Conclusie
[werknemer]respectievelijk
DEME.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
UWV) verzoeken van DEME om toestemming te verlenen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, geweigerd. Volgens het UWV was niet aannemelijk dat [werknemer] niet binnen 26 weken voldoende zou herstellen voor het verrichten van het eigen werk met aanpassingen.
“(...) Ik ga deze lastige en lange procedure niet herhalen. Ik kan bij een volgende opdracht van DEME mijn rol als onafhankelijk bedrijfsarts voor de heer [werknemer] niet wijzigen. In dat geval verzoek ik u om een bedrijfsarts of expertisebureau in te schakelen buiten de relatie werkgever- gecontracteerde arbodienst. (...)”. In een andere e-mail aan DEME van dezelfde datum heeft de bedrijfsarts, voor zover relevant, het volgende geschreven: “
Ik heb u eerder bericht dat het mij niet was gelukt om tot overeenstemming met de heer [werknemer] te komen voor het versturen van mijn adviesrapportage naar u als werkgever (...) De mail van hem die u meestuurt bevestigt dit nogmaals. (...) Ik stuur mijn rapportage (...) naar de heer [werknemer] . (...) Hij kan dan zelf besluiten of hij mijn rapportage deelt met DEME. (…) Ik kan uw verzoek voor actualisering van de FML niet invullen. De toestemming van de heer [werknemer] ontbreekt daarvoor. (...)”
FML) op te stellen waarna er een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek zal plaatsvinden. [werknemer] is daarbij gevraagd om een machtigingsformulier te ondertekenen voor de daarvoor benodigde dossieroverdracht.
e-gronden de
g-grond). [5] Bij wijze van nevenverzoek heeft DEME verzocht [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 2.435,42, verhoogd met € 22,50 per maand vanaf januari 2024 tot de dag van beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan onverschuldigd betaalde premies tandartsverzekering en fiscale bijtelling zorgverzekering.
hof). Het hof heeft de beschikking bekrachtigd voor zover daarin is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden omdat [werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De beschikking is evenwel vernietigd voor zover daarbij het verzoek van DEME is afgewezen [werknemer] te veroordelen tot betaling van een bedrag dat bestaat uit de maandelijkse premie voor de tandartsverzekering en de fiscale bijtelling over de zorgverzekering van [werknemer] . Het hof wees dit verzoek alsnog toe.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelkomt [werknemer] – samengevat – op tegen de wijze waarop het hof zijn stellingen en grieven heeft weergegeven. Het
tweede onderdeelis gericht op de beoordeling van het hof over het (ernstig) verwijtbaar handelen van [werknemer] en het niet toekennen van de transitievergoeding. Het
derde onderdeelbevat een voortbouwklacht.
1. De zaak in het kort
Dit verwijtbaar handelen heeft erin bestaan dat de werknemer, die al sinds eind 2016 arbeidsongeschikt is voor de eigen functie,
heeft geweigerd om een door een extern deskundige opgesteld rapport over zijn belastbaarheid met de werkgever te delen.Niet is gebleken dat de werknemer deugdelijke gronden voor zijn weigering had. Met zijn handelwijze heeft de werknemer
de eerder met de werkgever gemaakte afspraak om het belastbaarheidsonderzoek te laten verrichten geschonden, en geen opvolging gegeven aan redelijke instructies van de werkgever.
2.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grieven 1 tot en met 12[onderstreping van hof, A-G] in principaal appel bestrijdt [appellant] deze vaststelling.
Voor zover van belang zal het hof hierna rekening houden met deze grieven.Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die tussen partijen niet in geschil zijn, komen de feiten neer op het volgende.
grieven 13, 14 en 15[onderstreping van hof, A-G] in principaal appel betoogt [werknemer] dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet (met directe ingang) had mogen ontbinden en dat de verzoeken van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding, een immateriële schadevergoeding en wettelijke rente toegewezen hadden moeten worden.
Volgens [werknemer] heeft de kantonrechter een groot aantal feiten en omstandigheden ten onrechte niet meegewogen. Die feiten en omstandigheden laten zich als volgt samenvatten en categoriseren: (i) dat verschillende deskundigen hebben geoordeeld dat [werknemer] inzetbaar is als Surveyor vanuit een kantoorgebonden setting en dat DEME geen goede reden had om dat niet aan te bieden; (ii) dat er al een recent onderzoek naar de inzetbaarheid en herstelprognose van [werknemer] was gedaan door de bedrijfsarts;
(iii) dat de bedrijfsarts DEME helemaal niet heeft geadviseerd om een externe deskundige in te schakelen, en [werknemer] niet akkoord was gegaan met de inzet van Ergatis als hij dat eerder had geweten;(iv) dat het ontstane trammelant rond de inzetbaarheid van een externe deskundige het gevolg was van miscommunicatie tussen DEME en de bedrijfsarts; (v) dat het inschakelen van de extern deskundige bedoeld was om de maximale inzetbaarheid van [appellant] te vergroten met het uiteindelijke doel een terugkeer naar zijn eigen functie, en (vi) dat [appellant] gegronde bezwaren tegen het rapport heeft.
