2016 zet de verdachte het contact met [betrokkene 3] voort. Uit PGP-gesprekken in december 2015 blijkt dat de verdachte wacht op informatie van de mannen van ' [naam 1] '. De verdachte geeft aan [betrokkene 3] door dat hij, zodra ' [naam 1] ' reageert, de dingen zal regelen. Op 31 maart 2016 zegt de verdachte [betrokkene 3] opnieuw toe om er gas onder te zetten en zegt [betrokkene 3] dat het niet lang meer duurt voordat het zover is;
(xiii.) uiteindelijk wordt [slachtoffer 1] op 8 april 2016 beschoten door twee onbekend gebleven daders. Uit een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 7] van 10 april 2016 blijkt dat men op die datum nog steeds bezig is te achterhalen wie de (overige) opdrachtgever(s) is/zijn geweest van de moord op [slachtoffer 2] , wie ervoor betaald heeft en wie uitvoerders waren;
(xiv.) [betrokkene 2] , [betrokkene 7] en [betrokkene 1] spreken op 10 april 2016 ook over hoe [slachtoffer 1] er na de moordpoging aan toe is, dat "ze allemaal plat moeten gaan" en wat ze gaan betalen. De betaling van de huurmoordenaars wordt afgewikkeld door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
2.7
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 2] op 6 november 2015 aan [betrokkene 1] heeft medegedeeld dat hij ‘the right people in st croix’ heeft ‘to do it’. Vervolgens heeft [betrokkene 1] tegen de verdachte gezegd dat hij ‘een groep [heeft] op ‘sn xroiit’ om het direct te doen, maar [dat] bekend moet zijn waar en wie’, waarop de verdachte op die dag antwoordt dat hij er nu bijna achter is het het zit. Daarop stuurt [betrokkene 1] weer de vraag of de mensen uit St. Kitts ‘het werk’ hebben gedaan, hij wil weten wie achter ‘dat ding’ staat ‘om hen te laten weten wat pijn betekent’, waarop de verdachte te kennen geeft dat ‘ [betrokkene 6] e.a. en hun crew met [slachtoffer 1] e.a. dat ding [hebben] laten doen’. De verdachte heeft op 13 november 2015 – nadat hij op bezoek is geweest in de PI bij [betrokkene 3] – aan [betrokkene 1] doorgegeven dat [betrokkene 3] heeft gezegd dat ‘een vent en [betrokkene 6] het ding hebben laten doen’ en zich afvraagt waarom het zo lang duurt om er gas achter te zetten (bewijsmiddel 19). Voorts volgt uit een gesprek van 6 november 2015 dat [betrokkene 3] iets aan [verdachte] (de verdachte, D.P.) heeft gevraagd en de boodschap heeft gestuurd voor [naam 1] . Daarbij heeft [betrokkene 3] gezegd dat het ‘beroerd’ gaat worden op Sint Maarten (bewijsmiddel 24). [betrokkene 3] heeft de verdachte op 7 december 2015 toegezegd geld te laten sturen zodat hij ‘dat ene ding’ voor hem kan doen, waarna [betrokkene 3] op 14 december 2015 bij de verdachte verifieert of hij van de mannen van [naam 1] heeft gehoord, waarop de verdachte antwoordt dat zodra dat [naam 1] contact met hem opneemt, hij ‘de dingen’ regelt (bewijsmiddel 25). [betrokkene 3] heeft de verdachte gezegd dat hij ‘gas’ onder ‘dat ding’ moet zetten en het niet lang meer duurt (bewijsmiddel 26). Uit bewijsmiddel 30 (PGP-communicatie tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ) volgt dat [betrokkene 1] op 11 april 2016 in een gesprek tegen [betrokkene 2] zegt dat hij het bericht moet sturen aan de mensen om ‘[...]’ de ‘[...]’ te geven, waaraan [betrokkene 2] toevoegt: ‘and the 25 pounds!’. Vervolgens zegt [betrokkene 2] : ‘Ok please give [...] today and the weed!’ Uit een gesprek van 14 april 2016 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] volgt dat [betrokkene 1] zegt: ‘Awo fhater ask u friend if he can collect the money in st thomas cus the jamaica guy my friend have about 20k iii sxm an 25 pound but the rest in st thomas’. [betrokkene 2] vraagt dan: ‘So the rest 30 kin st thomas???? So 20K in sxm and 25 pounds????’, waarop [betrokkene 1] bevestigend antwoord en aangeeft dat: ‘They gonna giva 25pound good weed an 20$ an he try in weekend bring the rest from st thomas’.
