Art. 416 lid 2 SvArt. 434 lid 1 SvArt. 36e lid 1 en 2 SvArt. 36h lid 1 SvArt. 413 lid 1 Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging arrest wegens onduidelijke betekening oproeping in hoger beroep
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens vermeende rechtsgeldige betekening van de oproeping. Het hoger beroep betrof een veroordeling voor het opzettelijk nalaten van het verstrekken van gegevens en het plegen van witwassen, met een gevangenisstraf van 15 maanden.
De kern van het cassatieberoep betrof de vraag of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep rechtsgeldig was betekend aan het BRP-adres van de verdachte. Uit de stukken bleek dat de verdachte sinds april 2024 stond ingeschreven op een briefadres ([c-straat 1]) en een woonadres ([a-straat 1]). Pogingen om de oproeping uit te reiken aan het woonadres waren tevergeefs, en de uitreiking aan het briefadres was onduidelijk en mogelijk niet volgens de wettelijke vereisten verlopen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de oproeping rechtsgeldig was betekend aan het briefadres, mede omdat uit het proces-verbaal bleek dat de opsporingsambtenaren ten onrechte hadden aangenomen dat het briefadres een postadres was en daarom geen poging hadden gedaan de oproeping daar uit te reiken. De uitreiking aan het openbaar ministerie voldeed niet aan de vereisten voor betekening aan het BRP-adres.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot vernietiging en terugwijzing, zonder dat ambtshalve andere gronden tot vernietiging werden gevonden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onduidelijke betekening en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03482
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
1.Inleiding
1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem bij arrest van 1 juli 2024 (parketnr. 21-005060-21) niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het hoger beroep was gericht tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 11 november 2021, waarbij de verdachte in de zaak met parketnr. 05-820159-15 is veroordeeld wegens onder 1 “in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming” en onder 2 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”. De rechtbank heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 15 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/03481. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2.Waar het in cassatie om gaat
2.1
Het hof heeft verstek verleend tegen de verdachte en haar niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 416 lid 2 SvPro. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het middel slaagt.
3.Het middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte rechtsgeldig is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep op de grond dat uit de stukken niet kan blijken dat de oproeping is uitgereikt aan het BRP-adres van de verdachte en/of aan het feitelijke woon- of verblijfadres van de verdachte en/of dat die oproeping per brief aan het feitelijke woon-of verblijfadres van de verdachte is toegestuurd.
3.2
Bij de op de voet van art. 434 lid 1 SvPro aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich voor zover in cassatie van belang: [1]
i. de Informatiestaat SKDB-persoon van 23 april 2024, waarin onder meer is vermeld:
a. als BRP-adres van de verdachte sinds 9 april 2024 [a-straat 1] , [postcode] [plaats] , waarbij is aangegeven dat het gaat om een woonadres
b. als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [b-straat 1] , [postcode] [plaats]
c. dat de verdachte niet is gedetineerd;
ii. een “akte van uitreiking niet in persoon” van de oproeping voor de terechtzitting van 1 juli 2024, ingevuld op 17 mei 2024, voor het adres [a-straat 1] waaruit blijkt dat de oproeping na twee pogingen [2] niet is uitgereikt omdat niemand aanwezig was of bereid was de oproeping aan te nemen;
iii. een “akte van uitreiking buitenland/uitsturende autoriteit” van de oproeping voor de terechtzitting van 1 juli 2024, ingevuld op 30 mei 2024, voor het adres [c-straat 1] , [postcode] [plaats] waaruit blijkt dat de verdachte bij controle van de BRP op de dag van de aanbieding van de oproeping en vijf dagen daarna in de BRP stond ingeschreven op het adres en dat de brief is uitgereikt aan het openbaar ministerie en een afschrift is verzonden aan het op de akte vermelde adres;
iv. de Informatiestaat SKDB-persoon van 12 juni 2024, waarin onder meer is vermeld
a. als BRP-adres van de verdachte sinds 22 april 2024 [c-straat 1] , [postcode] [plaats] , waarbij is aangegeven dat het gaat om een briefadres
b. als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [b-straat 1] , [postcode] [plaats]
c. dat de verdachte niet is gedetineerd;
v. een oproeping van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 14 juni 2024 inhoudende dat de verdachte wonende te [c-straat 1] , [postcode] [plaats] wordt gedagvaard om op 1 juli 2024 ter terechtzitting te verschijnen;
vi. een oproeping van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 14 juni 2024, toegezonden aan de raadsvrouw van de verdachte inhoudende dat de verdachte, wonende te [c-straat 1] , [postcode] [plaats] wordt gedagvaard om op 1 juli 2024 ter terechtzitting te verschijnen;
vii. een “akte van uitreiking niet in persoon” van de oproeping voor de zitting van 1 juli 2024, ingevuld op 15 juni 2024, voor het adres [c-straat 1] waarop is aangevinkt dat de geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont en bij “Adres en plaats van handeling” [a-straat 1] , [plaats] is ingevuld;
viii. een proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2024 met onder meer de volgende inhoud:
“Op vrijdag 15 juni 2024 kregen wij het verzoek van het Resortsparket Arnhem-Leeuwarden, oproepingen uit te reiken aan ondergenoemde [verdachte] . Zij staat ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats] .