heeft de rapportage van de bedrijfsarts op 25 februari 2022 weliswaar alsnog naar DEME gestuurd, maar vaststaat dat deze rapportage geen (actueel) FML (of AML) bevatte, terwijl dat volgens DEME wel noodzakelijk was om het arbeidsdeskundig onderzoek te kunnen laten uitvoeren. Dit laatste is door [werknemer] niet (voldoende) weersproken.
valt niet te rijmen met de e-mails van de bedrijfsarts van 15 februari 2022 (zie 2.7). In voornoemde e-mails schreef de bedrijfsarts immers dat voor een volgende opdracht een externe deskundige moest worden ingeschakeld, omdat hij ‘deze lastige en lange procedure’ niet ging herhalen en hij geen toestemming van [werknemer] had voor actualisering van de FML, waardoor een FML/AML er nooit is gekomen. Deze e-mails sluiten aan bij de nadere toelichting die DEME over de gang van zaken hierover heeft gegeven (onder randnummer 74 memorie van antwoord en ter zitting in hoger beroep).”
subonderdeel 1.3betoogt [werknemer] in essentie dat het hof bepaalde betwistingen, die zien op de vraag of het voorschrift van DEME een redelijk voorschrift is in de zin van art. 7:660a lid 1 onder a BW, niet of onvoldoende kenbaar heeft besproken. Volgens [werknemer] heeft DEME een puinhoop gemaakt van de re-integratie vanaf eind 2021 en ook zelf in de hand gewerkt dat de rapportage van de bedrijfsarts geen FML of arbeidsmogelijkhedenlijst (AML) bevatte.
subonderdeel I.4bouwt voort op de vorige subonderdelen, die falen. De klacht behoeft daarom geen inhoudelijke bespreking.
subonderdeel II.2, zoals uitgewerkt
onder II.2.0 en II.2.1, meent [werknemer] in de bestreden beschikking een oordeel te lezen dat DEME een aanbod van passend werk door [werknemer] naast zich neer mocht leggen door het starten van een nieuw onderzoek, om dan vervolgens [werknemer] te verwijten dat hij geen opvolging heeft gegeven aan een redelijk voorschrift (vierde alinea van dit subonderdeel, op p. 21 van de procesinleiding). Dit lees ik niet terug in de beschikking. De klachten missen feitelijke grondslag (art. 419 lid 2 Rv Pro).
subonderdeel II.2.2begint, slaagt gelet op vorenstaande niet. Daarnaast klaagt [werknemer] in dit subonderdeel over rov. 4.12. Deze overweging luidt, in haar context, als volgt:
Ontbinding wegens verwijtbaar handelen
Het feit dat [werknemer] het op deze punten niet eens was met het rapport, vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende rechtvaardiging om het rapport, eventueel voorzien van zijn bezwaren, niet aan DEME te verstrekken.
Kamerstukken II2013/14, 33818, nr. 3, p. 34 en 40, en nr. 4, p. 15-16).
door toedoen van [werknemer] nog een jaar heeft geduurd voordat het onderzoek kon worden gestart.Aangezien het Ergatis-rapport is opgesteld met het doel de belastbaarheid van [werknemer] te bepalen en in zoverre van wezenlijk belang is in het daaromtrent tussen partijen gerezen geschil, heeft
ernstig verwijtbaar gehandeld door te weigeren de inhoud van dit rapport met DEME te delen. [werknemer] heeft met zijn weigering waarin hij zonder rechtvaardiging tot op heden heeft volhard, immers belet dat DEME in staat wordt gesteld te beoordelen welke functie hij nog wel of niet zou kunnen vervullen.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werknemer] en niet van DEME.”
waaromhet hof, gezien deze stellingen, zijn oordeel niet goed heeft gemotiveerd.
subonderdeel II.3.1voorop dat het oordeel in rov. 3.9
juistis. Daar overweegt het hof – samengevat – dat het ontzeggen van een transitievergoeding op grond van ernstig verwijtbaar handelen mogelijk is, maar dat deze uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. Dit is in lijn met de beschikking van de Hoge Raad in de zaak
Stichting Zuyd Hogeschool, waarin het volgende is geoordeeld: [17]
De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemerniet slechts als verwijtbaar, maar
als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt.
ernstigverwijtbaar is. De beoordeling is overigens ook begrijpelijk. Hierover klaagt [werknemer] (p. 30 bovenaan, procesinleiding), zonder evenwel toe te lichten
waaromhet oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn. Gelet op dit alles falen de klachten van het subonderdeel.
subonderdeel II.3.2klaagt [werknemer] dat het hof miskent dat alle relevante omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid in de beoordeling moeten worden betrokken. Het hof heeft uitsluitend gefocust op de gedragingen van [werknemer] , en dan ook nog ná 29 augustus 2022 (de datum dat partijen afspraken dat Ergatis zou worden ingeschakeld, zie rov. 4.3 en rov. 4.5). In het verlengde daarvan stelt [werknemer] in
subonderdeel II.3.3dat het hof heeft miskend dat mede van belang is wat DEME als werkgever in de periode voorafgaand aan het ontslag heeft gedaan.
voor zoverdeze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer dat tot het ontslag heeft geleid.
actuelebelastbaarheid van [werknemer] dat vervolgens is ontstaan. Verder ziet [werknemer] eraan voorbij dat zijn stellingen over zijn inzetbaarheid in zijn eigen functie door het hof, in mijn ogen terecht en op niet onbegrijpelijke wijze, als niet relevant zijn aangemerkt in het kader van de verwijtbaarheidsvraag (rov. 4.7). Ten slotte oordeelt het hof dat door toedoen van [werknemer] het lang heeft geduurd voordat Ergatis onderzoek kon doen en dat dit onderzoek nodig was om DEME in staat te stellen te beoordelen welke functie [werknemer] nog kon vervullen (rov. 4.10). In samenhang met het oordeel over de relevantie van de stellingen van [werknemer] over het inzetbaar zijn voor zijn eigen functie (rov. 4.7), ligt daarin besloten dat het hof in zijn beoordeling heeft betrokken, maar heeft afgewezen, het betoog dat DEME de betaling van het loon van [werknemer] niet had mogen opschorten (en later stopzetten) omdat hij zich bereid heeft gehouden het door hem aangeboden werk te verrichten.
subonderdeel II.3.4bestaat, heb ik niet of nauwelijks argumenten, stellingen of klachten kunnen ontdekken die, naar hun strekking, niet al hiervoor aan bod zijn gekomen. Uitzondering daarop vormt wellicht het betoog op pagina 27-28 van de procesinleiding (punt 3, ad a en ad b) dat het hof heeft miskend dat [werknemer] niet heeft geweigerd het Ergatis-rapport te verstrekken (DEME zou er niet naar hebben gevraagd) en dat [werknemer] wél deugdelijke gronden voor een weigering tot verstrekking heeft aangevoerd.
Ten eerstewist [werknemer] dat DEME het rapport wilde inzien. Dat volgt alleen al uit het vaststaande feit dat een afspraak tussen partijen is gemaakt om onderzoek naar de beperkingen en belastbaarheid door Ergatis te laten uitvoeren (rov. 4.3). [werknemer] wist bovendien dat (in ieder geval volgens DEME) een actueel beeld van zijn belastbaarheid nodig was om te kunnen beoordelen welke functie hij nog zou kunnen vervullen (zie ook rov. 4.10). Hij kan zich tegen deze achtergrond niet erachter verschuilen dat DEME niet zou hebben gevraagd om het rapport. [18] Voorts staat vast dat Ergatis op 18 december 2023 aan DEME heeft laten weten dat zij van [werknemer] geen toestemming had gekregen om rapportages te delen en dat het aan [werknemer] zelf is of hij het rapport met DEME deelt (rov. 2.17). Mede in dat licht was het niet noodzakelijk dat DEME navraag deed bij [werknemer] .
Ten tweedegeeft het hof een samenvatting van de bezwaren die [werknemer] tegen het rapport heeft en oordeelt daarover dat deze bezwaren onvoldoende rechtvaardiging vormen om het rapport niet te verstrekken aan DEME, eventueel met de opmerkingen van [werknemer] erbij gevoegd (rov. 4.6). Dat oordeel is begrijpelijk en daarmee is tevens voldoende gemotiveerd gerespondeerd op het betoog van [werknemer] . Dat hij het niet eens is met het gegeven oordeel, is geen reden voor cassatie.
subonderdeel II.3.5komen erop neer dat [werknemer] geen medewerking zou hoeven te verlenen aan een onderzoek dat wordt uitgevoerd door een andere deskundige dan de door DEME gecontracteerde arbodienst. Als gevolg daarvan hoefde hij het Ergatis-rapport niet te delen, zo begrijp ik het betoog. De rechten van [werknemer] , onder meer uit hoofde van art. 14 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, zijn volgens [werknemer] door het hof miskend.
subonderdeel II.3.6een herhaling van eerdere klachten en stellingen van [werknemer] . Dit subonderdeel behoeft daarom geen bespreking. Hetzelfde geldt voor de voortbouwklachten in
subonderdeel II.4en
onderdeel III.