ECLI:NL:PHR:2026:267

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
23/04272
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511e SvArt. 511f SvArt. 511g SvArt. 359 lid 3 Sv
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende motivering hof

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin aan de betrokkene een betalingsverplichting van € 45.000 is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof baseerde zijn oordeel op een eenvoudige kasopstelling en concludeerde dat de betrokkene de aankoop van meerdere voertuigen zelf heeft betaald, ondanks betwisting door de verdediging.

De verdediging voerde aan dat de betrokkene legale inkomsten had uit autohandel en dat bepaalde uitgaven, zoals de aankoop van een BMW en een Audi, door een medevennoot zijn gedaan. Het hof verwierp deze stellingen vanwege gebrek aan bewijs en aannam dat de betrokkene de voertuigen zelf heeft betaald.

De A-G stelt dat het hof onvoldoende en onbegrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het oordeel dat de betrokkene de voertuigen heeft betaald prevaleert boven de verklaringen van de betrokkene en getuigen. Ook is onduidelijk waarom het hof het verweer dat de medevennoot de Audi betaalde, zonder nadere motivering terzijde heeft geschoven. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

Daarnaast wijst de A-G op het bewijsvermoeden uit art. 36e Sr en de toepassing van de eenvoudige kasopstelling, maar benadrukt dat het hof bij betwisting nadere motivering moet geven. De overschrijding van de redelijke termijn wordt ambtshalve opgemerkt. De overige middelen falen, maar de twee middelen over de motivering van de betaling van de voertuigen zijn gegrond.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering over de betaling van voertuigen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04272 P
Zitting17 maart 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 november 2023 (parketnr. 22-005188-19) de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 45.000,00 aan de Staat. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet‑betaling bepaald op 900 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04513. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 3 november 2023 ingesteld namens de betrokkene. M. Goedhart, advocaat in Amsterdam, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de betrokkene geen legale contante inkomsten heeft gehad. In het tweede tot en met het zesde middel wordt telkens geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de betrokkene bepaalde uitgaven heeft gedaan.
1.4
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Procesgang

2.1
Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2023 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de betrokkene aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

