ECLI:NL:PHR:2026:214

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
24/00729
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep tegen veroordeling wegens diefstal en belediging ambtenaar

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 28 februari 2024 veroordeeld wegens meerdere feiten van diefstal en eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening. De opgelegde straf betrof een gevangenisstraf van twee maanden.

Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft op 3 maart 2026 geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Het middel van cassatie richtte zich op de afwijzing van een aanhoudingsverzoek, maar faalde om dezelfde redenen als in samenhangende zaken 24/00731 en 24/00732.

De conclusie vermeldt tevens dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de korte duur van de opgelegde straf volstaat een constatering van deze overschrijding zonder verdere gevolgen.

De Hoge Raad zal het arrest van het gerechtshof bevestigen en het cassatieberoep verwerpen, waarmee de veroordeling van de verdachte ongewijzigd blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/00729
Zitting3 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
1. De verdachte is bij arrest van 28 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-001891-23) onder parketnummers 16-309947-22, 16-315286-22 en 16-335251-22 telkens wegens diefstal en onder parketnummer 16-325283-22 wegens 1. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd en 2. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 24/00732 en 24/00731. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel is gelijkluidend aan het eerste middel in de samenhangende zaak met nummer 24/00731 waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op hetzelfde aanhoudingsverzoek en dezelfde motivering van de afwijzende beslissing door het hof. [1] In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie.
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan eveneens worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro geschonden. Gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en de te verwachten overschrijding van de redelijke termijn, kan worden volstaan met een constatering van die overschrijding. [2]
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Het verzoek tot aanhouding is gedaan tijdens de gelijktijdige, doch niet gevoegde, behandeling van de samenhangende zaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. Het verzoek tot aanhouding en de (motivering van de) afwijzende beslissing zijn echter gelijk aan elkaar.
2.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2.