Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:444

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
26/00192
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 lid 2 WvggzArt. 9:7 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt zorgmachtiging met opname in accommodatie als verplichte zorg

Betrokkene was onderworpen aan een zorgmachtiging die door de rechtbank Rotterdam was verleend voor twaalf maanden, maar deze werd door de Hoge Raad vernietigd wegens overschrijding van de beslistermijn. De Hoge Raad bepaalde dat de zorgmachtiging slechts voor zes maanden geldig was. Vervolgens vroeg de officier van justitie een nieuwe zorgmachtiging aan voor twaalf maanden, waarvan zes maanden werden toegewezen, inclusief de verplichte zorgvorm 'opnemen in een accommodatie'. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, met name gericht op de opname in een accommodatie.

De rechtbank had op basis van medische verklaringen en het zorgplan vastgesteld dat betrokkene lijdt aan schizofrenie en een stoornis in middelengebruik, met ernstig nadeel als gevolg van zijn psychische stoornis. Betrokkene was onvoldoende bereid tot vrijwillige behandeling en accepteerde medicatie alleen omdat de rechter dat had bepaald. De sociaal psychiatrische verpleegkundigen bevestigden dat betrokkene alleen depotmedicatie accepteert en verder niet meewerkt.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank voldoende heeft gemotiveerd waarom opname in een accommodatie noodzakelijk is, ook al is opname vooral relevant als betrokkene medicatie zou weigeren. De beperking van de zorgmachtiging tot zes maanden houdt rekening met mogelijke stabilisatie. Bovendien betekent het toestaan van een zorgvorm niet automatisch dat deze ook feitelijk wordt toegepast, omdat een aparte uitvoeringsbeslissing vereist is. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging met opname in een accommodatie als verplichte zorg wordt bevestigd voor zes maanden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00192
Zitting1 mei 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. D. Rijpma,
tegen
De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
De Hoge Raad heeft eerder een beslissing tot het verlenen van opvolgende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene vernietigd voor zover die was verleend voor twaalf maanden, omdat niet tijdig binnen de beslistermijn van drie weken op het verzoek van de officier van justitie was beslist en de lopende zorgmachtiging daardoor was vervallen. [1] Het daarop door de officier van justitie ingediende verzoek voor een nieuwe zorgmachtiging van twaalf maanden is in deze zaak toegewezen voor zes maanden voor alle verzochte vormen van verplichte zorg, met uitzondering van één zorgvorm die de rechtbank niet noodzakelijk achtte. Het ‘opnemen in een accommodatie’ is wel toegewezen als vorm van verplichte zorg. Betrokkene is het daar niet mee eens. De in cassatie aangevoerde klacht gaat daarover.
1.2
Ik meen dat de klacht faalt omdat de rechtbank gelet op het geheel van informatie over de toestand van betrokkene, zoals blijkend uit het dossier (met name de medische verklaring) en het verhandelde ter zitting, voldoende toereikend heeft gemotiveerd waarom het opnemen in een accommodatie diende te worden toegestaan.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij beschikking van 24 april 2025 heeft de rechtbank Rotterdam (hierna:
de rechtbank)ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 24 april 2026. Het verzoek van de officier van justitie was ingediend op 26 maart 2025. De rechtbank had daarom niet binnen de in art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro opgenomen beslistermijn van drie weken beslist. Op die grond heeft de Hoge Raad op verzoek van betrokkene bij beschikking van 10 oktober 2024 voornoemde beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin was bepaald dat de zorgmachtiging gold tot en met 24 april 2026. De Hoge Raad heeft de zaak zelf afgedaan, door te bepalen dat de door de rechtbank verleende zorgmachtiging gold voor zes maanden tot en met 24 oktober 2025. [2]
2.2
Bij verzoekschrift met bijlagen, waaronder het zorgplan van 10 oktober 2025 en een medische verklaring van een onafhankelijk psychiater van 17 oktober 2025, dat is ingekomen bij de rechtbank op 20 oktober 2025, heeft de officier van justitie ten aanzien van betrokkene een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025 in de verblijfslocatie van betrokkene, [verblijfsplaats] . Betrokkene is daar zelf echter niet verschenen. Aanwezig waren de advocaat van betrokkene en twee sociaal psychiatrische verpleegkundigen van zorginstelling Antes.