HOOFDSTUK 3: ONTNEMING
(…)
3.2
Subsidiair: geen wederrechtelijk verkregen voordeel genoten
149. In mijn schriftelijke conclusie van 14 april 2023 heb ik aangevoerd dat cliënt wel degelijk legale bronnen van inkomsten had uit de handel in personenauto's en dat bepaalde uitgaven niet aan cliënt kunnen worden toegeschreven.
150. De advocaat-generaal stelt in de conclusie van repliek van 10 mei 2023 dat uitvoerig verweer is gevoerd ten aanzien van de inkomsten en uitgaven, maar gaat daar vervolgens heel makkelijk aan voorbij, door in niet meer dan vier regels te stellen dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen die dit ondersteunen en dit onvoldoende zou zijn onderbouwd met stukken.
151. Ik vind dat onbegrijpelijk. De advocaat-generaal heeft op tal van – al zeg ik het zelf –steekhoudende argumenten niet eens de moeite genomen om te reageren.
Inkomsten
152. Het staat onomstotelijk vast dat cliënt handelde in personenauto's. Dit blijkt uit het feit dat meerdere voertuigen zeer kort op zijn naam stonden en uit het feit dat hij zich uiteindelijk ook heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (eerst als eenmanszaak en later als VOF) als zijnde een bedrijf die zijn onderneming maakt van de handel in en reparatie van personenauto's (Bijlage 1 en 2 van mijn schriftelijke conclusie).
153. Dan zou het kunnen zijn dat je daaruit geen inkomsten genereert, maar dat is bij cliënt niet het geval. Dat veel geldstromen wellicht niet zichtbaar zijn geworden, komt omdat veel contant is betaald, hetgeen in de autohandel nu eenmaal veel gebeurde. Dat blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , die stellen dat [betrokkene 3] contant heeft betaald. Ook de BMW [kenteken 1] is blijkens de factuur contant afgerekend alsook de reparatie door [betrokkene 4] . Het OM neemt maar wat graag aan dat aanzienlijke contanten uitgaven zijn gedaan, maar als contante bedragen zijn ontvangen is dat opeens niet aannemelijk. Dat is meten met twee maten.
154. Cliënt genereerde wel degelijk inkomsten. In mijn schriftelijke conclusie schreef ik dat voor € 10.968,- aan BTW aanslagen zijn opgelegd. De voorzitter heeft er ter zitting van 28 september jl. op gewezen dat het hier niet om BTW aanslagen gaat, maar om aanslagen inkomstenbelasting (letter H-aanslagen) en bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (letter W- aanslagen). Dat oordeel lijkt juist. Maar ook dan gaat het standpunt van de verdediging dat cliënt wel degelijk inkomsten heeft genoten nog steeds niet mank. Immers, inkomstenbelasting en de bijdrage Zvw worden alleen geheven als er inkomsten zijn genoten. De berekening van die inkomsten wordt alleen wel anders. [1]
155. Gelet op de coderingen [2] betreft de aanslag van € 2.402,- (***H2601) een aanslag inkomstenbelasting (H) over 2012 (2) die definitief is (6). De aanslag van € 3.057,- (***H3601) is een aanslag inkomstenbelasting (H) over 2013 (3) die definitief is (6).
156. De aanslag van € 891,- (***W26014) betreft een bijdrage Zvw (W) over 2012 (2) die definitief is (6) en de aanslag van € 976,- (***W36014) betreft een bijdrage Zvw (W) over 2013 (3) die definitief is (6).
157. Aan de hand hiervan kan de winst van cliënt worden berekend over de jaren 2012 en 2013 (de periode waarop de ontnemingsvordering ziet). Gelet op artikel 45 van Pro de Zorgverzekeringswet en artikel 5.4 van de Regeling zorgverzekering (oud) wordt over de winst van 2012 een bijdrage van 5% gerekend en over de winst van 213 een bijdrage van 5,65%. De winst in 2012 was derhalve (891 / 5 * 100) € 17.820,- en de winst in 2013 (976 / 5,65 * 100) € 17.274,-. In totaal dus een winst van (17.820 + 17.240) € 35.094,-.
158. De winst kan ook worden berekend aan de hand van de aanslagen inkomstenbelasting. Die berekening is ingewikkelder, omdat in dat geval moet worden teruggerekend met het juiste belastingtarief voor inkomen uit werk en woning (artikel 2.10 Wet IB 2001) voor het belastbare inkomen en daarna de MKB-winstvrijstelling (artikel 3.79a Wet IB 2001) dient te worden opgeteld en daarna weer de ondernemersaftrek (artikel 3.76 lid 2 Wet IB 2001) en de startersaftrek (artikel 3.76 lid 3 Wet IB 2001) waarna je op de winst uit onderneming komt. Daar zal eenzelfde bedrag uitrollen van ruim €35.000,- over 2012 en 2013.
159. Cliënt heeft op zitting van 28 september jl. al uitgelegd waarom hij geen andere stukken heeft uit zijn administratie. Alles is door de voormalige verhuurder weggegooid bij de ontruiming. Maar nu het hier gaat om definitieve aanslagen van de Belastingdienst, is dit inkomen voldoende aannemelijk geworden. Cliënt hoeft niet met wettig en overtuigend bewijs te komen van zijn inkomsten.
160. Het is natuurlijk opmerkelijk als de Staat bij monde van de Belastingdienst stelt dat cliënt over 2012 en 2013 ruim € 35.000,- heeft verdiend aan legale inkomsten en dat diezelfde Staat bij monde van het Openbaar Ministerie stelt dat cliënt helemaal geen inkomsten heeft gehad. Dat kan niet. Het OM heeft zich dan ook te schikken naar de Belastingdienst. Die heeft dit inkomen vastgesteld of op zijn minst aannemelijk bevonden.
Uitgaven
161. Verder gaat de advocaat-generaal er geheel aan voorbij dat bepaalde uitgaven gewoon niet door cliënt zijn gedaan, zoals de aangeschafte BMW en Audi, die door [betrokkene 3] zijn betaald, zoals door getuigen is bevestigd. Er is uitgelegd en onderbouwd dat de VOF nog niet was opgericht en de BMW daarom niet op naam van de VOF kon worden gezet en dat cliënt de Audi op zijn naam heeft gezet toen hij daarmee naar Turkije ging. Maar dit maakt niet dat hij dan opeens die voertuigen heeft gekocht. Een auto op naam levert misschien een vermoeden op dat die auto dan ook door die persoon is betaald, maar in dit dossier zijn er getuigenverklaringen die heel duidelijk maken dat cliënt niet de voertuigen heeft betaald.
162. Ook gaat de advocaat-generaal er aan voorbij dat facturen niet aan cliënt zijn gericht, zoals de factuur van [betrokkene 4] , die gewoon is geadresseerd aan de VOF. Het voertuig waar het daar om gaat is ook door de VOF betaald, alsook de BPM en de wegenbelasting voor dat voertuig. Hoe kan je dan als OM zijnde volhouden dat dit uitgaven zijn geweest van cliënt. Ik begrijp het niet en het OM kan het niet uitleggen.
163. De brandstofkosten zijn natuurlijk ook een wonderlijk verhaal. Hef gaat nog steeds om het voertuig van de VOF. Deze werd als vervangend vervoer meegegeven aan klanten, zoals cliënt heeft uitgelegd. Volstrekt aannemelijk, want cliënt had een schadeherstelbedrijf. Cliënt heeft echt niet de benzine betaald voor die klanten.
Conclusie
164. Zoals in de schriftelijke conclusie uitgebreid aangevoerd zijn de inkomsten dus aanmerkelijk hoger (zoals hiervoor aangevoerd geen € 52.000,-, maar wel tenminste ruim € 35.000,-) en de uitgaven aanmerkelijk lager (€ 18.649,90). Nu de inkomsten de uitgaven overstijgen, kan niet worden gesteld dat sprake is geweest van wederrechtelijk verkregen voordeel.”
2.2
In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer het volgende overwogen: [3]

Grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof stelt vast dat de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de periode van 22 mei 2013 tot en met 30 juni 2013. De betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Met deze vaststelling wordt het niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen.
Tegen betrokkene is het proces-verbaal Ontnemingsdossier d.d. 18 april 2014 (hierna ook: het rapport) opgemaakt. Het hof is van oordeel, gelet op dat rapport, dat aannemelijk is geworden dat de feiten waarvoor hij is veroordeeld in de strafzaak of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Immers volgt uit het hierna te melden resultaat van het onderzoek dat de betrokkene uitgaven heeft gedaan die niet kunnen worden verklaard uit het van hem vastgestelde legale inkomen.
Het hof zal op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen (…) zijn vervat en ontleend aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van (de …) bewijsmiddelen. In het rapport is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. Het hof zal de verbalisanten in de door hen gebruikte berekeningsmethode volgen.
De onderzoeksperiode is vastgesteld op de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2013.
Beginsaldo contant geld
Het beginsaldo contant geld kan worden vastgesteld op nul euro omdat niet gebleken is dat betrokkene over contant vermogen beschikte per 1 januari 2012.
Opnames van de bankrekening
In het rapport wordt een bedrag van € 1.760,00 aan contante opnames van de bankrekening van betrokkene verantwoord. Dit bedrag is niet betwist door betrokkene.
Legale contante inkomsten
Betrokkene is ingeschreven geweest bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak h.o.d.n. [A] van 1 augustus 2012 tot 28 september 2012 en als vennoot van de v.o.f. [A] , van 28 september 2012 tot 18 juni 2013. In die vennootschap onder firma had hij één medevennoot, namelijk [betrokkene 3] . Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt dat noch betrokkene noch de v.o.f. over de onderzochte periode omzetbelasting heeft afgedragen. Over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn bij de belastingdienst geen loon- en werkgeversgegevens bekend van betrokkene.
De verdediging heeft gesteld dat betrokkene in de eenmanszaak en later in de vennootschap onder firma winst maakte en dat zijn handel voornamelijk in contanten plaatsvond. Hij stelt dat zijn contante uitgaven en de stortingen op zijn bankrekening daaruit verklaard kunnen worden. Betrokkene heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een brief overgelegd van zijn adviseur 020Finance van 20 november 2018 aan de belastingdienst. Die brief bevat een overzicht van openstaande aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet. De verdediging concludeert hieruit dat er dus inkomen is geweest.
Het hof volgt deze redenering niet. Allereerst is van belang dat betrokkene geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd van de gestelde inkomsten; er is geen begin van administratie, er zijn geen kopieën van belastingaangiftes, er zijn geen schriftelijke overeenkomsten om aan te tonen dat er sprake was van handel in het bedrijf van betrokkene. Daar komt bij dat betrokkene tot november 2018 geen aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan, hetgeen in de brief van de adviseur wordt bevestigd. In eerste aanleg is door de verdediging een kopie overgelegd van een op 21 november 2018 ingezonden aangifte inkomstenbelasting 2013. Daarin is nul euro als inkomen opgegeven. Uit de door de verdediging overgelegde stukken kan niet de conclusie worden getrokken dat de betrokkene legale contante inkomsten heeft gehad.
Het hof concludeert dat betrokkene zijn stelling dat er legale contante inkomsten zijn geweest, niet aannemelijk heeft gemaakt.
Uitgave: MOT-melding
Uit onderzoek in de database van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties is gebleken dat betrokkene op 20 februari 2013 middels een moneytransfer een bedrag van € 3.884,00 heeft getransfereerd naar [betrokkene 5] in Turkije. Betrokkene heeft deze transfer erkend. De verdediging heeft gesteld dat het geld van [betrokkene 5] zelf was. [betrokkene 5] zou vanuit Turkije aan betrokkene hebben gevraagd een contant bedrag naar hem over te maken en betrokkene zou daarop naar [plaats] zijn gereden, het contante bedrag van een andere vriend van [betrokkene 5] in ontvangst hebben genomen en vervolgens via een moneytransfer naar Turkije hebben overgemaakt.
Deze verklaring roept vragen op omdat het omslachtig is contant geld van de een aan de ander te overhandigen alvorens het via een moneytransfer over te maken. Voorts heeft betrokkene verzuimd aan te geven wie deze derde persoon zou zijn. Het hof verwerpt derhalve deze verklaring als onvoldoende concreet en overigens onaannemelijk.
Het hof neemt een bedrag van € 3.884,00 in aanmerking als contante storting voor een moneytransfer.
Uitgave: contante stortingen eigen bankrekening
Uit het rapport blijkt dat een totaal van € 16.590,00 is gestort op de eigen bankrekening van betrokkene. Betrokkene heeft deze stortingen erkend en gesteld dat die afkomstig zijn van legaal verdiende contante inkomsten.
Dat verweer is hierboven besproken en verworpen.
Uitgave: Inrichting
Uit het rapport blijkt dat een totaal van € 1.500,00 contant is uitgegeven aan artikelen bij de Mediamarkt en Bed4Less, bestemd voor de inrichting van zijn woning. Betrokkene heeft deze uitgaven erkend en gesteld dat die afkomstig zijn van legaal verdiende contante inkomsten.
Dat verweer is hierboven besproken en verworpen. Het hof schat deze uitgave op € 1.500,00.
Uitgave: BMW [kenteken 2]
Deze auto heeft van 14 juli 2012 tot en met 13 augustus 2012 op naam gestaan van betrokkene. De aan betrokkene voorafgaande geregistreerde kentekenhouder is [betrokkene 1] . Deze [betrokkene 1] is op 28 januari 2014 telefonisch bevraagd door verbalisanten en heeft verklaard dat hij de auto aan een Turkse jongen waarvan hij de naam niet meer weet, heeft verkocht en dat deze persoon hem daarvoor € 17.000,00 heeft betaald.
