ECLI:NL:PHR:2026:21

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
24/01697
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld in vereniging tijdens woningoverval op festivalopbrengst

In deze zaak gaat het om een woningoverval die plaatsvond op 12 mei 2019, waarbij de dagopbrengst van het Hrieps festival in Grijpskerke werd gestolen. De verdachte, geboren in 1995, werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en 8 maanden voor diefstal met geweld, gepleegd in vereniging. De overval vond plaats in de nacht, waarbij de verdachte en mededaders de woning binnendrongen door een ruit in te gooien. De aangeefster, een 74-jarige vrouw, werd bedreigd met geweld en moest aanwijzen waar het geld lag. De verdachte heeft in cassatie drie middelen van verweer ingediend, waaronder klachten over de bewijsvoering en de schending van de onschuldpresumptie. Het hof oordeelde dat de eerste twee middelen falen, maar dat het derde middel slaagt, wat leidt tot een vernietiging van de uitspraak, maar enkel wat betreft de duur van de gevangenisstraf. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vermindering van de opgelegde straf en verwerping van het beroep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01697
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 april 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000149-22) veroordeeld wegens “diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van 3 jaren en 8 maanden (met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr). Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. Verder heeft het hof veertien stuks MDMA onttrokken aan het verkeer en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01694, 24/01696, 24/01735 en 24/01829. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Deze zaak maakt deel uit van het onderzoek Vico. Op 12 mei 2019 vindt er in [plaats] een overval op een woning plaats waarbij de dagopbrengst van het jaarlijkse muziekfestival Hrieps in [plaats] – voor welk bedrag Stichting Hrieps verantwoordelijk is – wordt buitgemaakt. De drie overvallers zijn, nadat een stoeptegel door het raam van de voordeur van de woning was gegooid en daarmee de toegang tot de woning was verschaft, voorzien van gezichtsbedekking en één van hen voorzien van een stok/knuppel, de trap naar de bovenverdieping opgegaan en hebben daar het 74-jarige slachtoffer dreigend gevraagd waar het geld lag. Het slachtoffer heeft de daders direct de kamer gewezen waar het geld lag en heeft zich daarna over haar 3-jarige kleinkind ontfermd. De verdachte is door het hof aangemerkt als een van de overvallers die in de woning is geweest. Het eerste middel bevat de klacht dat de gebezigde bewijsvoering ontoereikend is. Het tweede middel houdt in dat het hof bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van Stichting Hrieps de onschuldpresumptie als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM heeft geschonden. Het derde middel voert aan dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden en daarmee art. 6 lid 1 EVRM is geschonden.
2.2
Volgens deze conclusie falen de eerste twee middelen en slaagt het derde middel.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
hij op
of omstreeks12 mei 2019 te [plaats] , omstreeks 03:15 uur,
in elk gevalgedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning aldaar gelegen aan [a-straat 1] , tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen, een hoeveelheid geld ten bedrage van ongeveer 423.650 euro, althans ongeveer 362.980 euro, in elk gevaleen
(grote
)hoeveelheid geld,
datdiegeheel of ten deleaan een ander dan aan verdachte en
/ofzijn mededader
(s
)toebehoorde, te weten aan Stichting Hrieps, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
heeft/hebben verschaft
en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebrachtdoor middel van braak,
verbreking, en/of inklimming,welke diefstal werd
voorafgegaan,vergezeld
en/of gevolgdvan
geweld en/ofbedreiging met geweld tegen [aangeefster] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden,gemakkelijk te maken
en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door omstreeks 03.15 uur in de nacht een ruit van de woning van die [aangeefster] in te gooien en
/ofvervolgens de woning binnen te gaan en naar boven te lopen - gekleed in het zwart/donker en
/ofmet bivakmutsen op, in elk geval met gezichtsbedekking, en
/ofmet een stok/knuppel
, althans een voorwerp,in de handen en
/ofvervolgens aan die [aangeefster] dreigend te vragen waar het geld lag.
3.3
In het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van de bewijsmotivering gebruik gemaakt van de Promis-werkwijze. De omvangrijke (bewijs)overwegingen staan weergegeven op pag. 4 t/m 39 van het arrest. Deze overwegingen houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“I. Algemene overwegingen
In het onderzoek Vico heeft het hof naar aanleiding van het door vijf verdachten ingestelde hoger beroep en het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak in eerste aanleg van een andere verdachte in zes zaken gelijktijdig het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep behandeld. Aan alle verdachten is primair hetzelfde feit tenlastegelegd. In verband met deze samenhang acht het hof de gezamenlijke bespreking van verweren op de bewijsmiddelen en onderdelen van de tenlastelegging in hun onderlinge samenhang van belang, ook als daar niet expliciet een verweer op is gevoerd.
Aanleiding onderzoek
Op 12 mei 2019 is omstreeks 03.15 uur bij de politie een inbraak gemeld in een woning aan [a-straat 1] te [plaats] , met de melding dat er een groot geldbedrag was weggenomen. De – toen 74-jarige – aangeefster [aangeefster] was vlak daarvoor wakker geworden van een harde knal. In de woning bevond zich die nacht dat grote geldbedrag vanwege de naar die woning in etappes overgebrachte contante geldopbrengst van het muziekfestival Hrieps. De aangeefster had dat geld samen met iemand anders geteld. Omstreeks 02.45 uur is zij gaan slapen. In de woning was ook haar – toen 3-jarige – kleindochter aanwezig. Nadat de aangeefster de harde knal had gehoord, heeft zij haar slaapkamer verlaten om te kijken wat er aan de hand was. Op de overloop is zij met drie mannen geconfronteerd die de trap opliepen. De mannen waren in het zwart gekleed en hun hoofden waren bedekt met bivakmutsen. De voorste man zei: “Waar ligt het geld?”. Daarop heeft de aangeefster de logeerkamer aangewezen en heeft zij zich verschanst in de kamer waar haar kleindochter lag te slapen. Nadat de mannen weg waren heeft zij de slaapkamer verlaten en heeft zij gezien dat het glas van het bovenste raam van de voordeur eruit lag en dat een grote grindtegel op de grond lag in de hal. In de logeerkamer stonden eerder nog 6 tot 8 dozen met geteld geld. Bovenop het getelde geld lagen tassen met niet geteld geld. Al het geld was door de mannen meegenomen. De man die sprak had mogelijk een zwarte stok in zijn handen, die hij met beide handen voor zich vasthield.