2.8
Het Hof is op basis van zijn in de bewijsvoering gedane vaststellingen tot het oordeel gekomen dat [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 7] en de verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt in het geheel van het achterhalen van de personen die verantwoordelijk zijn voor de moord op [slachtoffer 2] en het plannen van een wraakactie, inhoudende dat huurmoordenaars uit Saint Croix tegen betaling (van geld en wiet) worden ingezet om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Met betrekking tot het aandeel van de verdachte heeft het Hof overwogen dat de verdachte – zonder daartoe te zijn aangespoord – nog op dezelfde dag als de moord op [slachtoffer 2] via zijn neef actief naspeuring doet naar wat er precies is gebeurd en daarvan verslag uitbrengt aan [betrokkene 1] en dat, als [betrokkene 1] enkele dagen later een beroep op de verdachte doet om meer informatie te vergaren over 'wie en waar', de verdachte de namen van [slachtoffer 1] en [betrokkene 6] kan noemen. Dat duidt er naar het oordeel van het Hof op dat de verdachte niet stil heeft gezeten, maar een (pro-)actieve en doelbewuste rol heeft vervuld in een belangrijk facet van het geheel van de gezamenlijk uitgevoerde strafbare gedraging. Het Hof heeft daarbij voorts betrokken dat de verdachte zich bereidwillig heeft getoond om de opdrachten c.q. verzoeken van [betrokkene 3] uit te voeren om [betrokkene 1] aan te sporen en naspeuring te doen naar de vermeende uitvoerders van de moord op [slachtoffer 2] uit Saint Kitts en de verdachte tevens (in ieder geval) tot vlak voor de moordaanslag op [slachtoffer 1] als doorgeefluik heeft gefungeerd in de communicatie tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , welke rol van belang is geweest om te kunnen bewerkstelligen dat de in Nederland gedetineerde [betrokkene 3] en de elders verblijvende [betrokkene 1] in contact konden blijven over de uitvoering van de wraakactie. Het oordeel van het Hof – dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat het de bedoeling was dat (onbekend gebleven) personen zouden worden ingeschakeld om [slachtoffer 1] te liquideren en dat hij dit op zijn minst genomen bewust heeft aanvaard – heeft het Hof gebaseerd op de samenhang van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de context waarin de berichtgevingen tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] door tussenkomst van de verdachte plaatsvonden.
2.9
Het oordeel van het Hof – inhoudende dat de verdachte met anderen ‘nauw en bewust’ heeft samengewerkt in het geheel van het achterhalen van de personen die verantwoordelijk zijn voor de moord op [slachtoffer 2] en het plannen van een wraakactie, inhoudende dat huurmoordenaars uit Saint Croix tegen betaling (van geld en wiet) worden ingezet om [slachtoffer 1] van het leven te beroven – heeft het Hof gebaseerd op de in randnummer 2.6 weergegeven vaststellingen, evenals het oordeel dat het gelet op de samenhang van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte en de context waarin de berichtgevingen tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] door tussenkomst van de verdachte plaatsvonden, niet anders kan dan dat de verdachte wist dat het de bedoeling was dat (onbekend gebleven) personen zouden worden ingeschakeld om [slachtoffer 1] te liquideren en dat hij dit op zijn minst genomen bewust heeft aanvaard. Het Hof heeft naar mijn mening op basis van genoemde vaststellingen die bewijsconclusie kunnen en mogen trekken. De in randnummer 2.5 onder iv. tot en met vii. weergegeven klachten stuiten op het voorgaande af.