Betrokkene stelt dat hij deze auto weliswaar op zijn naam heeft gehad, maar dat deze is gekocht door zijn medevennoot voor de nog op te richten vennootschap. De medevennoot zou er € 10.000,00 voor hebben betaald. Omdat de vennootschap nog niet was opgericht is de auto op naam van betrokkene gezet.
Vervolgens zou de auto op 12 augustus 2012 met winst zijn verkocht.
Het hof acht aannemelijk dat betrokkene zelf degene is geweest die de auto heeft gekocht en betaald, nu de auto op 14 juli 2012 op zijn naam is geregistreerd. De verklaring die betrokkene geeft is niet aannemelijk geworden. Voorts acht het hof aannemelijk dat de aankoopprijs € 17.000,00 was. Dit bedrag is door de verkoper genoemd in zijn eerste gesprek met de verbalisanten. Het is inderdaad zo dat [betrokkene 1] in zijn verhoor bij de rechter-commissaris een bedrag van € 15.000,00 heeft genoemd en vervolgens zegt dat hij het niet meer precies weet als hij met het door betrokkene genoemde bedrag van € 10.000,00 wordt geconfronteerd. Het hof acht de als eerste afgelegde verklaring aannemelijk. Hij is bij de rechter-commissaris in juni 2018 gehoord. Het is begrijpelijk dat [betrokkene 1] het dan niet meer precies weet en het hof acht aannemelijk dat zijn eerst afgelegde verklaring adequaat is. De stelling dat de auto met winst zou zijn verkocht is niet concreet gemaakt. Het ligt op de weg van betrokkene zijn stellingen voldoende te concretiseren en specificeren. Bij gebreke hiervan gaat het hof aan deze stelling voorbij.
Het hof neemt inzake de BMW [kenteken 2] een contante uitgave van € 17.000,00 in aanmerking.
Uitgave: Audi A3 [kenteken 3]
Deze auto heeft van 13 augustus 2012 tot en met 3 december 2012 op naam van betrokkene gestaan. De aan betrokkene voorafgaande geregistreerde kentekenhouder is [betrokkene 6] . Deze [betrokkene 6] is op 28 januari 2013 telefonisch bevraagd door verbalisanten. Zij heeft verklaard dat de auto inderdaad op haar naam heeft gestaan, maar dat zij dat op verzoek van een Turkse man had gedaan. Zij heeft verklaard dat zij de auto nooit in bezit had gehad, maar wel veel bekeuringen ontving. Uiteindelijk heeft de Turkse man de auto op zijn eigen naam geregistreerd.
De aan [betrokkene 6] voorafgaande kentekenhouder is [betrokkene 2] . Deze [betrokkene 2] is op 28 januari 2014 telefonisch bevraagd door verbalisanten. De auto heeft tot 8 mei 2012 op zijn naam gestaan. Hij heeft verklaard dat hij de auto had verkocht aan [betrokkene 7] van [A] voor € 8.000,00. Dat bedrag is contant aan hem betaald.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen uitgave van betrokkene is, maar van [betrokkene 7] [betrokkene 3] , de medevennoot in de later opgerichte VOF. In zijn verweer heeft betrokkene tevens erkend dat het inderdaad betrokkene is geweest die aan [betrokkene 6] heeft gevraagd of de auto op haar naam kon worden gezet en dat hij de auto daarna op zijn eigen naam heeft laten zetten.
Het hof acht het op grond van bovenstaande aannemelijk dat het betrokkene is geweest die de auto gebruikte, zowel in de periode dat die op naam van [betrokkene 6] stond, als toen die op naam van betrokkene stond. Nu het ook betrokkene is geweest die aan [betrokkene 6] heeft gevraagd de auto op haar naam te zetten, is het naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat het ook betrokkene is geweest die het aankoopbedrag van de auto heeft gefinancierd. Dat [betrokkene 3] mogelijk degene is geweest die feitelijk contact met [betrokkene 2] heeft gehad, maakt dit niet anders.
Het hof neemt inzake de Audi A3 [kenteken 3] een contante uitgave van € 8.000,00 in aanmerking.
Uitgave: BMW [kenteken 1]
Deze auto heeft op naam van betrokkene gestaan vanaf 15 juli 2013. De auto is op 29 oktober 2013 in beslag genomen en toen stond het kenteken nog op naam van betrokkene.
Uit onderzoek is gebleken dat deze auto op 14 december 2012 door een Duits bedrijf is verkocht aan [A] voor een bedrag van € 8.400,00 en contant is betaald. De verschuldigde BPM is voldaan vanaf de zakelijke rekening van de vennootschap onder firma en van 13 februari 2013 tot 15 juli 2013 stond het kenteken op naam van deze vennootschap.
Op 2 mei 2013 is betrokkene als verdachte gehoord in onderzoek Spits. Hij heeft toen verklaard dat hij eigenaar is van de BMW met het [kenteken 1] en dat de auto op naam staat van zijn autoschadebedrijf. Hij verklaart ook dat hij de auto heeft gekocht en ingevoerd en meestal in de auto rijdt. Op 30 april 2013 en op 8 juni 2013 is deze auto staande gehouden wegens overtredingen. Beide keren was betrokkene bestuurder, hetgeen is geverifieerd aan de hand van een rijbewijs.
Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene enig bedrag aan de vennootschap onder firma heeft voldaan toen de auto per 15 juli 2013 op zijn eigen naam werd overgeschreven. Op grond van de verklaring van betrokkene op 2 mei 2013 en de staandehoudingen waarbij betrokkene bestuurder was van de auto, acht het hof aannemelijk dat betrokkene de auto in Duitsland heeft gekocht en betaald voor eigen gebruik en niet ten behoeve van de handelsvoorraad van de vennootschap onder firma. Het feit dat de auto eerst op naam van de vennootschap onder firma heeft gestaan, acht het hof niet van doorslaggevende betekenis, evenmin als het feit dat de BPM en nog enkele kosten vanaf de bankrekening van de vennootschap onder firma is betaald. Die registratie en betalingen doen niet af aan de vaststelling dat betrokkene zelf de auto heeft gekocht in Duitsland en de auto feitelijk gebruikte.
Het hof neemt inzake de BMW [kenteken 1] een contante uitgave van € 8.400,00 in aanmerking.
Uitgave: Facturen Van [betrokkene 4]