Waardering van de bewijsmiddelen
Alvorens tot een beoordeling van het tenlastegelegde te kunnen komen zal het hof zich uitlaten over […] (III) het bewijs zelf op diverse onderdelen, en (IV) de waardering van de verschillende bewijsmiddelen.
[…]
Telefonische contacten op 11 en 12 mei 2019
Uit metingen nabij de woning in [plaats] waar het geldbedrag werd weggenomen, is gebleken dat vanaf daar zendmasten in [plaats] konden worden aangestraald. De vermoedelijk bij de diefstal gebruikte auto’s reden na de diefstal in de richting van [plaats] .
[…]
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat in de nacht en vroege ochtend van 12 mei 2019 meerdere telefoonnummers een zendmast in [plaats] hebben aangestraald. Meerdere van deze telefoonnummers zijn zogenoemde prepaid telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] , waarvan niet telkens is vastgesteld wie de (vermoedelijke) gebruikers van deze telefoons zijn geweest. Nu deze telefoonnummers alleen op 11 en 12 mei 2019 zijn gebruikt, acht het hof het aannemelijk geworden dat deze telefoons uitsluitend in gebruik zijn geweest bij personen die betrokken zijn geweest bij de diefstal die nacht in [plaats] en dat deze personen zich gedurende enige uren na de diefstal hebben verzameld en opgehouden in [plaats] .
Deze bevindingen zijn naar het oordeel van het hof minst genomen relevant voor de verklaring van de [getuige 1] , die heeft verklaard over de aanwezigheid van meerdere personen bij zijn woning in [plaats] op 12 mei 2019.
III. (b) Betrokkenheid Toyota IQ en grijze Volkswagen Polo
Nadat [getuige 2] de witte Toyota IQ van [C] had uitgeleend aan [verdachte] in de avond van 11 mei 2019 is een dergelijke auto op camerabeelden te zien in [plaats] om 20.44 uur (camerabeelden [A] ) en om 20.45 uur (camerabeelden [B] ).
Op dezelfde camerabeelden is achter de witte Toyota IQ steeds op korte afstand een tweedeurs lichtgrijze (camerabeelden [B] ) althans ziIverkleurige (camerabeelden [A] ) auto te zien met zwarte velgen en een beschadiging bij de wielkast rechts vooraan. Later, om 03.00 uur op 12 mei 2019, zijn op camerabeelden van [B] in [plaats] weer een witte Toyota IQ met een bedrijfslogo en een lichtgrijze auto vlak achter elkaar rijdend te zien. Over het bedrijfslogo op de Toyota IQ is een lichte horizontale streep te zien.
Op camerabeelden afkomstig uit de [b-straat] te [plaats] zijn om, 03.1.7 uur – het hof begrijpt: na de diefstal uit de woning – wederom samen te zien een witte Toyota IQ met bedrijfslogo en een grijze auto die sterke gelijkenissen heeft met een Volkswagen Polo, evenals op camerabeelden afkomstig uit de [c-straat] te [plaats] om 03.19 uur, rijdend richting [plaats] .
Voor de vraag of de auto’s op de camerabeelden betrokken zijn bij het feit kent het hof betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden:
- op de foto’s van de camerabeelden is steeds een combinatie te zien van een witte Toyota IQ met een specifiek bedrijfslogo en een grijze Volkswagen Polo. Dit bedrijfslogo blijkt het logo van [C] te zijn;
- beide auto’s zijn zeer kort na het feit te zien in de [b-straat 1] te [plaats] , waarbij het hof van belang acht dat deze straat ligt op de route vanaf [a-straat 1] (plaats delict) naar een doorgaande weg in [plaats] ;
- beide auto’s rijden kort na de diefstal in de richting van [plaats] ;
- beide auto’s worden direct achter elkaar rijdend gesignaleerd;
- beide auto’s zijn ook kort vóór het feit in [plaats] te zien, waarbij op dat moment het bedrijfslogo op de Toyota IQ is afgeplakt, terwijl dit logo nog niet was afgeplakt toen beide auto’s op 11 mei 2019 om 20.41 uur in [plaats] reden.
Op grond van deze feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat beide auto’s bij het feit betrokken zijn, waarbij het hof met name de combinatie van beide auto’s op alle camerabeelden, het klaarblijkelijke afplakken van het logo op een van de auto’s vlak vóór de diefstal en het tijdstip waarop en de plaats waar de beide auto’s in [plaats] (nabij de plaats delict) te zien waren van belang acht.
Beide auto’s stonden ten tijde van het feit ter beschikking aan de verdachten in dit onderzoek. De witte Toyota IQ was op de momenten dat de auto op de camerabeelden is te zien door [getuige 2] uitgeleend aan [verdachte] . Op het bedrijfslogo van de Toyota IQ die [getuige 2] had uitgeleend zijn na de diefstal witte resten te zien op het bedrijfslogo ter hoogte van de letters.
Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een andere bedrijfsauto van [C] dan de auto die door [getuige 2] was uitgeleend aan [verdachte] bij het feit betrokken was.
De grijze Volkswagen Polo behoort toe aan [medeverdachte 1] .
III. (c) Aantal daders
Door [getuige 3] is na het horen van een klap en glasgerinkel in de nabijheid van de plaats delict en na het horen van het geluid van een claxon gezien dat drie mannen in een lichtgrijze met draaiende motor voor [a-straat 1] geparkeerd staande auto stappen. Eén van de mannen gaat naast de bestuurder zitten. De tweede persoon gaat rechts achterin zitten en de derde persoon gaat achter de bestuurder zitten. Hierna rijdt de auto met spinnende banden weg.
Het hof stelt vast dat er dus in ieder geval een bestuurder in de geparkeerd staande lichtgrijze auto zat te wachten en daarmee minimaal vier personen in deze auto zaten. Terzijde merkt het hof op dat niet met een voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat deze bewuste grijze auto dezelfde is als de andere grijze auto die aan [medeverdachte 1] wordt toegeschreven en ook niet dat deze auto dus (ook) de Volkswagen Polo van [medeverdachte 1] was of moet zijn geweest.
Nu de bewuste Toyota IQ en de Volkswagen Polo van [medeverdachte 1] enige tijd voorafgaande aan het feit samen in [plaats] zijn te zien en eveneens zeer kort na het feit op camerabeelden in [plaats] te zien zijn, en daarna in [plaats] rijdend richting [plaats] , gaat het hof ervan uit dat de inzittenden van deze twee auto’s in elk geval kunnen worden aangemerkt als vijf bij de diefstal uit de woning betrokken daders. En dat deze personen bij [getuige 1] thuis in de woning zijn geweest. Het hof betrekt daarbij ook het tijdstip van de stappenactiviteit van [getuige 1] in de nacht van 11 en 12 mei 2019.