2.4
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is onder meer het volgende aan de orde geweest:
“[
Sociaal psychiatrische verpleegkundige]: meneer is bij ons in behandeling en hij verblijft hier [ [verblijfsplaats] (…)] al een geruime tijd, maar het enige wat hij van ons accepteert is zijn depotmedicatie. Daar komt hij een keer in de maand voor en dat accepteert hij omdat dat moet van de rechter. Hij houdt zich daar wel aan. (...)
Rechter: opname zou eventueel een middel zijn?
(…)
[Sociaal psychiatrische verpleegkundige]: ja, maar meer als hij zijn depot weigert.
Rechter: ik probeer te beoordelen hoe acuut de situatie nu is en wat er op korte termijn zou gaan veranderen. Ik begrijp dat u eigenlijk zegt dat u ook zoekende bent, maar voor opname in een kliniek is nu niet echt een reden. (...)
(...)
Rechter: deze zitting is gepland naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad over de duur van de lopende zorgmachtiging .Ik zou wellicht een [zorgmachtiging] voor [een] half jaar kunnen geven om te kijken of er tegen die tijd ontwikkelingen zijn en te bespreken hoe het verder moet.(…) [E]r is nu geen acute reden voor een opname (...).”
2.5
Aan het slot van de zitting heeft de rechter de situatie als volgt samengevat:
“[D]e mogelijkheid van een opname is onderdeel van de lopende zorgmachtiging en van het verzoek. Ik denk dat dat voor nu de beste weg is. De situatie voor het komende half jaar formaliseren en daarna verder kijken. Ik stel vast dat betrokkene niet gehoord wil worden. Advocaat [heeft] geen contact gehad vandaag, meermaals geprobeerd te bellen, hij is geïnformeerd over de zitting, ook door personeel en is toen vertrokken.”
2.6
Bij beschikking van 23 oktober 2025 [3] (hierna:
de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend tot en met 23 april 2026. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie en een stoornis in middelengebruik (rov. 2.3). Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel (rov. 2.4). [4]
2.7
In rov. 2.6 overweegt de rechtbank het volgende:
“Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene onvoldoende bereid is om behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren. Betrokkene heeft geen ziektebesef en is niet gemotiveerd tot behandeling. Hierdoor heeft hij in het verleden meermaals behandeling geweigerd. Betrokkene zegt medicatie alleen te accepteren, omdat de rechter dat heeft gezegd. De sociaal psychiatrische verpleegkundigen vertellen tijdens de mondelinge behandeling dat betrokkene bij het Leger des Heils verblijft en depotmedicatie accepteert, maar dat hij verder nergens aan meewerkt. Om die reden is verplichte zorg nodig.”
2.8
In rov. 2.7 overweegt de rechtbank vervolgens:
“De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
- het opnemen in een accommodatie.”
2.9
Namens betrokkene is op 22 januari 2026 tijdig cassatieberoep ingesteld. De officier van justitie is niet verschenen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat één klacht, die is gericht tegen het opnemen in een accommodatie als vorm van verplichte zorg.
3.2
Onder verwijzing naar de hiervoor in 2.4 weergegeven passage uit het proces-verbaal van de zitting van 23 oktober 2025, betoogt het middel dat opname alleen nodig is wanneer betrokkene zijn depot zou weigeren, en voorts dat betrokkene zijn depot accepteert als 'de rechter dat heeft gezegd’. In de beschikking heeft de rechtbank het toedienen van medicatie als vorm van verplichte zorg opgenomen. Gelet daarop en op de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat opname alleen nodig is als betrokkene het toedienen van medicatie zou weigeren, geeft het hier aangevallen oordeel van de rechtbank blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is dat oordeel onbegrijpelijk. De omstandigheid dat (a) de rechtbank blijkens het proces-verbaal met de sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft gesproken over de verblijfplaats van betrokkene bij het Leger des Heils, en (b) heeft vermeld dat het jammer zou zijn als betrokkene op straat belandt en het wachten is tot er een crisis komt, maakt dat niet anders. Uit de bestreden beschikking blijkt immers niet dat, laat staan hoe de rechtbank die factoren heeft meegewogen. Ook uit het proces-verbaal blijkt dat niet. Verder blijkt daaruit niet of onvoldoende wat de precieze relevantie van betrokkenes huisvesting is voor het al dan niet weigeren van medicatie, met name nu vaststaat dat betrokkene medicatie accepteert wanneer de rechter bepaalt dat die verplicht is, hetgeen hier het geval is, en dat betrokkene daarvoor ook langs komt bij Antes en zich daaraan houdt.