Dat is echter een postadres, te weten het gemeentehuis van [plaats] . In de politiesystemen is als laatstgenoemde woonadres [a-straat 1] te [plaats] bekend. Op mijn verzoek heeft [verbalisant] op dit adres getracht de oproepingen uit te reiken. Echter woont op dit adres een andere gezin, die genoemde [verdachte] niet kent en niet weet waar de vorige bewoonster nu verblijft.
Derhalve is het niet gelukt om genoemde oproepingen uit te reiken.”
ix. een “akte van uitreiking buitenland/uitsturende autoriteit” van de oproeping voor de terechtzitting van 1 juli 2024, ingevuld op 25 juni 2024, voor het adres [c-straat 1] , [postcode] [plaats] waaruit blijkt dat de verdachte bij controle van de BRP op de dag van de aanbieding van de oproeping en vijf dagen daarna in de BRP stond ingeschreven op het adres en dat de brief is uitgereikt aan het openbaar ministerie;
x. een e-mail verstuurd op 25 juni 2024 van een administratief medewerker van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan de raadsheren in hoger beroep waarin zij een mail van een medewerker van het openbaar ministerie aan de strafgriffie van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden doorstuurt. De doorgestuurde e-mail houdt onder meer het volgende in: [3]
“Op verzoek had ik per politie inzake [verdachte] adres [c-straat 1] laten uitreiken.
Zie bijlage akte met het pv bevindingen politie en de OM Betekening.
AUB voegen in de betekeningsstukken.”
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juli 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter merkt op dat de raadsvrouw van verdachte, mr. M. Hilhorst te Utrecht bij e- mailbericht van 28 juni 2024 het hof te kennen heeft gegeven dat zij zich genoodzaakt ziet om zich terug te trekken als advocaat uit deze zaak, omdat zij heeft getracht in contact te komen met haar cliënte maar dit niet is gelukt. De raadsvrouw heeft aangegeven al meer dan een jaar geen contact met haar te hebben gehad.
De advocaat-generaal merkt op dat dit e-mailbericht hem niet heeft bereikt.
Opmerking griffier, de griffier stuurt voornoemd e-mailbericht naar de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal voert het woord:
Er zijn geen grieven en volgens mij is de dagvaarding goed betekend.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De voorzitter voert het woord:
Het hof was voor aanvang van de zitting in de veronderstelling dat de oproeping niet is gegaan naar het adres [c-straat 1] te [plaats] , maar dit bleek later toch wel al gedaan te zijn. Daarnaast is in mei 2024 een oproeping gegaan naar [a-straat 1] te [plaats] . Er was niemand aanwezig. Op een eerdere zitting in november 2022 is een brief uitgegaan naar een adres in Kroatië. Dat is nu niet gebeurd.
De advocaat-generaal voert het woord:
Ik heb dezelfde informatie als het hof. Zoals ik het zie, hoeft er ook geen brief uit te gaan naar Kroatië. Sindsdien is er een Nederlands adres en de oproeping is op dat adres betekend. In mijn optiek is de dagvaarding dan ook op juiste wijze betekend. De raadsvrouw heeft ook getracht contact te krijgen met verdachte. Ik zie geen reden om anders te kijken naar de betekening. Ik verzoek de zaak niet aan te houden om de dagvaarding te versturen naar Kroatië.