Er zijn twee facturen gevonden met betrekking tot reparaties aan de BMW met het [kenteken 1] . De eerste is in de auto zelf gevonden en op die factuur is € 3.980,00 contant betaald. Deze factuur is gedateerd op 25 april 2013 en gericht aan [A] . Het is aannemelijk dat betrokkene feitelijk de betaling heeft gedaan. Gezien de omstandigheden dat uitsluitend betrokkene deze auto gebruikte en dat hij de auto als zijn eigendom beschouwde hoewel het kenteken op naam van vennootschap was geregistreerd, acht het hof het aannemelijk dat betrokkene deze kosten heeft gedragen. Het hof zal deze factuur derhalve als contante uitgave in aanmerking nemen.
De tweede factuur is gevonden in een andere auto van betrokkene en daarop staat aangetekend dat het verschuldigde bedrag van € 965,35 contant is voldaan. Deze factuur is gedateerd 28 juni 2013 en geadresseerd aan betrokkene op diens privé adres. Het hof acht aannemelijk dat betrokkene deze uitgave heeft gedaan.
Het hof schat de contante uitgaven inzake reparaties aan de BMW [kenteken 1] op een bedrag van (€ 3.980,00 + € 965,35) € 4.945,35.
Uitgaven: Primark, Tip de Bruin, Louis Vuitton
Tijdens de doorzoeking van de woning van betrokkene zijn een aantal kassabonnen gevonden.
Een kassabon is van Primark en heeft betrekking op een contant betaalde aankoop op 5 oktober 2013 voor een bedrag van € 73,00.
De verdediging heeft gesteld dat deze aankoop is gedaan door de vriendin van betrokkene die destijds studiefinanciering zou hebben ontvangen.
Naar het oordeel van het hof is deze stelling onvoldoende concreet nu niet wordt gesteld wie dit geweest zou zijn. Het hof acht aannemelijk dat betrokkene deze uitgave heeft gedaan en het hof schat de uitgave op € 73,00.
Een tweede gevonden kassabon betreft een aankoop van € 99,90 bij Tip de Bruin die contant is voldaan op 16 augustus 2013.
Betrokkene heeft bevestigd deze uitgave te hebben gedaan. Het hof acht aannemelijk dat hij dat heeft gedaan en schat de uitgave op € 99,90.
Als derde zijn er twee kassabonnen gevonden betreffende aankopen gedaan bij Louis Vuitton ten bedrage van € 485,00 op 6 september 2013 en € 435,00 op 21 juni 2013. Ook deze uitgaven zijn blijkens de bonnen contant voldaan.
De verdediging heeft aangevoerd dat betrokkene deze zaken, namelijk een zonnebril en schoenen, tweedehands via Marktplaats heeft gekocht voor de helft van de nieuwwaarde, te weten € 460,00 en daarbij om de aankoopbonnen heeft gevraagd en deze ook heeft gekregen.
Deze stellingen zijn niet concreet onderbouwd en gespecificeerd en naar het oordeel van het hof zijn deze om die reden niet aannemelijk geworden.
Het hof acht aannemelijk dat betrokkene contant enkele Louis Vuitton goederen heeft gekocht voor een bedrag van in totaal € 920,00 (€ 485,00 + € 435,00) en schat derhalve de in aanmerking te nemen uitgave op dit bedrag.
Het totaal van deze drie uitgaven is € 1.092,90.
Uitgave: brandstof
Hierboven is overwogen waarom het hof aannemelijk acht dat betrokkene de BMW met het [kenteken 1] in gebruik had vanaf de aanschaf.
Bij taxatie van de auto op 10 januari 2013 stond de kilometerteller op 93.864. Op 30 oktober 2013, één dag na de inbeslagname, stond de teller op 140.620. Het verschil tussen deze standen is 46.756 zodat geconcludeerd kan worden dat binnen deze twee genoemde data er 46.756 kilometer met de auto is gereden.
De verdediging heeft er op gewezen dat de auto stond geregistreerd op naam van de vennootschap onder firma en dat deze vennootschap onder firma alle kosten van deze auto op zich heeft genomen. Voorts wijst de verdediging er op dat deze auto onder medeverdachte [betrokkene 5] in beslag is genomen.
Gezien de verklaring van betrokkene dat de auto van hem is en hij degene is die meestal in de auto rijdt, acht het hof aannemelijk dat betrokkene ook de brandstofkosten van deze auto voor zijn rekening heeft genomen. Naast de blote stelling van betrokkene is er geen enkele aanwijzing in het dossier dat de brandstofkosten door de vennootschap onder firma zijn voldaan. Het hof acht die stelling daarom onaannemelijk. Het enkele feit dat de auto voor de deur van [betrokkene 5] stond toen die in beslag is genomen brengt niet automatisch mee dat [betrokkene 5] de brandstofkosten heeft voldaan. Betrokkene heeft niets concreets aangevoerd op dit punt en het hof verwerpt daarom het verweer. Uit de onderzochte bankrekening van betrokkene blijkt dat hij een bedrag van € 42,18 via de bank heeft voldaan aan brandstofkosten.
Conform het rapport schat het hof de uitgave inzake de brandstofkosten op € 4.007,82.
Bezit contant geld
Tijdens de doorzoeking van de woning van betrokkene op 29 oktober 2013 is een bedrag van € 485,00 aan contant geld aangetroffen. Het hof neemt dit bedrag in aanmerking als eindsaldo contant geld.
Kasopstelling
De kasopstelling luidt op grond van voorgaande overwegingen als volgt:
Beginsaldo contant geld € 0,00
Opnames bankrekening 1.760,00
Legale contante inkomsten 0,00
Eindsaldo contant geld 485,00
Beschikbaar voor uitgaven€ 1.275,00
Werkelijke uitgaven
MOT-melding € 3.884,00
Contante stortingen op eigen rekening 16.590,00
Inrichting 1.500,00
BMW [kenteken 2] 17.000,00
Audi A3 [kenteken 4] 8.000,00
BMW [kenteken 1] 8.400,00
Facturen Van [betrokkene 4] 4.945,35
Primark, Tip de Bruin, Louis Vuitton 1.092,90
Brandstof 4.007,82
Totaal uitgaven:€ 65.420,07
Het verschil tussen de werkelijke uitgaven en het bedrag dat voor uitgaven beschikbaar was is € 64.145,07.
Het hof stelt vast dat door of namens de betrokkene geen aannemelijke verklaring is gegeven voor het negatieve kasverschil en stelt derhalve het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op dit bedrag.
Vaststelling van de betalingsverplichting
(…) Het hof acht vanwege deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn een vermindering van de betalingsverplichting op zijn plaats van 20%.
Daarnaast ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van betrokkene aanleiding het bedrag van de betalingsverplichting verder te verminderen tot € 45.000,00.”