2.1
De stellers van het middel klagen verder dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte of een van zijn mededaders een betaling heeft verricht van een hoeveelheid wiet en dat de bewezenverklaring in zoverre onvoldoende met redenen is omkleed. Dat is naar het mij voorkomt ook niet wat het Hof bewezen heeft verklaard. Ik lees de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde zo, dat aan de verdachte wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met anderen aan de tot op heden onbekend gebleven anderen (vooraf) de belofte heeft gedaan dat de betaling (in de vorm) van een hoeveelheid wiet zal worden verricht. In dat verband blijkt uit bewijsmiddel 30 dat [betrokkene 1] op 11 april 2016 (dus ná de poging tot moord) in een gesprek tegen [betrokkene 2] zegt dat hij het bericht moet sturen aan de mensen om de ‘[...]’ te geven, waaraan [betrokkene 2] toevoegt: ‘and the 25 pounds!’. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat voormelde onbekend gebleven anderen (vooraf) een belofte is gedaan dat een betaling van een hoeveelheid wiet zal worden verricht, [5] als onderdeel van het plan om [slachtoffer 1] om het leven te laten brengen. Bij die lezing mist de klacht feitelijke grondslag.
2.11
Voorts wordt aangevoerd dat de bewijsmiddelen 2, 3, 6, 7, 10 en 11 niet redengevend zijn, nu deze betrekking hebben op verklaringen, gedragingen en handelingen die in 2012, 2013 en 2014 – en dus ruim vóór de onder 2 bewezenverklaarde periode van 5 november 2015 tot en met 15 april 2016 – zijn afgelegd, respectievelijk verricht. Vooraleerst merk ik op dat het enkele feit dat de bewijsmiddelen betrekking hebben op ‘verklaringen, gedragingen en handelingen’ die zich voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode hebben afgespeeld, niet zonder meer met zich brengt dat de gebezigde bewijsmiddelen daarmee niet redengevend zijn.
2.12
Bewijsmiddel 2 betreft een proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2013, inhoudende mutaties betreffende de deelname aan de criminele organisatie ‘No Limit Soldiers’. De bewijsmiddelen 3, 6, 7, 10 en 11 houden daarmee ook verband. Voormelde bewijsmiddelen zijn blijkens de plaatsing daarvan onder het kopje ‘Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2 primair en het subkopje ‘NLS criminele organisatie’ om te beginnen gebezigd in verband met de onder 1 bewezenverklaarde deelname aan de criminele organisatie. Zij hebben specifiek betrekking op de oprichting en samenstelling van de organisatie ‘No Limit Soldiers’. Dat blijkt ook uit de bewijsoverwegingen van het Hof. [6] Daarnaast zijn deze bewijsmiddelen, gelet op het door het Hof gebruikte kopje, ook redengevend geacht voor de bewezenverklaring van het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van uitlokking van medeplegen van poging tot moord. Dit acht ik in het geheel niet onbegrijpelijk, nu uit die bewijsmiddelen blijkt van een verbondenheid en samenwerkingsverband tussen personen die (ook) betrokken zijn bij het onder 2 bewezenverklaarde, terwijl daaruit ook blijkt dat leden van NLS de opdracht kunnen krijgen om tegen betaling een moord te plegen.
2.13
Tot slot de klacht dat het Hof niet zou hebben vastgesteld dat de verdachte zelf een van de in de bewezenverklaring genoemde handelingen heeft verricht en evenmin heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van de door de mededaders verrichtte handelingen in dat verband. Die klacht mist evident feitelijke grondslag, reeds nu uit het vonnis volgt dat de verdachte informatie over de daders heeft ingewonnen en ter voorbereiding voor de wraakactie als tussenpersoon heeft gefungeerd.
2.14
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel keert zich tegen het onder 4 en 5 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat onder ‘invoer’ als bedoeld in art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening Pro 1960, ook het ‘invoeren’ van verdovende middelen in een ander land (hier: Frankrijk) is begrepen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
3.2
De Opiumlandsverordening 1960 houdt – voor zover hier van belang – in:
- Art. 1
“2. Onder invoeren van middelen, bedoeld in artikelen 3 en 4, is begrepen: het invoeren van de voorwerpen of goederen, waarin de middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling van wie het ook zij, met betrekking tot de hier te lande aanwezige, niet in het vrije verkeer gebrachte middelen zelve, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.