De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor inhoudende dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, op grond van het bepaalde in artikel 416 tweedePro lid van het Wetboek van Strafvordering en overlegt die aan het hof.
Het hof trekt zich terug voor beraad.
Na gehouden beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat het hof onmiddellijk mondeling uitspraak zal doen:
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416 tweedePro lid van het Wetboek van Strafvordering, nu de niet verschenen maar wel rechtsgeldig opgeroepen verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de meervoudige kamer en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof ziet geen aanleiding om een oproeping te versturen naar andere adressen dan reeds is gedaan. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.”
3.4
Het bestreden arrest van 1 juli 2024 houdt onder meer het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is, evenals ter terechtzitting in eerste aanleg, niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen (ondanks dat in beide instanties de zaak ter zitting is aangehouden om het mogelijk te maken dat zij ter zitting zou verschijnen). De voormalig raadsvrouw van de verdachte, mr. M.P. Hilhorst, advocate te Utrecht, heeft zich per mailbericht op 28 juni 2024 aan de zaak onttrokken. Zij heeft via het openbaar ministerie het hof laten weten dat zij getracht heeft in contact te komen met verdachte, maar dat dit haar niet is gelukt. Zij heeft aangegeven al meer dan één jaar geen contact met haar te hebben gehad.
Het hof stelt vast dat voldaan is aan de regels die zijn gesteld ten aanzien van de betekening van de oproeping om ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Tevens is voor zover redelijkerwijs mogelijk door eerder, net als in eerste aanleg, het onderzoek in de zaak aan te houden getracht het mogelijk te maken dat de verdachte haar recht kan uitoefenen om in hoger beroep in haar aanwezigheid te worden berecht. Alhoewel uit de correspondentie over het aanhoudingsverzoek uit 2022 en het proces-verbaal van aanhouding van de zitting van november 2022 valt af te leiden dat de verdachte (destijds) nog altijd in Nederland zou wonen althans daar toen medische behandeling heeft ondergaan, heeft zij haar werkelijke huidige woon- of verblijfplaats kennelijk niet aan de gemeentelijke administratie noch aan het openbaar ministerie doorgegeven. Evenmin heeft zij met haar advocaat contact gehouden, ondanks dat haar bekend was dat de zaak in hoger beroep nog moest dienen.
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen mondelinge of schriftelijke bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.5
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 36e lid 1 en 2 Sv luidde ten tijde van de proceshandelingen: [4]
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
- Art. 1.1 aanhef en onder p en r Wet basisregistratie personen:
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
p. het briefadres:het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen;
[…]
r. de briefadresgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in artikel 2.42, die een briefadres ter beschikking stelt”
- Art. 2.45 lid 2 en 3 Wet BRP:
“2. In de aangifte van een briefadres worden de redenen voor de aangifte van een briefadres medegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever.
3. De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichten daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld.”
3.6
Als betekening in persoon niet is voorgeschreven [5] en de gerechtelijke mededeling in Nederland wordt aangeboden, geschiedt de uitreiking van de mededeling op grond van art. 36e lid 1 aanhef en onder b onder 1° Sv aan het BRP-adres van de verdachte. Indien de verdachte niet op dat adres wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking volgens art. 36e lid 2 aanhef en onder a Sv aan degene die zich op dat adres bevindt en zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. Ingevolge lid 2 aanhef en onder b wordt, indien geen uitreiking heeft kunnen plaatsvinden aan de verdachte dan wel aan een huisgenoot, de mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Daarna moet het BRP-adres worden geverifieerd; als uit die verificatie blijkt dat de verdachte op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen daarna als ingezetene was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt een afschrift van de mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres. Tot 1 juli 2025 gold daarbij de eis om, naast een afschrift aan het BRP-adres, een afschrift toe te zenden aan het door de verdachte opgegeven adres in Nederland waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. [6] Deze toezendingen maken geen deel uit van de betekening. [7]
3.7
Verder is van belang dat – bij het ontbreken van een “woonadres” – een “briefadres” als bedoeld in art. 1.1 onder p van de Wet BRP het adres is waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de BRP en waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden betekend. [8] De “briefadresgever” als bedoeld in art. 1.1 onder r van de Wet BRP is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een briefadres ter beschikking stelt. De “briefadresgever” moet volgens art. 2.45 lid 2 Wet BRP ermee instemmen “briefadresgever” te zijn. Op grond van het derde lid draagt de “briefadresgever” zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld. Een “briefadres” onderscheidt zich daarmee van een “(post)adres” als bedoeld in art. 36g Sv, dus van het laatste door de verdachte opgegeven adres waaraan mededelingen kunnen worden toegezonden. [9] Aan het “(post)adres” vinden geen uitreikingen plaats; het gaat om een adres waaraan in de in art. 36g Sv genoemde gevallen een afschrift wordt toegezonden. Anders dan bij het “briefadres” geldt bij een adres als bedoeld in art. 36g Sv niet de verplichting zorg te dragen dat de mededeling aan de houder van het briefadres wordt doorgegeven of medegedeeld. [10]
3.8
Volgens de steller van het middel kan − anders dan de voorzitter van het hof op de zitting van 1 juli 2024 heeft medegedeeld − uit de stukken niet blijken dat de oproeping om op 1 juli 2024 ter terechtzitting te verschijnen is betekend aan [c-straat 1] , 6715 EK [plaats] (hierna: [c-straat 1] ), het adres waarop de verdachte per 22 april 2024 stond ingeschreven. Daartoe voert zij aan dat de “akte van uitreiking buitenland/uitsturende autoriteit” ingevuld op 30 mei 2024 (onder 3.2 (iii)) slechts een uitreiking is aan het openbaar ministerie, dat de enkele vermelding op die akte dat de uitreiking van de oproeping eerder niet was gelukt of niet mogelijk was niet als een (bevestiging van een) eerdere, rechtsgeldige uitreiking aan [c-straat 1] kan gelden en dat ten onrechte enkel een afschrift van de oproeping zou zijn verzonden aan dat adres. Voor de “akte van uitreiking buitenland/uitsturende autoriteit” ingevuld op 25 juni 2024 (onder 3.2 (ix)) geldt dat deze om dezelfde redenen niet als rechtsgeldige uitreiking aan [c-straat 1] kan gelden en dat, zelfs indien dit anders zou zijn, niet kan blijken dat die uitreiking heeft plaatsgevonden met inachtneming van de in art. 413 lid 1 SvPro vermelde termijn van 10 dagen en/of dat de verdachte zou hebben ingestemd met verkorting van die termijn. Evenmin kan – aldus nog steeds de steller van het middel – de “akte van uitreiking/niet in persoon” ingevuld op 15 juni 2024 (onder 3.2 (vii)) worden aangemerkt als een akte van uitreiking op het BRP-adres, nu de plaats van handeling ziet op een ander adres, en blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2024 ervan moet worden uitgegaan dat de opsporingsambtenaren kennelijk zelfstandig hebben besloten de uitreiking niet aan het [c-straat 1] te doen, maar in plaats daarvan te betekenen aan [a-straat 1] , [postcode] [plaats] . Ten slotte voert zij aan dat art. 36e lid 2 aanhef en onder b Sv bepaalt dat als een uitreiking aan het BRP-adres niet kan geschieden, de mededeling wordt uitgereikt aan de uitsturende autoriteit en dat na verificatie van het BRP-adres een afschrift van de mededeling onverwijld wordt toegezonden aan het BRP-adres en aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven. Aan het laatst opgegeven adres van de verdachte, te weten [b-straat 1] , [postcode] [plaats] is niet zo’n afschrift toegezonden.
3.9
Op het proces-verbaal van de terechtzitting en op het bestreden arrest − beide van 1 juli 2024 – staan als gegevens van de verdachte: “wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] , postadres te [postcode] [plaats] , [c-straat 1] .” Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juli 2024 blijkt voorts dat de voorzitter van het hof heeft opgemerkt dat is gebleken dat de oproeping naar [c-straat 1] is gegaan (zie onder 3.3). In het bestreden arrest heeft het hof overwogen dat is voldaan aan de regels die zijn gesteld ten aanzien van de betekening van de oproeping (zie onder 3.4).