3.Juridisch kader

3.1
De eerste drie leden van art. 36e Sr luiden sinds de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming [4] per 1 juli 2011 als volgt:
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;
b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.”
3.2
Het hof heeft de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, doen steunen op een rapport waarin een berekeningssysteem is gebezigd waarin a) is uitgegaan van gegevens die betrekking hebben op de periode waarin de bewezenverklaarde feiten zijn begaan,
b) als relevante gegevens onder meer zijn gebezigd
(1) het beginsaldo contant geld;
(2) de door de betrokkene gedane contante uitgaven, waaronder contante stortingen op bankrekeningen;
(3) de legale contante inkomsten, inclusief bankopnamen;
(4) het eindsaldo aan contante gelden, en
c) het negatieve verschil tussen contante uitgaven en ontvangsten, dat slechts veroorzaakt kan zijn door een onverklaarde bron van ontvangsten, wordt aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van art. 36e Sr.
3.3
Deze berekeningswijze, die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling, komt in ieder geval in aanmerking bij toepassing van het derde lid van art. 36e Sr. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke "andere strafbare feiten" op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarnaast kan deze berekeningswijze worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr. [5]
3.4
De onderdelen a en b van art. 36e lid 3 Sr maken een bewijsvermoeden mogelijk dat tot maximaal zes jaren terug kan gaan in de tijd, gerekend vanaf de pleegdatum van het gronddelict
. “Door de werking van het bewijsvermoeden, zal nu eerder van de veroordeelde mogen worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat aangetroffen vermogensbestanddelen op een legale wijze zijn verkregen.” [6]
3.5
Op grond van art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Volgens art. 511e lid 1 Sv (in eerste aanleg) en artikel 511g lid 2 Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359 lid 3 Sv Pro van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak met voldoende nauwkeurigheid de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover die de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevatten. [7]
3.6
Als wettig bewijsmiddel zal vaak een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport bij de stukken zijn gevoegd met een beredeneerde, al dan niet door de methode van een vermogensvergelijking of een (eenvoudige) kasopstelling verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Zo’n rapport is meestal zo ingericht dat daarin, onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens, gevolgtrekkingen worden verbonden aan de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten. [8]
3.7
Als en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking – volgens vaststelling door de rechter – door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport. [9]
3.8
Als door of namens de betrokkene zo’n gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, moeten aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks wat door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Als de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359 lid 3 Sv Pro voortvloeiende verplichting voldaan. [10]

4.Het eerste middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de betrokkene geen legale contante inkomsten heeft gehad onbegrijpelijk is, omdat de verdediging “heeft aangevoerd en onderbouwd dat de [betrokkene] door de Belastingdienst is aangeslagen voor de inkomstenbelasting en bijdrages Zorgverzekeringswet”.
4.2
Uit zowel de cassatieschriftuur als de overwegingen van het hof blijkt dat de raadsman van de betrokkene ter onderbouwing van zijn standpunt [11] aan het hof slechts een brief d.d. 20 november 2018 van zijn adviseur/boekhouder gericht aan de Belastingdienst heeft overgelegd, inhoudende een overzicht van openstaande aanslagen inkomstenbelasting respectievelijk zorgverzekeringswet.
4.3
Anders dan de steller van het middel, lees ik de overwegingen van het hof niet zo dat het hof uitgaat “van de juistheid dat deze aanslagen zijn opgelegd aan de veroordeelde”. Integendeel: het hof heeft overwogen dat de betrokkene “geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd van de gestelde inkomsten” nu er onder meer “geen kopieën van belastingaangiftes” zijn.
4.4
Voor zover het middel – blijkens de daarop gegeven toelichting – op de rechtsopvatting berust dat een brief van een adviseur/boekhouder met daarin een overzicht van openstaande aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet dezelfde rechtskracht heeft als een “definitieve aanslag van de Belastingdienst”
,faalt het, omdat die opvatting simpelweg onjuist is. Gelet daarop behoeven de in de toelichting opgeworpen klachten, die uitgaan van die onjuiste rechtsopvatting, geen bespreking.
4.5
Het oordeel van het hof dat en waarom uit de in randnummer 4.2 bedoelde brief niet kan worden afgeleid dat de betrokkene legaal inkomen heeft gehad, is zonder meer begrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof op geen enkele wijze heeft gemotiveerd waarom de verklaring van de betrokkene dat niet hij maar zijn zakenpartner [betrokkene 3] de BMW met [kenteken 2] heeft betaald, niet aannemelijk is geworden.
5.2
Het hof heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat de betrokkene zelf degene is geweest die de BMW heeft gekocht en betaald, nu de BMW op 14 juli 2012 op zijn naam is geregistreerd en de verklaring die de betrokkene geeft – te weten dat de BMW is gekocht door zijn medevennoot [betrokkene 3] voor de nog op te richten vennootschap en dat de BMW op naam van de betrokkene is gezet omdat de vennootschap nog niet was opgericht – niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel acht ik niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd, nu uit de enkele omstandigheid dat de BMW op naam van de betrokkene is geregistreerd niet zonder meer volgt dat hij deze BMW ook heeft betaald en derhalve uit die motivering niet blijkt waarom ’s hofs oordeel meer aannemelijk is dan de verklaring van de betrokkene.
5.3
Het middel is terecht voorgesteld.

6.Het derde middel

6.1
In het middel wordt geklaagd (i) dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de betrokkene het aankoopbedrag van de Audi met [kenteken 3] zou hebben gefinancierd en (ii) dat het hof het verweer van de verdediging dat deze Audi juist door [betrokkene 3] is betaald om zich in de onderneming van de betrokkene in te kopen, zonder enige motivering terzijde heeft geschoven. Het oordeel van het hof is daarom onvoldoende gemotiveerd.
6.2
De verdediging stelt dat ze in de schriftelijke conclusie van 14 april 2023 heeft aangevoerd dat [betrokkene 3] zich moest inkopen in de onderneming van de betrokkene, dat [betrokkene 3] medevennoot werd van de onderneming die door de betrokkene zelf was gestart in de vorm van een eenmanszaak en dat de betaling van de Audi door [betrokkene 3] onderdeel uitmaakte van dat inkopen in de onderneming. Nu deze schriftelijke conclusie niet is aangetroffen in het door het hof aan de Hoge Raad toegezonden dossier kan in cassatie niet worden gecontroleerd of deze conclusie wel is overgelegd aan het hof. Ik moet er daarom vanuit gaan dat dit niet is gebeurd. Daarmee vervalt de grondslag onder de tweede klacht dat het hof dit verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
6.3
Het hof heeft kort gezegd geoordeeld dat [betrokkene 3] van [A] de Audi heeft gekocht van [betrokkene 2] en aan hem contant heeft betaald, dat de betrokkene aan [betrokkene 6] heeft gevraagd de Audi op haar naam te zetten, dat zij de Audi nooit in haar bezit had maar dat zij wel veel bekeuringen ontving en dat de betrokkene “uiteindelijk” de Audi op zijn eigen naam heeft laten zetten. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het op grond daarvan aannemelijk is dat het de betrokkene is geweest die de Audi gebruikte, zowel in de periode dat die op naam van [betrokkene 6] stond als toen die op naam van de betrokkene stond en dat, nu het ook de betrokkene is geweest die aan [betrokkene 6] heeft gevraagd de auto op haar naam te zetten, het voldoende aannemelijk is dat het ook de betrokkene is geweest die het aankoopbedrag van de auto heeft gefinancierd, aan welk oordeel niet kan afdoen dat [betrokkene 3] mogelijk degene is geweest die feitelijk contact met [betrokkene 2] heeft gehad.
6.4
Het oordeel van het hof dat het de betrokkene is geweest die het aankoopbedrag van de Audi heeft gefinancierd acht ik niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de enkele omstandigheid dat de betrokkene de Audi (mogelijk) gebruikte en aan [betrokkene 6] heeft gevraagd om deze op haar naam te zetten niet volgt dat hij de Audi ook heeft gefinancierd.
6.5
Het middel is terecht voorgesteld.