3.3
Ik kan in deze klacht geen rechtsklacht lezen, wel een motiveringsklacht. Naar mijn mening slaagt de klacht niet. Het oordeel is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
3.4
Ik wijs allereerst op de medische verklaring van 17 oktober 2025. Op blz. 2 bovenaan staat:

4.b Wat zijn de symptomen die betrokkene vertoont?
1. Betrokkene is gediagnosticeerd met schizofrenie. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van middelen (cannabis).
2. Betrokkene is sinds 2010 in zorg binnen de GGZ. Hij heeft in de periode 2010 tot 2021 vrijwel doorlopend een juridische maatregel gehad. Hij is daarbij meermaals opgenomen geweest. Sinds 2024 is hij opnieuw met een Crisismaatregel en aansluitend een Zorgmachtiging in zorg.
3. In het kader van de gestelde schizofrenie is er sprake van recidiverende psychotische klachten, bestaande uit achterdocht, formele denkstoornissen, agitatie en desorganisatie.
4. Tevens is ziektebesef afwezig en is hij niet gemotiveerd tot behandeling. Om deze reden heeft hij eerder meermaals behandeling geweigerd.
5. Bij onderzoek is betrokkene geagiteerd naar ondergetekende, wil niet in gesprek en sluit ondergetekende buiten. Hij wil alleen zijn depot. Bij pogingen om met betrokkene in gesprek te gaan, scheldt hij ondergetekende uit. Naast de agitatie wordt een motorisch onrustige man gezien, waarbij aanwijzingen voor formele denkstoornissen: betrokkene praat aan één stuk door, maar is verder niet te volgen in zijn verhaal. Er lijkt een aaneenschakeling te zijn van woorden, die geen samenhang hebben.”
3.5
In het zorgplan van 10 oktober 2025, blz. 7, staat de volgende toelichting bij de zorgvorm ‘Opnemen in een accommodatie’:
“Opname is momenteel noodzakelijk om het psychiatrisch toestandsbeeld te stabiliseren. Dit zal noodzakelijk zijn wanneer betrokkene ambulant de medicatie blijft weigeren of wanneer de psychose dusdanig gevaar veroorzaakt dat behandeling in de ambulante setting niet meer haalbaar is.”
3.6
Uit het proces-verbaal van de zitting kan ik niet opmaken dat de advocaat van betrokkene specifiek verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de officier van justitie om opname in een accommodatie in de zorgmachtiging op te nemen. Een nadere of uitvoeriger motivering van het oordeel van de rechtbank op dat punt was naar mijn mening dan ook niet noodzakelijk. [5] Door de duur van de zorgmachtiging te beperken tot zes maanden in plaats van de door de officier van justitie verzochte twaalf maanden, heeft de rechtbank er al rekening mee gehouden dat, afhankelijk van de mate waarin de toestand van betrokkene zich stabiliseert, de zorgvorm ‘het opnemen in een accommodatie’ na zes maanden mogelijk kan vervallen, voor het geval opnieuw om een aansluitende zorgmachtiging wordt verzocht.
3.7
Tot slot wijs ik erop dat het toestaan van het toepassen van een bepaalde zorgvorm in een zorgmachtiging niet automatisch betekent dat die zorgvorm ook feitelijk zal worden verleend. Voor toepassing van een verplichte zorgvorm is een aparte uitvoeringsbeslissing vereist van de zorgverantwoordelijke op de voet van art. 9:7 Wvggz Pro. In dit geval kan het mede van het gedrag en de medewerking van betrokkene afhangen of de zorgverantwoordelijke in dit geval overgaat tot het nemen van een dergelijke beslissing of daar vooralsnog van afziet.
3.8
Het betoog dat betrokkene zijn depotmedicatie bij Antes gaat halen en, zo lang hij dat doet, hij bij het Leger des Heils kan verblijven en een opname bij Antes niet nodig is, kan in het licht van het voorgaande niet overtuigen.
3.9
Ik kom tot de slotsom dat het aangevallen oordeel van de rechtbank toereikend is gemotiveerd.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1530,
2.Zie voetnoot 1.
3.Zaak-/rekestnummer: C/10/708682 / FA RK 25-7968 (niet gepubliceerd op recnhispraak.nl). De beschikking is schriftelijk uitgewerkt op 6 november 2025.
4.Uit de medische verklaring van 17 oktober 2025, onder 6, op blz. 3, blijkt dat het ernstig nadeel onder meer het volgende inhoudt: ernstig lichamelijk letsel voor anderen, ernstige psychische schade voor betrokkene zelf en maatschappelijke teloorgang van betrokkene zelf.
5.Vgl. HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475,