3.1
Op grond van de onder 3.2 i, ii en iii opgenomen stukken kan ervan worden uitgegaan dat de verdachte vanaf 9 april 2024 in de BRP stond ingeschreven op het woonadres [a-straat 1] , dat tevergeefs twee keer is gepoogd de oproeping uit te reiken op dat adres, dat de oproeping op 30 mei 2024 is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat ook – na verificatie van de BRP-gegevens − een afschrift is verzonden aan [c-straat 1] . Uit de onder 3.2 iv en vii opgenomen stukken blijkt dat de verdachte vanaf 22 april 2024 in de BRP stond ingeschreven op het briefadres [c-straat 1] , dat de akte op 15 juni 2024 niet kon worden uitgereikt omdat de verdachte niet (meer) op het vermelde adres woonde, dat wil zeggen het op de akte gedrukte adres “ [c-straat 1] ”, en dat op de akte als met de hand ingevuld “adres en plaats van handeling” is opgenomen “ [a-straat 1] , [plaats] ”. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2024, opgenomen onder 3.2 viii, blijkt dat het openbaar ministerie de verbalisanten had verzocht om de oproeping uit te reiken op [c-straat 1] , dat dit het postadres van het gemeentehuis van [plaats] is, dat het laatst bekende woonadres [a-straat 1] is, dat gepoogd is de oproeping op dat adres uit te reiken maar dat de verdachte daar niet meer woont.
3.11
Gelet op het voorgaande en op hetgeen onder 3.6 en 3.7 is vooropgesteld is het oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Uit de betekeningsstukken volgt dat het [c-straat 1] vanaf 22 april 2024 het “briefadres” van de verdachte was, dat wil zeggen het adres waar de verdachte als ingezetene was ingeschreven in de BRP waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden betekend. Uit de stukken valt echter niet met voldoende zekerheid af te leiden dat, zoals is voorgeschreven in art. 36e lid 1 aanhef en onder b onder 1° Sv, een poging is gedaan om de oproeping op dat adres uit te reiken. Op de akte van uitreiking van 15 juni 2024 is aangevinkt dat de “geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont”, maar vanwege het navolgende is niet duidelijk of het dan gaat om [c-straat 1] (het op de akte gedrukte adres) of om [a-straat 1] (het handgeschreven adres ingevuld bij “adres en plaats van handeling”) (zie onder 3.2 vii). Op zichzelf bezien zou wanneer men het schema op het formulier van boven naar beneden volgt het aangevinkte onderdeel dat de “geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woont” betrekking moeten hebben op het daarboven afgedrukte adres ( [c-straat 1] ). Dat aangevinkte onderdeel – waarin het tussen haakjes geplaatste woord “meer” kennelijk niet steeds van toepassing hoeft te zijn – is immers een passende aanduiding van de situatie nu het bij [c-straat 1] om het adres van de Gemeente [plaats] [11] gaat en de verdachte daar dus niet woonachtig zal zijn. Allesbehalve zeker is echter of dit ook zo is bedoeld door de bezorger die het formulier heeft ingevuld ( [verbalisant] ) en bij zijn handtekening “ND: [betrokkene 1] ” heeft vermeld. In het over de uitreiking opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2024 verklaart voornoemde [betrokkene 1] namelijk dat verbalisanten op 15 juni 2024 het verzoek kregen de oproepingen uit te reiken aan de verdachte, dat zij stond ingeschreven op [c-straat 1] , dat dit “echter” een “postadres” van de gemeente [plaats] was, dat als laatstgenoemd woonadres [a-straat 1] bekend was en dat op zijn ( [betrokkene 1] ) verzoek [verbalisant] getracht heeft op “dit adres” de oproepingen uit te reiken, maar dat op “dit adres” een ander gezin woonde dat de verdachte niet kent en niet weet waar de verdachte verbleef (zie onder 3.2 viii). Het proces-verbaal houdt daarmee niet in dat daadwerkelijk is gepoogd de oproeping uit te reiken op [c-straat 1] , maar wijst juist in een andere richting, namelijk dat de verbalisanten kennelijk − ten onrechte − tot de conclusie zijn gekomen dat het bij [c-straat 1] slechts om een postadres ging (in plaats van een briefadres, zoals blijkt uit Informatiestaat SKDB-persoon van 12 juni 2024; zie onder 3.2 iv) en dat om die reden de oproeping daar niet behoefde te worden uitgereikt.
3.12
Dat volgens de “akte van uitreiking buitenland/uitsturende autoriteit” ingevuld op 30 mei 2024 de oproeping is uitgereikt aan het openbaar ministerie maakt het bovenstaande niet anders. Een uitreiking aan de uitsturende autoriteit vindt ingevolge art. 36e lid 2 aanhef en onder b Sv pas plaats indien de uitreiking aan (in dit geval) het BRP-adres niet heeft kunnen geschieden, zoals ook is uitgedrukt met het op de akte gedrukte tekstblok “De uitreiking is eerder niet gelukt of was niet mogelijk.” De “akte van uitreiking buitenland/uitsturende autoriteit” van 30 mei 2024 betreft dus enkel de uitreiking aan het openbaar ministerie. De vermelding op die akte dat de uitreiking eerder niet is gelukt of niet mogelijk was kan niet zelfstandig gelden als een akte c.q. bewijs van uitreiking aan een ander adres; zie in dit verband ook art. 36h lid 1 Sv, inhoudende dat een akte wordt opgemaakt van elke uitreiking als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv. De “akte van uitreiking buitenland/uitsturende autoriteit” van 30 mei 2024 zou daarom gepaard moeten gaan met een andere akte van uitreiking waaruit blijkt dat het − op een datum op of voor 30 mei − niet gelukt is of niet mogelijk was uit te reiken op [c-straat 1] . Van zodanige akte blijkt echter niet uit de stukken.
3.13
Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat (tijdig) is gepoogd de oproeping uit te reiken op [c-straat 1] , is dat oordeel gelet op het voorgaande zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Voor zover het hof van oordeel is dat het bij [c-straat 1] om een (post)adres gaat, waarop de oproeping niet behoefde te worden uitgereikt, is dat oordeel eveneens onbegrijpelijk nu uit de stukken blijkt dat [c-straat 1] vanaf 22 april 2024 het briefadres van de verdachte was en de oproeping daar − gelet op art. 36e lid 1 aanhef en onder b onder 1° Sv en op hetgeen onder 3.7 is vooropgesteld − had moeten worden uitgereikt.
3.14
Gelet daarop is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld en behoeft de klacht voor het overige geen bespreking meer.
4.Afronding
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.De betekeningsstukken van de eerste terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2022 zijn in dit overzicht niet opgenomen nu uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte voorafgaand aan die zitting heeft verzocht om de zaak aan te houden omdat de verdachte een zware hartaanval heeft gehad, de raadvrouw de verdachte niet heeft gesproken over de zaak en de raadsvrouw zich afvraagt of de verdachte wel voldoende hersteld is om de terechtzitting bij te wonen. Het hof heeft de zaak vervolgens aangehouden en het onderzoek geschorst.
2.De data van de twee pogingen zijn niet goed leesbaar, vermoedelijk gaat het om 4 maart 2024 en 15 mei 2024.
3.Dit stuk is enkel aan de Hoge Raad toegezonden in de samenhangende ontnemingszaak in welke ik vandaag ook concludeer. De stukken waarnaar in de mail wordt verwezen en die ook achter de e-mail zijn gevoegd − de “akte met het pv bevindingen politie en de OM Betekening” – zijn de stukken reeds weergegeven onder 3.2 onder vii, viii en ix. Ik ga ervan uit dat dit stuk per abuis enkel in de ontnemingszaak aan de Hoge Raad is toegezonden.
4.Deze versie van de wettekst gold tot 1 juli 2025.
5.Betekening in persoon is slechts in een beperkt aantal gevallen voorgeschreven, waaronder in het geval dat de verdachte gedetineerd is.
6.Per 1 juli 2025 is dit onderdeel van het artikel geschrapt nu volgens de memorie van toelichting “[…] toezending van een afschrift aan eerder door de betrokkene opgegeven adressen kan […] leiden tot het versturen van vertrouwelijke, strafrechtelijke informatie aan adressen waarop de kans klein is dat de geadresseerde zich daar daadwerkelijk bevindt. Dit is onbedoeld en vanuit gegevensbeschermingbelang onwenselijk.”. Zie
7.Zie bijv. HR 12 oktober 2021, ECLl:NL:HR:2021:1506,
11.Volgens de webpagina “ [website] ” van de Gemeente [plaats] gaat het bij [c-straat 1] om het “Werkplein” van de Gemeente [plaats] , bestaande uit de loketten “Sociaal plein”, “Aanvullend inkomen”, “Loket Digihulp”, “Juridisch loket, “Maatschappelijke opvang” en “Sociaal Raadslieden”.