3. Onder uitvoering van middelen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, is begrepen: het uitvoeren van de voorwerpen of goederen, waarin de middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer aangeven en het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar- of voertuig aanwezig hebben van de zich hier te lande in het vrije verkeer bevindende middelen zelve, of van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”
- Art. 3
“1. Het is verboden:
a. opium, waaronder te verstaan ruw opium en medicinaal opium,
b. bereid opium,
c. ruwe cocaïne en ecgonine,
d. morphine, diacetylmorphine, cocaïne en hare respectieve zouten,
e. enige bereiding van de onder a, b, c of d bedoelde stoffen,
f. de door de minister aan te wijzen middelen, welke onder de werking van het Enkelvoudig Verdrag zijn gebracht en bewustzijnsbeïnvloedende middelen, welke bij aanwending bij de mens kunnen leiden tot schade voor zijn gezondheid of tot schade voor de samenleving.
A.
in, uit of door te voeren,
[…]
3.3
Aan de verdachte is – na wijziging en verbeterde lezing – onder 4 en 5 tenlastegelegd dat:

FEIT 4:
MEDEPLEGEN INVOER EN UITVOER VERDOVENDE MIDDELEN
dat hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2019 tot en met 08 februari 2021 te Curaçao en/of Sint Maarten en/of Nederland en/of en/of Frankrijk en/of België en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,
- een of meerdere (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of hennep, althans enige bereiding van cocaïne en/of hennep, althans een middel als bedoeld in 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13) en/of
- (uit Sint Maarten naar Frankrijk) in of omstreeks de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020 een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of hennep, althans enige bereiding van cocaïne en/of hennep, althans een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13),
zijnde cocaïne en/of hennep (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
FEIT 5:
MEDEPLEGEN INVOER EN UITVOER VERDOVENDE MIDDELEN
dat hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao en/of Nederland en/of Frankrijk en/of elders ter wereld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend,
- (uit Curaçao naar Frankrijk) een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, althans een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13),
zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening Pro 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13).”
3.4
Ten laste van de verdachte is – voor zover hier van belang – bewezenverklaard dat:

Feit 4:
hij in de periode van 13 augustus 2020 tot en met 14 augustus 2020 tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk uit Sint Maarten heeft uitgevoerd en in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 30 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;
Feit 5:
hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 tezamen en vereniging met een ander of anderen opzettelijk in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.”
3.5
Het Hof heeft met betrekking tot het onder 4, 5 (en 6) bewezenverklaarde het volgende overwogen:
“Dat het bewijs uitsluitend berust op de inhoud van chatgesprekken, is feitelijk onjuist. Immers is door de douane in Frankrijk in januari 2021 een lading cocaïne aangetroffen in een zeecontainer waarmee, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, de verdachte in verband kan worden gebracht. Dit gegeven is niet alleen redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde onder feit 5, maar draagt naar het oordeel van het Hof, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, tevens bij aan het bewijs van de feiten 4 en 6. Ten aanzien van feit 4 overweegt het Hof dat weliswaar geen cocaïne is aangetroffen, maar dat op basis van de bewijsmiddelen en gezien het voorgaande buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het om cocaïne ging.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen leidt het Hof voorts af dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de (voorbereidingshandelingen voor de) uitvoer van cocaïne vanuit het Caribisch gebied en invoer daarvan in Frankrijk.
Het Hof kan zich in belangrijke mate vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van deze feiten en neemt deze grotendeels, namelijk als volgt, over:
"Het bewijs van de onderhavige feiten berust in aanzienlijke mate op de inhoud van de uit de telefoon van de verdachte inzichtelijk gemaakte chatgesprekken die de verdachte via de platforms Signal en Whatsapp voerde met onder anderen [betrokkene 3] . Anders dan de raadsvrouw ziet het gerecht geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [betrokkene 3] in deze chats steeds de gesprekspartner van de verdachte is, nu deze vaststelling blijkens de bewijsmiddelen niet alleen is gebaseerd op de herkenning van diens stem, maar ook op de door [betrokkene 3] gestuurde video-opnamen, waarin hij zich persoonlijk richt tot de verdachte.