7.Het vierde middel

7.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de betrokkene het aankoopbedrag van de BMW met [kenteken 1] (hierna: de BMW) heeft betaald, onvoldoende is gemotiveerd omdat (i) daartoe ontoereikend is de overweging van het hof dat de betrokkene zich als eigenaar van de BMW beschouwde en hij daar meestal in reed en (ii) het hof de stelling van de verdediging dat de koopovereenkomst op naam stond van de vennootschap onder firma (hierna: VOF) ongemotiveerd terzijde heeft geschoven.
7.2
De verdediging stelt dat het in de schriftelijke conclusie van 14 april 2023 heeft aangevoerd dat aannemelijk is dat het aankoopbedrag van de BMW door de VOF is betaald, nu zich in het dossier een koopovereenkomst bevindt waarop de VOF als koper is vermeld van de BMW, dat de BPM aangifte door de VOF is ingediend en de BPM door de VOF is betaald en dat ook de wegenbelasting door de VOF is betaald. Hoewel ook hier – evenals hiervoor bij randnr. 6.2 het geval was – er niet aan voorbij kan worden gegaan dat de schriftelijke conclusie van 14 april 2023 niet is aangetroffen in het door het hof aan de Hoge Raad toegezonden dossier, bespreek ik ten overvloede toch hetgeen het hof in dit verband heeft overwogen.
7.3
Het hof heeft allereerst overwogen dat de BMW is gekocht door de VOF van de betrokkene, dat de verschuldigde BPM is voldaan vanaf de zakelijke rekening van de VOF en dat het kenteken van 13 februari 2013 tot 15 juli 2013 op naam stond van deze vennootschap. Het hof heeft in de tweede plaats overwogen dat de BMW vanaf 15 juli 2013 op naam stond van de betrokkene, dat de betrokkene heeft verklaard dat hij de eigenaar is van de BMW, dat hij de auto heeft gekocht en ingevoerd en dat hij meestal in de auto reed en dat de BMW op 30 april 2013 en op 8 juni 2013 is staande gehouden wegens overtredingen waarbij de betrokkene de bestuurder was. Het hof heeft ten slotte overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de betrokkene enig bedrag aan de VOF heeft voldaan toen de auto per 15 juli 2013 op zijn eigen naam werd overgeschreven en geconcludeerd dat aannemelijk is dat de betrokkene de BMW in Duitsland heeft gekocht en betaald voor eigen gebruik en niet ten behoeve van de handelsvoorraad van de VOF.
7.4
Gelet op het voorgaande acht ik ’s hofs oordeel dat het aannemelijk is dat de betrokkene de BMW in Duitsland heeft gekocht en betaald voor eigen gebruik en niet ten behoeve van de handelsvoorraad van de VOF niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik merk – als gezegd: ten overvloede – op dat dat oordeel bovendien toereikend is gemotiveerd in het licht van hetgeen de verdediging stelt te hebben aangevoerd. Het hof heeft namelijk tevens niet onbegrijpelijk overwogen dat het feit dat de BMW eerst op naam van de VOF heeft gestaan niet van doorslaggevende betekenis is, evenmin als het feit dat de BPM en nog enkele kosten vanaf de bankrekening van de VOF is betaald, nu die registratie en betalingen niet afdoen aan de vaststelling dat de betrokkene zelf de BMW heeft gekocht in Duitsland en de BMW feitelijk gebruikte.
7.5
Het middel faalt.

8.Het vijfde middel

8.1
In het middel wordt geklaagd dat uit de motivering van het hof niet kan volgen dat de betrokkene zelf de facturen van [betrokkene 4] met betrekking tot de BMW met [kenteken 1] heeft voldaan, waardoor het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd.
8.2
Het hof heeft vastgesteld dat er twee facturen zijn gevonden met betrekking tot reparaties aan de BMW en het hof heeft daarover, kort gezegd, het volgende overwogen. De eerste factuur is in de BMW zelf gevonden, is gedateerd op 25 april 2013 en gericht aan de VOF van de betrokkene en “op die factuur is € 3.980,00 contant betaald” [12] . Nu uitsluitend de betrokkene de BMW gebruikte en hij de auto als zijn eigendom beschouwde – hoewel het kenteken op naam van vennootschap was geregistreerd – is het aannemelijk dat de betrokkene deze kosten heeft gedragen. De tweede factuur is gevonden in een andere auto van de betrokkene, is gedateerd op 28 juni 2013 en is geadresseerd aan de betrokkene op diens privéadres en daarop staat aangetekend dat het verschuldigde bedrag contant is voldaan. Het is aannemelijk dat de betrokkene deze uitgave heeft gedaan.
8.3
Ik acht het oordeel van het hof, mede gelet op zijn (hiervoor onder randnummer 7.3 besproken) niet onbegrijpelijke oordeel dat de betrokkene de BMW in Duitsland heeft gekocht en betaald voor eigen gebruik en niet ten behoeve van de handelsvoorraad van de VOF, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
8.4
Het middel faalt.

9.Het zesde middel

9.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de betrokkene de brandstofkosten voor de BMW met [kenteken 1] voor zijn rekening heeft genomen omdat hij deze in gebruik had “vanaf de aanschaf daarvan”, niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt, waardoor dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
9.2
Het hof heeft kort gezegd overwogen dat gelet op de verklaring van de betrokkene dat de BMW van hem is en hij degene is die meestal in de auto rijdt, het aannemelijk is dat de betrokkene ook de brandstofkosten van deze auto voor zijn rekening heeft genomen, en dat de verklaring van de betrokkene dat de brandstofkosten zijn voldaan door de VOF niet uit het dossier blijkt en daarom onaannemelijk is. Daaraan kan, anders dan de steller van het middel meent, niet afdoen dat door de verdediging in hoger beroep zou zijn aangevoerd (i) dat de BMW pas op 15 juli 2013 op naam van de betrokkene is geregistreerd en daarvoor op naam van de VOF stond en (ii) dat de betrokkene zijn onderneming maakte van een schadeherstelbedrijf en dat de BMW als vervangend vervoer werd meegegeven aan klanten en dat de betrokkene niet de benzinekosten heeft betaald.
9.3
Het middel faalt.

10.Slotsom

10.1
Het tweede en derde middel zijn terecht voorgesteld. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
10.2
Ambtshalve merk ik op dat de uitspraaktermijn in cassatie van vierentwintig maanden is overschreden op 3 november 2025. Indien de Hoge Raad mij volgt in de slotsom dat het tweede en/of derde middel leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, zal dit punt over de redelijke termijn bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kunnen worden gesteld. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2023 heeft de raadsman hier aanvullend medegedeeld: “De brief gedateerd 20 november, is zo neem ik in ieder geval aan, van 2018. In de tekst van de brief gaat het over 2018.”
2.Voetnoot in pleitnota: “ [internetsite] ”.
3.Met weglating van de door het hof gebruikte voetnoten.
4.Wet van 31 maart 2011,
5.Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414,
7.Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
8.Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
9.Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
10.Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
11.Het standpunt dat de betrokkene in de eenmanszaak en later in de vennootschap onder firma winst maakte en dat zijn handel voornamelijk in contanten plaatsvond.
12.Ik ga ervan uit dat het hof hier bedoelt “op die factuur is