III. (d) De resultaten van het DNA-onderzoek
In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die na de melding van aangeefster als eerste omstreeks 03.19 uur op de plaats delict ter plaatse waren, is gerelateerd dat op de oprit, aan de rechter (zijde, aanvulling door het hof) van perceel [a-straat 1] te [plaats] drie tassen lagen: een rode en witte plastic boodschappentas en een donkere canvas sporttas. De bewoner van het perceel wist niet van wie die tassen waren, aldus het proces-verbaal van bevindingen. Het hof gaat ervan uit dat de tassen door de daders van de diefstal zijn achtergelaten, gelet op de tijd en de plaats van aantreffen en de omstandigheid dat de tassen kennelijk niet van de bewoner van het perceel waren. Dat brengt met zich dat het aantreffen van DNA van een bepaald persoon of bepaalde personen op deze tassen – in potentie – een sterke aanwijzing vormt dat deze perso(o)nen betrokken is/zijn bij de diefstal, ten minste als er geen andere aannemelijke verklaring is voor het aantreffen van de tassen, in onderling verband en in samenhang beschouwd.
Door en namens de verdachten is verweer gevoerd ten aanzien van het DNA-bewijs. In het bijzonder is de noodzakelijke chain of custody weersproken. Voorts is gesteld dat de waarde van het DNA-bewijs slechts relatief is omdat het bij tassen gaat om verplaatsbare voorwerpen, die niet delict-gerelateerd zijn, terwijl ook nog eens sprake was van meerdere donoren van DNA (zgn. mengprofielen). Het DNA-bewijs is daarmee al met al niet belastend voor de verdachten, aldus de verdediging.
[…]
[medeverdachte 2]
[…]
Het hof is dan ook – met de rechtbank – van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek voor [medeverdachte 2] belastend bewijs betreffen.
[medeverdachte 3]
[...]
De resultaten van het DNA-onderzoek zijn belastend voor [medeverdachte 3] .
[…]
III. (e) Uitgaven gedaan na 12 mei 2019
Uit het politie-onderzoek is naar voren gekomen dat drie van de verdachten na 12 mei 2019 uitgaven hebben gedaan die niet zonder meer verklaard kunnen worden uit het reguliere inkomen van de betreffende verdachte. Ten aanzien van de verdachte geldt daarbij het volgende.
[verdachte]
heeft op 22 mei 2019 contant een bedrag van € 2.260,13 bij [G] betaald, en op 23 mei 2019 een bedrag van € 2.669,43 aan [D] , incasso en gerechtsdeurwaarders, eveneens contant betaald. Met [G] had [verdachte] twee dagen voor de volledige afbetaling nog een betalingsregeling afgesproken.
Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat [verdachte] in de jaren 2017 en 2018 minder dan € 10.000,- aan looninkomsten heeft ontvangen. In 2019 waren zijn looninkomsten tot aan zijn aanhouding € 950,- netto. Daarnaast ontving hij zorgtoeslag. Het hof acht het aannemelijk dat hij deze gelden in die jaren (mede) heeft aangewend om te voorzien in zijn levensonderhoud.
Het hof passeert de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep dat hij ten behoeve van de beide afbetalingen een geldbedrag had geleend van een zekere [betrokkene 1] , waar de verdediging eveneens op heeft gewezen. Deze verklaring heeft hij op generlei wijze nader onderbouwd – evenmin in hoger beroep – en acht het hof niet aannemelijk geworden. Uit het voorgaande komt naar voren dat [verdachte] in de periode zeer kort na het feit kon beschikken over ongeveer € 5.000,- aan contant geld, dat niet kan worden verklaard uit legale inkomsten. Het hof acht dat – met de rechtbank – belastend en daarmee een indicatie voor zijn betrokkenheid bij het feit.
IV. (a) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 2]
Inleiding
heeft, na een aanvankelijk algehele ontkenning, uiteindelijk consistent verklaard dat zij de bedrijfsauto van haar werk, waar zij op dat moment de beschikking over had, op 11 mei 2019 heeft uitgeleend aan [verdachte] . Op de ochtend na de diefstal heeft zij [verdachte] in de woning van [betrokkene 2] gesproken. Toen zei [verdachte] dat haar werkauto niet was gebruikt als vluchtauto en gaf hij haar een bedrag van € 200,- aldus [getuige 2] .
[…]
Conclusie ten aanzien van de verklaringen van [getuige 2]
Concluderend ziet het hof ook nader beschouwd geen reden om de verklaringen van [getuige 2] als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig aan te merken. De verklaringen zijn dan ook – anders dan door de verdediging betoogd – bruikbaar voor het bewijs. Gelet daarop gaat het hof uit van de verklaring van [getuige 2] dat zij de bedrijfsauto van haar werk op 11 mei 2019 in de avond heeft uitgeleend aan [verdachte] , dat hij haar daarvoor de volgende dag een geldbedrag heeft gegeven en dat [medeverdachte 2] samen met [getuige 2] de (tape) resten van de auto heeft verwijderd.
[…]
IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1]
[…]
Vaststellingen hof
Het hof stelt vast dat de twee verschillende verklaringen van [getuige 1] – in de kern en op hoofdlijnen beschouwd – met elkaar overeenkomen. Deze hoofdlijnen duidt het hof als volgt. [getuige 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij de informatie over het wegnemen van de festivalopbrengst heeft gekregen van de verdachten in die zaak. [getuige 1] heeft van [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en van [medeverdachte 4] (met wie [getuige 1] naar eigen zeggen al vanaf zijn twaalfde jaar omgang heeft) gehoord wat er bij de boel van Hrieps (het hof begrijpt: op 12 mei 2019) precies is gebeurd. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) waren erbij betrokken. Ze waren ook ‘s morgens bij hem voor de deur.
[…]
Het hof zal de samenvatting van de verklaring van [getuige 1] als weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2019 niet voor het bewijs gebruiken, maar enkel onderdelen van de verklaring van de getuige zoals hij deze heeft afgelegd op 17 december 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris.
Met de verdediging is het hof tot slot van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] op de hiervoor weergegeven gronden met de nodige behoedzaamheid moeten worden gelezen. Ook voor de waardering van het bewijs zal het hof deze benodigde behoedzaamheid betrachten.
Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1]
Het hof stelt achtereenvolgens vast dat het dossier – zoals hiervoor reeds met vindplaatsen aangegeven – ondersteunend bewijsmateriaal biedt voor de volgende onderdelen van de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] die op 12 mei 2019 in [plaats] woonachtig was:
In algemene zin:
[getuige 1] heeft verklaard dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps, meerdere betrokkenen bij hem bij de woning zijn geweest. Uit onderzoek aan de telefoon van [getuige 1] is naar voren gekomen dat hij in avond van 11 mei 2019 en in de nacht van 11 op 12 mei 2019 actief was van 21.59 uur tot en met 03.42 uur. Opvallend is dat de stappenactiviteit van [getuige 1] die nacht om 03.24 uur weer start na een rust daarvoor van ongeveer 40 minuten. Dit gegeven past naar ‘s hofs
oordeel in het scenario dat de daders na het feit naar de woning van [getuige 1] zijn gekomen om daar de buit te tellen.
[getuige 1] heeft verklaard dat één van de daders de woning van aangeefster binnen is gegaan met een knuppel. De aangeefster heeft verklaard dat één van de mannen die haar woning was binnengedrongen mogelijk een zwarte stok in zijn handen had, hij had deze met beide handen vast en hield deze voor zich. Het hof maakt hieruit op - naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien - dat de daders van de diefstal waarbij de dagopbrengst van Hrieps is buit gemaakt mede gebruik hebben gemaakt van een knuppel/stok als dreigmiddel om hun daad kracht bij te zetten.
[getuige 1] heeft verklaard – op de vraag van de rechter-commissaris of de andere jongens [getuige 1] hebben verteld dat zij wel in de woning zijn geweest – dat [medeverdachte 4] hem heeft verteld dat er (het hof begrijpt: in de woning) drie jongen waren. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de aangeefster, dat er drie gemaskerde mannen bij haar in de woning waren.
[getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] hem heeft verteld dat ze met drie auto’s waren: “We waren met drie auto’s, maar jullie wisten maar af van twee”. [getuige 1] zelf heeft alleen de kleine, witte, auto gezien, met de stickers, met een doos vol geld in de kofferbak. Deze verklaring vindt steun in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen van de beelden van de twee verschillende betrokken auto’s, en de verklaringen van de getuigen van de plaats delict die niet uitsluiten dat er een derde auto betrokken is geweest op de plaats delict, alsook in de verklaring van de [getuige 2] .
[…]
Ten aanzien van [verdachte] :
[getuige 1] heeft verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] . [verdachte] was een van de daders die in de woning van de aangeefster is geweest. [verdachte] heeft de deur geforceerd. [getuige 1] heeft voorts van [medeverdachte 4] gehoord dat [verdachte] degene is geweest die de woning in is gegaan met een knuppel. Steun aan deze verklaring in de zin van de betrokkenheid van [verdachte] bij het strafbare feit wordt geboden door de verklaring van [getuige 2] dat zij de Toyota IQ van haar werk had uitgeleend aan [verdachte] op 11 mei 2019, de door haar gehoorde mededeling van [verdachte] de volgende dag in het huis van [betrokkene 2] dat haar auto niet gebruikt was als vluchtauto, en dat [verdachte] een stapel geld bij zich had, waarvan zij € 200,- heeft ontvangen (het hof begrijpt: voor het kennelijke gebruik van haar auto ten behoeve van de diefstal en in het bijzonder het vervoeren van de buit). Ook de inkomenspositie en het diametraal daar tegenover staande uitgavenpatroon van [verdachte] kort na 12 mei 2019 biedt steun aan de verklaring van [getuige 1] omtrent de betrokkenheid van [verdachte] bij de diefstal uit de woning waarbij een grote geldsom is buit gemaakt.
[…]
V. (Bedreiging met) geweld
In de tenlastelegging is ter omschrijving van het onderdeel geweld of bedreiging met geweld opgenomen het ingooien van een ruit, het in de woning naar boven lopen met – in ieder geval – gezichtsbedekking, met een stok of knuppel in de handen van een van hen, en het dreigend aan de aangeefster vragen waar het geld lag. Het ingooien van een ruit van de voordeur met een tegel
heeft in ieder geval gediend als een manier om de woning binnen te komen. Aangeefster is door de harde klap midden in de nacht wakker geschrokken en is gaan kijken wat er aan de hand was. Toen zij op de overloop liep werd zij geconfronteerd met drie in het zwart geklede mannen met gezichtsbedekking.
Aangeefster heeft haar eerste verklaring op 12 mei 2019 zeer vlak na het feit om 03.40 uur afgelegd. Later die ochtend, om 09.45 uur, heeft zij nader verklaard dat man I, die het woord deed, ‘mogelijk een zwarte stok in zijn handen had, deze met beide handen vasthield en deze voor zich hield’. De verdediging heeft aangevoerd dat door deze formulering twijfel kan bestaan over het al dan niet aanwezig zijn van een stok. Het gebruik van het woord ‘mogelijk’ ziet naar het oordeel van het hof onmiskenbaar op de kleur of de aard van het voorwerp in de handen van de dader, en niet op de vraag of deze dader een stok in zijn handen had. Dat blijkt immers uit het vervolg van de zin waarin aangeefster zonder enig voorbehoud aangeeft hoe de man dat voorwerp vast had. De aangifte komt in die zin bovendien overeen met de verklaring van [getuige 1] dat één van de daders die de woning in is gegaan een knuppel bij zich had. Daarmee acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat één van de daders een stok of knuppel bij zich had en dat hij die op een zodanige manier bij zich droeg dat die voor aangeefster zichtbaar was. Gelet hierop, en op het hierboven omschreven optreden door de drie daders in de woning, vormde het vasthouden van een stok of knuppel naar ‘s hofs oordeel in combinatie met het midden in de nacht door de drie gemaskerde daders vragen naar het geld een onderdeel van de bedreiging met geweld. Door onder die omstandigheden aan aangeefster te vragen waar het geld was, is naar het oordeel van het hof tevens sprake van ‘dreigend vragen’ als omschreven in de tenlastelegging.
[…]
VI. Medeplegen
Op grond van het vorenoverwogene is het hof, in onderling verband en in samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] betrokken zijn geweest bij de diefstal van de dagopbrengst van muziekfestival
Hrieps op 12 mei 2019. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachten zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat dit handelen kan worden beschouwd als medeplegen.
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening gehouden worden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van medeplegen, acht het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof is reeds hiervoor tot de conclusie gekomen dat er minimaal vijf personen zaten in twee van de drie auto’s die bij het plegen van het feit betrokken waren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] auto’s hebben geregeld althans beschikbaar hebben gesteld waarmee naar (de buurt van) de woning van aangeefster in [plaats] is gereden. Uit de camerabeelden volgt dat er op de avond voorafgaande aan het feit kennelijk een voorverkenning heeft plaatsgevonden waarbij deze auto’s zijn gebruikt. Na de diefstal zijn in ieder geval deze auto’s door de daders gebruikt om te vluchten. Meerdere personen, waaronder één of meer van de daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen, zijn vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen. Zoals eerder overwogen, merkt het hof [medeverdachte 1] aan als bestuurder van de Volkswagen Polo. Uit de omstandigheid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]
in de vroege ochtend na de diefstal door [medeverdachte 2] ’s vader zijn opgehaald uit [plaats] , de verklaring van [getuige 1] dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] naderhand bij zijn woning waren, alsmede de omstandigheid dat er DNA-sporen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de plaats delict zijn aangetroffen, leidt het hof af dat ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 3]
inzittenden waren van de auto’s dan wel deze (mede) hebben bestuurd.
Voor de onderlinge afstemming voor en na de diefstal is gebruik gemaakt van vijf speciaal voor het feit geactiveerde prepaid telefoons, waarvan het hof heeft vastgesteld dat – in ieder geval – [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] daar feitelijk de gebruikers van waren.
Uit het vorenoverwogene kan worden opgemaakt dat de buit na de diefstal onder meerdere personen is verdeeld. Dit vindt tevens zijn bevestiging in de omstandigheid dat de meeste verdachten ineens de beschikking hadden over grote contante geldbedragen die niet verklaard kunnen worden door hun legale inkomsten. Verder is nog van belang dat [getuige 1] een aantal van de verdachten aanwijst als de daders van het feit.
[…]
De bijdrage van [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] het feit heeft medegepleegd. Het hof acht in dit verband van belang dat er duidelijk sprake was van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan en dat [verdachte] de Toyota IQ heeft geregeld die bij het feit is gebruikt. [verdachte] is in de woning van de aangeefster geweest. Daarmee heeft [verdachte] een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding en de uitvoering van het plan. In [plaats] was [verdachte] aanwezig bij het tellen en verdelen van de buit. Hij heeft zijn deel van de buit ontvangen, gelet op zijn bestedingspatroon na het feit. Bij het gezamenlijke plan was de onderlinge afstemming tussen [verdachte] en zijn mededaders cruciaal. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [verdachte] van het begin tot het eind bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest. Naar het oordeel van het hof duidt dit alles erop dat [verdachte] een grote rol heeft gespeeld in de planning, de organisatie en/of de uitvoering van het feit.
[…]
Tot besluit
Niet kan worden vastgesteld welke dader – buiten [medeverdachte 3] en [verdachte] – nog meer de woning van aangeefster is binnengegaan. Wel kan worden vastgesteld dat de daders op een intensieve manier het feit hebben voorbereid en gepleegd, daarbij grondig te werk zijn gegaan, en over de juiste informatie moeten hebben beschikt ten aanzien van de organisatie van Hrieps. Op grond van de bewijsmiddelen en de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen, alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het feit, stelt het hof ten aanzien van elk van de genoemde verdachten vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte enerzijds en een of meer van zijn mededaders anderzijds. Zij hebben het feit in gezamenlijke uitvoering gepleegd en het hof acht de bijdrage van de verdachte daarbij van voldoende gewicht om de verdachte als medepleger te beschouwen.”
3.4
Verder is er in aanvulling op de in het bestreden arrest vermelde voetnoten nog een bijlage met twee bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen houden het volgende in:

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 mei 2019 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant met nr. PL2000­2019109277-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 63 e.v.):
als de op 12 mei 2019 afgelegde verklaring van [aangeefster] mede namens Stichting Hrieps:
Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte.
Ik woon samen met mijn man op [a-straat 1] in [plaats] . Op 12 mei 2019 was ik omstreeks 02.45 uur naar bed gegaan om te slapen. Ik had de voordeur afgesloten middels slot en sleutel. Mijn kleindochter [betrokkene 5] was logeren en lag al te slapen. [betrokkene 5] logeerde bij ons omdat mijn zoon [betrokkene 6] en schoondochter [betrokkene 7] één van de organisatoren zijn van het festival Hrieps en zij die nacht daar ook waren. Mijn man is ook een organisator en deze was ook bij het festival Hrieps.
Op diezelfde dag en datum, omstreeks 03.15 uur, schrok ik plotseling wakker van een harde knal. Omdat de knal erg hard was ben ik gaan kijken. Toen ik mijn slaapkamer uit liep en de overloop op stapte zag ik drie personen de trap op lopen naar boven. Ik zag dat alle drie de personen in het zwart gekleed waren en hun hoofden bedekt waren met een bivakmuts. Daarnaast droegen de personen handschoenen. Ik zag dat de personen een slank postuur hadden en vanwege hun behendigheid vermoed ik dat het jonge mannen zijn.
Toen de eerste man boven was hoorde ik dat de man zei: “waar ligt het geld?”. Ik hoorde dat deze man dit op een bepaald accent zei. Ik heb gelijk aangewezen in welke slaapkamer het geld lag en ik ben vervolgens de slaapkamer in gelopen waar mijn kleindochter lag te slapen. Toen ik de deur van deze slaapkamer wilde sluiten zag ik dat alle drie de mannen de slaapkamer met het geld in waren gelopen. In deze slaapkamer lag de dagopbrengst van Hrieps. Toen ik hoorde dat de mannen weg waren ben ik uit de slaapkamer van mijn kleindochter gelopen. Beneden zag ik dat het bovenste raam van de voordeur het glas eruit lag. Daarnaast zag ik dat er een grote grindtegel op de grond lag in de hal.
Mijn schoondochter [betrokkene 7] heeft op zaterdag 11 mei 2019 omstreeks 23.45 uur de laatste opbrengst van Hrieps afgeleverd bij onze woning. Ik hoorde van [betrokkene 7] dat zij een licht grijs voertuig had zien staan in de straat waar ze een raar gevoel over had. Dit gevoel had ze ook telefonisch gedeeld met haar man [betrokkene 6] . Het geld lag opgeborgen in plasticzakken van MCD welke in ongeveer 7 kartonnen dozen lagen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 november 2019 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant met nr. ZB1 R019052-1064. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 69 e.v.):
als de op 21 november 2019 afgelegde verklaring van [aangeefster] :
V: Hoe verliep de avond van zaterdag 11 mei 2019?
A: Om ongeveer 21:30 uur a 21:45 uur ging mijn kleindochter [betrokkene 5] naar bed, zij was toen 3 jaar oud. Nadat [betrokkene 5] naar bed is gegaan zijn [betrokkene 8] en ik gaan tellen.
V: Hoe kwam dat geld wat geteld moest worden in jullie woning terecht?
A: In de middag was er al een keer geld gebracht, misschien wel twee keer. In de avond ook zo een vier keer. De laatste keer dat er geld werd gebracht was rond middernacht. In totaal is er dus ongeveer zes keer geld gebracht.
V: Dat geld komt de woning binnen, hoe wordt dat aangeleverd?
A: In plastic tassen. Dit zijn tassen van de MCD.
V: Per keer dat het geld gebracht werd, in hoeveel tassen zat het dan?
A: Meestal één of twee tassen per keer. Dit is voornamelijk papiergeld, zeker overdag. In de avond zat er weleens muntgeld bij.
V: Waar blijft intussen het geld?
A: Ik doe dat meestal naar boven, op de logeerkamer. Zoals ik het zei zijn we rond 22:00 uur gaan tellen. Tot die tijd heb ik alle keren de tassen die [betrokkene 7] bracht naar de logeerkamer gebracht.
V: Hoe ging dat geld tellen in zijn werk?
A: [betrokkene 8] en ik hebben beneden geteld. We hebben geteld aan eetkamertafel gewoon met de hand, zonder machine. We maken dan eerst een verdeling/sortering in alle vijfjes, tientjes, alle twintigjes, alle vijftigjes en honderdjes. Hierna leggen we de gesorteerde stapeltjes per 100 aantal in de dozen. Bijvoorbeeld per 100 biljetten van 50, per 100 biljetten van 20. Per stapel van 100 gaat er een elastiekje om. We slaan dan de elastiekjes 1 of 2 keer rond zo een stapel. Deze stapel gaat dan per soort in een doosje. Dus een doosje met 100 eurobiljetten, met 50, etc.
V: [betrokkene 8] was weg, en toen?
A: Ik ben nog ongeveer een uurtje doorgegaan met tellen. Tot ongeveer 02:00 uur, of iets later. Ik heb toen al het geld wat we geteld hadden naar boven gebracht op de logeerkamer.
V: Hoe stond het dan rond die tijd op de logeerkamer?
A: Ik heb alle doosjes neergezet op de logeerkamer. Hierin zat dus al getelde geld. Er zitten kleppen op deze dozen, deze stonden open. De tassen (niet geteld geld) heb ik bovenop het getelde geld gezet, in de dozen dus. Totaal stonden er dus 6 tot 8 dozen compact bij elkaar die ze later hebben meegenomen.
V: Waar is het muntgeld gebleven?
A: Er zat ook muntgeld bij. Dit zat ook in de tassen die in de dozen stonden. Het muntgeld was niet geteld.”
3.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de verdachte heeft veroordeeld op basis van de op p. 31 van het arrest specifiek genoemde bewijsmiddelen (zie onder het kopje “Ten aanzien van [verdachte] ”). Uit die bewijsmiddelen zou evenwel niet kunnen volgen dat [getuige 1] op de verdachte doelt wanneer hij in zijn verklaring spreekt over [verdachte] , omdat hij telkens slechts over ene [verdachte] spreekt en daarbij geen achternaam benoemt. Ook wordt opgemerkt dat het hof ten behoeve van de bewezenverklaring de verklaring van [getuige 2] over het uitlenen aan de verdachte van de Toyota IQ van haar werk als bewijsmiddel heeft gebezigd, terwijl uit het enkele feit dat de verdachte van haar de auto zou hebben geleend niet kan volgen dat de verdachte op de plaats delict aanwezig is geweest en zodoende als bewezenverklaard medepleger betrokken is geweest bij de diefstal met bedreiging met geweld. Daarbij wordt opgemerkt dat het regelen dan wel besturen van een vluchtauto – voor zover de Toyota IQ daarvoor al zou zijn gebruikt – een handeling is die volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad in de regel met medeplichtigheid in verband wordt gebracht. De inkomenspositie van de verdachte en het daar volgens het hof diametraal tegenoverstaande uitgavenpatroon van de verdachte kort na 12 mei 2019 zou evenmin redengevend zijn voor het medeplegen van het feit, omdat een dergelijk bewijsmiddel niets zegt over welke specifieke deelnemingsvorm aan de orde zou zijn, zo er al betrokkenheid van de verdachte zou zijn aan het ten laste gelegde feit. Volgens de steller van het middel is het verkrijgen van een deel van de buit en het betalen van een deel daarvan aan de leverancier van het veronderstelde vluchtvoertuig – zo dit al aan de orde zou zijn – een medeplichtigheidshandeling. Ook als de voorgaande klachten niet zouden slagen meent de steller van het middel dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen volgen dat het enkel mogelijk bij zich dragen van een stok door een van de daders zodanig dreigend is geweest dat het slachtoffer daardoor werd gebracht tot het vertellen waar in de woning het geld lag. Daarbij wijst de steller van het middel erop dat de aangeefster in haar eerste verklaring bij de politie niet heeft gesproken over deze veronderstelde stok (“Verder heb ik in de snelheid geen wapens gezien bij de mannen.”), terwijl zij volgens hem in haar tweede verklaring opmerkt dat de man die het woord deed mogelijk een stok bij zich droeg. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster zou geenszins volgen dat de aangeefster door het zien van deze mogelijke stok heeft genoemd waar het geld in de woning lag. Uit haar verklaring zou bovendien blijken dat slechts is gevraagd “waar is het geld” en dat dit zeker niet op een dreigende toon zou zijn gezegd, terwijl uit haar voor het bewijs gebezigde verklaringen blijkt dat zij niet een keer heeft verklaard dat zij bang was of dat zij zich bedreigd voelde.
3.6
Het hof heeft vastgesteld dat daar waar [getuige 1] over “ [verdachte] ” spreekt hij daarmee de verdachte bedoelt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van de vaststellingen door het hof over het door [getuige 2] op 11 mei 2019 in de avond uitlenen van de bedrijfsauto van haar werk aan de verdachte, de door [getuige 2] op 12 mei 2019 in het huis van [betrokkene 2] gehoorde opmerkingen van de verdachte dat haar auto niet gebruikt was als vluchtauto, de ontvangst door [getuige 2] – uit een stapel geld die de verdachte bij zich had – van € 200,- (door het hof begrepen als: voor het kennelijke gebruik van de auto ten behoeve van de diefstal en in het bijzonder het vervoeren van de buit) en de vaststellingen over de door de verdachte na 12 mei 2019 gedane uitgaven.
3.7
Evenmin doel treft de klacht dat de verdachte niet als medepleger bij het feit betrokken zou zijn. Die klacht ziet er namelijk aan voorbij dat het hof niet enkel heeft vastgesteld dat de verdachte een vluchtauto heeft geregeld en bestuurd, bij het tellen en verdelen van de buit aanwezig was en dat zijn inkomenspositie diametraal tegenover zijn uitgavenpatroon na 12 mei 2019 staat (waaruit het hof afleidt dat de verdachte heeft gedeeld in de buit), maar vooral dat hij één van de daders – meer in het bijzonder de forceerder van de deur en degene met de knuppel – is die in de woning van de aangeefster is geweest. Dat het hof de verdachte als medepleger heeft aangemerkt is gelet hierop allerminst onbegrijpelijk en wel toereikend gemotiveerd.
3.8
Voor zover nog wordt geklaagd dat het door één van de daders bij zich dragen van een stok(/knuppel) niet zodanig bedreigend is geweest dat de aangeefster daardoor (mede) werd gebracht tot het aan de overvallers aanwijzen van de opslagplaats van het geld, wijs ik op de overwegingen van het hof onder het kopje
“V. (Bedreiging met) geweld”. Het hof heeft daarin vastgesteld dat de daders van de overval met een tegel een ruit van de woning hebben ingegooid en dat de aangeefster door de harde klap midden in de nacht wakker is geschrokken en is gaan kijken wat er aan de hand was. Ook heeft het hof vastgesteld dat de aangeefster toen zij op de overloop liep werd geconfronteerd met drie in het zwart geklede mannen met gezichtsbedekking, waarvan één van de mannen – blijkens de bewijsvoering door het hof de verdachte – een stok of knuppel bij zich had die zichtbaar was voor de aangeefster. Al deze gedragingen zijn in de tenlastelegging als uitwerking van (bedreiging met) geweld ten laste gelegd. Uit de vaststellingen door het hof blijkt bovendien dat de aangeefster zag op welke manier de man de stok bij zich droeg, namelijk met beide handen terwijl hij deze voor zich hield. Dat het hof onder genoemde omstandigheden het op deze wijze vasthouden van een stok of knuppel in combinatie met het midden in de nacht door drie gemaskerde daders vragen naar het geld als een onderdeel van de bedreiging met geweld heeft aangemerkt is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het oordeel dat sprake was van “dreigend vragen” als omschreven in de tenlastelegging. Daarbij merk ik nog op dat de door de aangeefster op 12 mei 2009 om 09:45 uur afgelegde verklaring inhoudt dat de man die het woord deed de stok vasthield en uit het onder 3.4 vermelde eerste bewijsmiddel blijkt dat de man die als eerste boven was het woord deed en de aangeefster toen direct heeft aangewezen in welke slaapkamer het geld lag, waarna zij zelf de slaapkamer waar haar kleindochter sliep is ingelopen. [1] De bewezenverklaarde bedreiging met geweld “met een stok/knuppel in de handen” is toereikend gemotiveerd.
3.9
Het eerste middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel houdt in dat het hof bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van Stichting Hrieps de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie heeft geschonden.
4.2
Het bestreden arrest houdt het volgende in:

Vordering tot schadevergoeding Stichting Hrieps
In het onderhavige strafproces heeft Stichting Hrieps zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 362.980,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens is een bedrag van € 4.982,- aan proceskosten gevorderd. Ter terechtzitting in eerste
aanleg zijn de gevorderde proceskosten mondeling vermeerderd met 8 uur x het uurtarief van € 265,-.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 362.980,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de in eerste en tweede aanleg gevorderde proceskosten conform het liquidatietarief van in totaal (€ 4.982,- + € 8.632,- =) € 13.614,-. In hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij bij gelegenheid van de tweede termijn het hof verzocht om in plaats van de gevorderde proceskosten conform het liquidatietarief de werkelijk gemaakte proceskosten ad € 18.900,- toe te wijzen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 362.980,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de proceskosten tot een bedrag van € 13.614,-.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat noch op basis van het dossier noch op basis van de vordering van de benadeelde partij met zekerheid valt vast te stellen hoe hoog de concreet geleden schade is. Onduidelijk blijft immers welk bedrag er exact is weggenomen op 12 mei 2019.
Dit blijkt niet uit de eigen administratie van de benadeelde partij en evenmin uit de berekening van de fiscus, waarin slechts is vermeld welk bedrag vermoedelijk is weggenomen.
Evenwel is het hof van oordeel dat er voldoende informatie voorhanden is om tot een onderbouwde en daarmee betrouwbare schatting van het weggenomen bedrag te kunnen komen. Het hof stelt daarbij voorop dat de inkomsten ten tijde van het festival voornamelijk uit de verkoop van munten en kleding kwamen. Vast is komen te staan dat er op het festival Hrieps hoofdzakelijk met contant geld werd betaald door de bezoekers. Tot 2019 was het immers niet mogelijk. Om elektronische betalingen te doen op het festivalterrein. Daardoor is het aannemelijk dat de administratie op het moment van de overval (nog) niet de daadwerkelijke stand van zaken weergaf en daarmee (nog) niet volledig was. Het hof zal – evenals de rechtbank – de vordering en de onderbouwing, voor zover aanwezig, in het licht van die omstandigheden bezien.
Bij de schatting heeft het hof mede acht geslagen op de gegevens van de Belastingdienst, in het bijzonder de aangifte van de omzetbelasting over het jaar 2018 door de benadeelde partij. Hieruit volgt dat de benadeelde partij in 2018 een omzet had van € 456.826,-. Zoals hiervoor overwogen betrof dit enkel contant geld, vanwege het ontbreken van de mogelijkheid tot het doen van elektronische betalingen. Deze omzet was gebaseerd op een bezoekersaantal van 5.800 personen. De benadeelde partij heeft, onbetwist gesteld dat het aantal bezoekers in 2019 was gestegen tot 7.500. Hierdoor is het aannemelijk dat de inkomsten in 2019 hoger waren dan in 2018.
Uit de factuur van [E] blijkt dat de benadeelde partij 120.000 munten heeft ingekocht. Uit de administratie van de benadeelde partij valt af te leiden dat de munten op enig moment van de avond van 11 mei 2019 zijn uitverkocht en dat een deel van de munten opnieuw is verkocht. Door de benadeelde partij is gesteld dat er die dag in totaal 159.944 munten zijn verkocht. Vermenigvuldigd met de verkoopprijs van € 2,50 komt dit neer op een bedrag van € 399.860,-. Het gedeelte dat via een pintransactie is betaald moet hierop in mindering worden gebracht, namelijk € 13.530,-. De opbrengst in contant geld van de muntverkoop schat het hof daarmee op een bedrag van € 386.330,-.
Voor wat betreft de kledingverkoop is van belang dat uit de factuur van [F] blijkt dat de benadeelde partij voor een bedrag van € 14.999,16 aan kleding heeft ingekocht. Volgens de administratie van de benadeelde partij is in totaal aan € 17.380,- aan contant geld besteed aan kleding. Dat bedrag moet bij de opbrengst van de muntverkoop warden opgeteld. Volgens diezelfde administratie is er een contante betaling verricht door de benadeelde partij aan de cateraar ter hoogte van € 40.730,-, die in mindering moet worden gebracht. Dit komt neer op een schadebedrag van € 362.980,-.-
Gelet op het voorgaande, alsmede de omstandigheid dat de Belastingdienst ook van laatstgenoemd bedrag is uitgegaan voor de voldoening van de omzetbelasting, ziet het hof aanleiding de omvang van de schade te schatten op het gevorderde bedrag van € 362.980,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat eveneens sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, dat in vereniging is begaan.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen voor een bedrag van € 362.980,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Stichting Hrieps
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 362.980, - aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Stichting Hrieps.
[…]
BESLISSING
[…]
Vordering van de benadeelde partij Stichting Hrieps
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Stichting Hrieps ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 362.980,00 (driehonderdtweeënzestigduizend negenhonderdtachtig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 13.838,00 (dertien duizend achthonderdachtendertig euro)en veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Stichting Hrieps, ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 362.980,00 (driehonderdtweeënzestigduizend negenhonderdtachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum
tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 330 (driehonderddertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 mei 2019.”
4.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de onder 3.2 weergegeven bewezenverklaring blijkt dat het hof de verdachte nadrukkelijk partieel heeft vrijgesproken van het daarin concreet vermelde schadebedrag van € 362.980,-. Volgens de steller van het middel brengt de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie mee dat de strafrechter die een verdachte al dan niet partieel heeft vrijgesproken van een ten laste gelegd strafbaar feit geen vaststellingen mag doen die alsnog de opvatting weerspiegelen dat de (partieel) vrijgesproken verdachte schuldig is aan dat strafbare feit of het onderdeel van het strafbare feit waarvan hij juist (partieel) is vrijgesproken. In het onderhavige geval zou de partiele vrijspraak voor het bedrag van € 362.980,- een door deze onschuldpresumptie beschermde vrijspraak zijn.
4.4
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte en zijn medeverdachten bij de overval op de woning van [aangeefster] op 12 mei 2019 “een grote hoeveelheid geld” hebben weggenomen. Van de specifiek in de tenlastelegging genoemde “hoeveelheid geld ten bedrage van ongeveer 423.650 euro, althans ongeveer 362.980 euro” heeft het hof de verdachte vrijgesproken.
4.5
Uit de onder 3.4 weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat de dagopbrengst van festival Hrieps op 12 mei 2019 in de slaapkamer van de door de verdachte en de medeverdachten overvallen woning van [aangeefster] lag. Het geld lag opgeborgen in plastic zakken van MCD die in ongeveer 7 kartonnen dozen lagen. Het ging voornamelijk om papiergeld en er zat ook muntgeld bij. Bij de handmatige telling van het geld waren er per soort biljet stapeltjes gemaakt van 100 en deze werden per soort biljet in een doosje gedaan. De doosjes met het getelde geld stonden in openstaande dozen en bovenop het getelde geld stonden tassen met niet geteld (munt)geld. Alle dozen met geld zijn door de verdachte en de medeverdachten meegenomen.
4.6
Uit voornoemde vaststellingen blijkt dat de verdachte en de medeverdachten op 12 mei 2019 de gehele dagopbrengst van festival Hrieps uit de woning van [aangeefster] hebben weggenomen en dat die dagopbrengst op het moment van het wegnemen daarvan nog niet volledig was geteld. Dat het hof heeft bewezenverklaard dat op 12 mei 2019 “een grote hoeveelheid geld” is weggenomen wekt daarom geen verbazing, terwijl de hoogte van het weggenomen bedrag eerst is kunnen worden vastgesteld op grond van het door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering overgelegde bewijs. [2] Niet kan worden gezegd dat het hof door het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel – een strafrechtelijke sanctie [3] – van € 362.980,- alsnog de schuld van de verdachte heeft aangenomen aan een strafbaar feit waarvan hij is vrijgesproken. De verdachte is immers niet vrijgesproken maar juist veroordeeld voor het in vereniging wegnemen van “een grote hoeveelheid geld” en die hoeveelheid is blijkens de – niet in cassatie bestreden – berekening door het hof in het kader van de vordering van de benadeelde partij vastgesteld op € 362.980,-. Van strijd met de onschuldpresumptie is geen sprake. [4]
4.7
Overigens merk ik op dat de rechter aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr kan opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daarbij is vereist dat het gaat om “rechtstreekse schade”. [5] Daarvan is sprake indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. [6] Het oordeel van het hof dat de verdachte tot een bedrag van € 362.980,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht is gelet op de onder 4.2 weergegeven vaststellingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.8
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
Het middel voert aan dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Namens de verdachte is op 26 april 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet dit leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

6.Afronding

6.1
Het eerste middel en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het derde middel slaagt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. voor een geval waarin de bedreiging niet tegen de afgeperste bankmedewerker maar tegen een ander werd aangewend HR 26 april 1994,
2.Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
3.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
4.Vgl. over de onschuldpresumptie in relatie tot de ontnemingsprocedure bijv. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03,
5.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
6.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,