De gespreksdeelnemers spreken niet met zoveel woorden over cocaïne, er worden nauwelijks (volledige) namen genoemd en men gebruikt codetaal en verhullende termen zoals "blokken", "papier", "druk zetten" en "dingen".
Naar het oordeel van het gerecht blijkt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, echter zonneklaar dat de desbetreffende gesprekken betrekking hebben op een transport van 30 kilo cocaïne per vliegtuig naar Parijs half augustus 2020. (...) Zo blijkt uit de toezending door [betrokkene 3] aan de verdachte van foto's van (met in plastic verpakte) blokken, koffers en bagagelabels met een gezamenlijk gewicht dat overeenkomt met de 30 kilo waarover [betrokkene 3] en de verdachte spreken, vergezeld van de waarschuwing deze foto's aan niemand door te sturen, zonder enige twijfel dat de voor het bewijs gebezigde communicatie tussen hen betrekking heeft op een in die (in Parijs aangekomen) koffers verpakte hoeveelheid cocaïne van ongeveer 30 kilo.
Ten aanzien van de partij van 172 kilo is dat verband zo mogelijk nog duidelijker. [betrokkene 3] stuurt ook in dit geval weer foto's van in plastic verpakte blokken aan de verdachte toe, ditmaal vergezeld van de door deze partij te volgen route, eindigend in Le Havre. Op andere door [betrokkene 3] aan de verdachte toegezonden foto's is de bestemming Le Havre goed te lezen, in een schrijfwijze die exact overeenkomt met die op de in Le Havre aangetroffen dozen, waarin zich ook daadwerkelijk pakketten met cocaïne bleken te bevinden.
Weliswaar is het [betrokkene 3] die in de communicatie met de verdachte het meest aan het woord is, maar de verdachte laat op essentiële momenten blijken dat hij begrijpt wat de bedoeling is, door te zeggen dat hij zal spreken met bepaalde mensen, dingen zal regelen etc. Ook heeft [betrokkene 3] het over "de twee koffers, die we hebben laten sturen" en "10 voor ons gaat in de koffer". De verdachte laat op geen enkel moment blijken dit niet te begrijpen of daar afstand van te nemen. Met betrekking tot het transport van 172 kilo cocaïne wordt de verdachte door [betrokkene 3] stap voor stap op de hoogte gehouden van het verloop van het transport over zee. Op 17 januari 2021 vraagt de verdachte aan [betrokkene 3] waar en wat er uitgehaald moet worden en geeft de verdachte aan dat hij zal kijken zodat de chauffeur er morgen kan zijn."
In aanvulling op het voorgaande, overweegt het Hof als volgt.
Nadat het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg was gewezen, heeft de politie nader onderzoek verricht aan de telefoon die, na zijn aanhouding, in de hotelkamer van de verdachte was aangetroffen en in beslag genomen (een Iphone 7).
Uit eerder onderzoek was al gebleken dat in de telefoon berichten werden aangetroffen, verstuurd met een tweetal SKY-accounts, te weten [account 1] en [account 2] .
Uit het nadere onderzoek is gebleken, dat er meerdere berichten konden worden ontsleuteld.
Uit die (nieuwe) berichten bleek onder meer dat:
- foto's werden aangetroffen die ook waren aangetroffen in de Iphone 11 van de verdachte (en waarvan onbetwist is dat de verdachte daarvan de gebruiker was), zoals foto's van (onderdelen van) de zeecontainer waarin de Franse douane 172kg cocaïne heeft aangetroffen en een foto met de vermoedelijke route van het schip waarin deze was vervoerd;
- voorts communicatie werd aangetroffen die in verband kan worden gebracht met de invoer van de 172kg cocaïne in Frankrijk.
Deze nieuwe bevindingen zijn ter zitting in hoger beroep aan de verdachte voorgehouden en hem is gevraagd om een reactie. De verdachte beriep zich (bij herhaling) op zijn zwijgrecht.
Uit deze nadere bevindingen, in samenhang bezien met de resultaten van het onderzoek aan de Iphone 11 die onder de verdachte in beslag was genomen, leidt het Hof af dat a) de Iphone 7 die is aangetroffen in de hotelkamer van de verdachte in het [...] resort, anders dan de verdachte heeft verklaard, wel degelijk bij hem in gebruik is geweest en b) dat hij de gebruiker was van de accounts [account 2] en [account 1] en dat hij met/via die accounts berichten heeft verzonden en ontvangen die samenhangen met de (voorbereidingshandelingen voor) handel in hard drugs.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht het Hof, evenals het Gerecht, de feiten 4, 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen.”
3.6
De strafmotivering bevat – voor zover hier van belang – onder meer de volgende overweging:
“De verdachte heeft zich binnen de criminele organisatie onder meer bezig gehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van die internationale drugshandel en meer in het bijzonder met het vervullen van een coördinerende rol bij twee transporten
betreffende de uitvoer vanuit het Caribisch gebied naar Frankrijk(curs. D.P.) van aanzienlijke handelshoeveelheden cocaïne.”
3.7
Het Hof heeft onder 4 bewezenverklaard dat de verdachte verdovende middelen heeft ‘uitgevoerd’ uit Sint Maarten en in Frankrijk heeft ‘ingevoerd’ ‘in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960’. Ik lees de bewezenverklaring zo dat het bewezenverklaarde strafrechtelijke verwijt inhoudt dat de verdachte cocaïne heeft ‘uitgevoerd in de zin van art. 1 lid 3 Opiumlandsverordening Pro’ en niet (ook) dat de verdachte deze in Frankrijk heeft ‘ingevoerd’. ‘Invoer’ wordt namelijk niet genoemd in art. 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening, waar slechts ‘uitvoer’ wordt genoemd. Het Hof heeft de ‘invoer in Frankrijk’ kennelijk slechts als verfeitelijking van het in art. 1 lid 3 voorkomende Pro ‘met bestemming naar het buitenland vervoeren’ in de bewezenverklaring opgenomen. Daarbij merk ik ten overvloede op dat het invoeren van verdovende middelen in Frankrijk niet onder invoer als bedoeld in art. 1 lid 2 van Pro de Opiumlandsverordening valt en daarmee ook niet onder de strafbaarstelling van art. 3 lid 1 van Pro de Opiumlandsverordening. Bij de door mij voorgestane lezing mist het middel feitelijke grondslag.
3.8
Onder 5 is door het Hof bewezenverklaard dat de verdachte drugs in Frankrijk heeft ingevoerd ‘in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960’. Ik meen dat als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring niet de (tenlastegelegde) ‘uitvoer’ vanuit Curaçao is opgenomen. Het Hof heeft immers in zijn bewezenverklaring gerefereerd aan art. 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening, wat louter betrekking heeft op ‘uitvoer’ van verdovende middelen. Onder verwijzing naar hetgeen ik in randnummer 3.8 van deze conclusie heb opgemerkt, meen ik dat het Hof de ‘invoer’ kennelijk slechts als verfeitelijking van het kernverwijt heeft willen opnemen in de bewezenverklaring. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring van feit 5 verbeterd lezen, waarmee de feitelijke grondslag aan het middel komt te ontvallen. Het onder feit 5 bewezenverklaarde kan worden gelezen als ware bewezenverklaard (curs. D.P.):
“hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 tezamen en vereniging met een ander of anderen opzettelijk
uit Curaçao heeft uitgevoerden in Frankrijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1, lid 3, van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.”
3.9
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Beide middelen falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 500.00014/21.
2.Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Hofstee van 23 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:54, randnummers 12 tot en met 22, waarin hij uitgebreid ingaat op het opzet van de uitlokker.
3.HR 29 april 1997,
4.HR 8 maart 1920, ECLI:NL:HR:1920:140,
5.De vraag of die ‘belofte’ is nagekomen is voor de bewezenverklaring van ‘uitlokking’ niet relevant.
6.Zie de bewijsoverwegingen op pagina’s 17 tot en met 20, met name op pagina’s 17 en 18: