3.3In het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van de bewijsmotivering gebruik gemaakt van de Promis-werkwijze. De omvangrijke (bewijs)overwegingen staan weergegeven op pag. 4 t/m 39 van het arrest. Deze overwegingen houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“I. Algemene overwegingen
In het onderzoek Vico heeft het hof naar aanleiding van het door vijf verdachten ingestelde hoger beroep en het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak in eerste aanleg van een andere verdachte in zes zaken gelijktijdig het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep behandeld. Aan alle verdachten is primair hetzelfde feit tenlastegelegd. In verband met deze samenhang acht het hof de gezamenlijke bespreking van verweren op de bewijsmiddelen en onderdelen van de tenlastelegging in hun onderlinge samenhang van belang, ook als daar niet expliciet een verweer op is gevoerd.
Aanleiding onderzoek
Op 12 mei 2019 is omstreeks 03.15 uur bij de politie een inbraak gemeld in een woning aan [a-straat 1] te [plaats] , met de melding dat er een groot geldbedrag was weggenomen. De – toen 74-jarige – aangeefster [aangeefster] was vlak daarvoor wakker geworden van een harde knal. In de woning bevond zich die nacht dat grote geldbedrag vanwege de naar die woning in etappes overgebrachte contante geldopbrengst van het muziekfestival Hrieps. De aangeefster had dat geld samen met iemand anders geteld. Omstreeks 02.45 uur is zij gaan slapen. In de woning was ook haar – toen 3-jarige – kleindochter aanwezig. Nadat de aangeefster de harde knal had gehoord, heeft zij haar slaapkamer verlaten om te kijken wat er aan de hand was. Op de overloop is zij met drie mannen geconfronteerd die de trap opliepen. De mannen waren in het zwart gekleed en hun hoofden waren bedekt met bivakmutsen. De voorste man zei: “Waar ligt het geld?”. Daarop heeft de aangeefster de logeerkamer aangewezen en heeft zij zich verschanst in de kamer waar haar kleindochter lag te slapen. Nadat de mannen weg waren heeft zij de slaapkamer verlaten en heeft zij gezien dat het glas van het bovenste raam van de voordeur eruit lag en dat een grote grindtegel op de grond lag in de hal. In de logeerkamer stonden eerder nog 6 tot 8 dozen met geteld geld. Bovenop het getelde geld lagen tassen met niet geteld geld. Al het geld was door de mannen meegenomen. De man die sprak had mogelijk een zwarte stok in zijn handen, die hij met beide handen voor zich vasthield.
Waardering van de bewijsmiddelen
Alvorens tot een beoordeling van het tenlastegelegde te kunnen komen zal het hof zich uitlaten over […] (III) het bewijs zelf op diverse onderdelen, en (IV) de waardering van de verschillende bewijsmiddelen.
[…]
Telefonische contacten op 11 en 12 mei 2019
Uit metingen nabij de woning in [plaats] waar het geldbedrag werd weggenomen, is gebleken dat vanaf daar zendmasten in [plaats] konden worden aangestraald. De vermoedelijk bij de diefstal gebruikte auto’s reden na de diefstal in de richting van [plaats] .
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat in de nacht en vroege ochtend van 12 mei 2019 meerdere telefoonnummers een zendmast in [plaats] hebben aangestraald. Meerdere van deze telefoonnummers zijn zogenoemde prepaid telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] , waarvan niet telkens is vastgesteld wie de (vermoedelijke) gebruikers van deze telefoons zijn geweest. Nu deze telefoonnummers alleen op 11 en 12 mei 2019 zijn gebruikt, acht het hof het aannemelijk geworden dat deze telefoons uitsluitend in gebruik zijn geweest bij personen die betrokken zijn geweest bij de diefstal die nacht in [plaats] en dat deze personen zich gedurende enige uren na de diefstal hebben verzameld en opgehouden in [plaats] .
Deze bevindingen zijn naar het oordeel van het hof minst genomen relevant voor de verklaring van de [getuige 1] , die heeft verklaard over de aanwezigheid van meerdere personen bij zijn woning in [plaats] op 12 mei 2019.
III. (b) Betrokkenheid Toyota IQ en grijze Volkswagen Polo
Nadat [getuige 2] de witte Toyota IQ van [C] had uitgeleend aan [verdachte] in de avond van 11 mei 2019 is een dergelijke auto op camerabeelden te zien in [plaats] om 20.44 uur (camerabeelden [A] ) en om 20.45 uur (camerabeelden [B] ).
Op dezelfde camerabeelden is achter de witte Toyota IQ steeds op korte afstand een tweedeurs lichtgrijze (camerabeelden [B] ) althans ziIverkleurige (camerabeelden [A] ) auto te zien met zwarte velgen en een beschadiging bij de wielkast rechts vooraan. Later, om 03.00 uur op 12 mei 2019, zijn op camerabeelden van [B] in [plaats] weer een witte Toyota IQ met een bedrijfslogo en een lichtgrijze auto vlak achter elkaar rijdend te zien. Over het bedrijfslogo op de Toyota IQ is een lichte horizontale streep te zien.
Op camerabeelden afkomstig uit de [b-straat] te [plaats] zijn om, 03.1.7 uur – het hof begrijpt: na de diefstal uit de woning – wederom samen te zien een witte Toyota IQ met bedrijfslogo en een grijze auto die sterke gelijkenissen heeft met een Volkswagen Polo, evenals op camerabeelden afkomstig uit de [c-straat] te [plaats] om 03.19 uur, rijdend richting [plaats] .
Voor de vraag of de auto’s op de camerabeelden betrokken zijn bij het feit kent het hof betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden:
- op de foto’s van de camerabeelden is steeds een combinatie te zien van een witte Toyota IQ met een specifiek bedrijfslogo en een grijze Volkswagen Polo. Dit bedrijfslogo blijkt het logo van [C] te zijn;
- beide auto’s zijn zeer kort na het feit te zien in de [b-straat 1] te [plaats] , waarbij het hof van belang acht dat deze straat ligt op de route vanaf [a-straat 1] (plaats delict) naar een doorgaande weg in [plaats] ;
- beide auto’s rijden kort na de diefstal in de richting van [plaats] ;
- beide auto’s worden direct achter elkaar rijdend gesignaleerd;
- beide auto’s zijn ook kort vóór het feit in [plaats] te zien, waarbij op dat moment het bedrijfslogo op de Toyota IQ is afgeplakt, terwijl dit logo nog niet was afgeplakt toen beide auto’s op 11 mei 2019 om 20.41 uur in [plaats] reden.
Op grond van deze feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat beide auto’s bij het feit betrokken zijn, waarbij het hof met name de combinatie van beide auto’s op alle camerabeelden, het klaarblijkelijke afplakken van het logo op een van de auto’s vlak vóór de diefstal en het tijdstip waarop en de plaats waar de beide auto’s in [plaats] (nabij de plaats delict) te zien waren van belang acht.
Beide auto’s stonden ten tijde van het feit ter beschikking aan de verdachten in dit onderzoek. De witte Toyota IQ was op de momenten dat de auto op de camerabeelden is te zien door [getuige 2] uitgeleend aan [verdachte] . Op het bedrijfslogo van de Toyota IQ die [getuige 2] had uitgeleend zijn na de diefstal witte resten te zien op het bedrijfslogo ter hoogte van de letters.
Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een andere bedrijfsauto van [C] dan de auto die door [getuige 2] was uitgeleend aan [verdachte] bij het feit betrokken was.
De grijze Volkswagen Polo behoort toe aan [medeverdachte 1] .
Door [getuige 3] is na het horen van een klap en glasgerinkel in de nabijheid van de plaats delict en na het horen van het geluid van een claxon gezien dat drie mannen in een lichtgrijze met draaiende motor voor [a-straat 1] geparkeerd staande auto stappen. Eén van de mannen gaat naast de bestuurder zitten. De tweede persoon gaat rechts achterin zitten en de derde persoon gaat achter de bestuurder zitten. Hierna rijdt de auto met spinnende banden weg.
Het hof stelt vast dat er dus in ieder geval een bestuurder in de geparkeerd staande lichtgrijze auto zat te wachten en daarmee minimaal vier personen in deze auto zaten. Terzijde merkt het hof op dat niet met een voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat deze bewuste grijze auto dezelfde is als de andere grijze auto die aan [medeverdachte 1] wordt toegeschreven en ook niet dat deze auto dus (ook) de Volkswagen Polo van [medeverdachte 1] was of moet zijn geweest.
Nu de bewuste Toyota IQ en de Volkswagen Polo van [medeverdachte 1] enige tijd voorafgaande aan het feit samen in [plaats] zijn te zien en eveneens zeer kort na het feit op camerabeelden in [plaats] te zien zijn, en daarna in [plaats] rijdend richting [plaats] , gaat het hof ervan uit dat de inzittenden van deze twee auto’s in elk geval kunnen worden aangemerkt als vijf bij de diefstal uit de woning betrokken daders. En dat deze personen bij [getuige 1] thuis in de woning zijn geweest. Het hof betrekt daarbij ook het tijdstip van de stappenactiviteit van [getuige 1] in de nacht van 11 en 12 mei 2019.
III. (d) De resultaten van het DNA-onderzoek
In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die na de melding van aangeefster als eerste omstreeks 03.19 uur op de plaats delict ter plaatse waren, is gerelateerd dat op de oprit, aan de rechter (zijde, aanvulling door het hof) van perceel [a-straat 1] te [plaats] drie tassen lagen: een rode en witte plastic boodschappentas en een donkere canvas sporttas. De bewoner van het perceel wist niet van wie die tassen waren, aldus het proces-verbaal van bevindingen. Het hof gaat ervan uit dat de tassen door de daders van de diefstal zijn achtergelaten, gelet op de tijd en de plaats van aantreffen en de omstandigheid dat de tassen kennelijk niet van de bewoner van het perceel waren. Dat brengt met zich dat het aantreffen van DNA van een bepaald persoon of bepaalde personen op deze tassen – in potentie – een sterke aanwijzing vormt dat deze perso(o)nen betrokken is/zijn bij de diefstal, ten minste als er geen andere aannemelijke verklaring is voor het aantreffen van de tassen, in onderling verband en in samenhang beschouwd.
Door en namens de verdachten is verweer gevoerd ten aanzien van het DNA-bewijs. In het bijzonder is de noodzakelijke chain of custody weersproken. Voorts is gesteld dat de waarde van het DNA-bewijs slechts relatief is omdat het bij tassen gaat om verplaatsbare voorwerpen, die niet delict-gerelateerd zijn, terwijl ook nog eens sprake was van meerdere donoren van DNA (zgn. mengprofielen). Het DNA-bewijs is daarmee al met al niet belastend voor de verdachten, aldus de verdediging.
[…]
Het hof is dan ook – met de rechtbank – van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek voor [medeverdachte 2] belastend bewijs betreffen.
[medeverdachte 3]
[...]
De resultaten van het DNA-onderzoek zijn belastend voor [medeverdachte 3] .
III. (e) Uitgaven gedaan na 12 mei 2019
Uit het politie-onderzoek is naar voren gekomen dat drie van de verdachten na 12 mei 2019 uitgaven hebben gedaan die niet zonder meer verklaard kunnen worden uit het reguliere inkomen van de betreffende verdachte. Ten aanzien van de verdachte geldt daarbij het volgende.
[verdachte]
heeft op 22 mei 2019 contant een bedrag van € 2.260,13 bij [G] betaald, en op 23 mei 2019 een bedrag van € 2.669,43 aan [D] , incasso en gerechtsdeurwaarders, eveneens contant betaald. Met [G] had [verdachte] twee dagen voor de volledige afbetaling nog een betalingsregeling afgesproken.
Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat [verdachte] in de jaren 2017 en 2018 minder dan € 10.000,- aan looninkomsten heeft ontvangen. In 2019 waren zijn looninkomsten tot aan zijn aanhouding € 950,- netto. Daarnaast ontving hij zorgtoeslag. Het hof acht het aannemelijk dat hij deze gelden in die jaren (mede) heeft aangewend om te voorzien in zijn levensonderhoud.
Het hof passeert de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep dat hij ten behoeve van de beide afbetalingen een geldbedrag had geleend van een zekere [betrokkene 1] , waar de verdediging eveneens op heeft gewezen. Deze verklaring heeft hij op generlei wijze nader onderbouwd – evenmin in hoger beroep – en acht het hof niet aannemelijk geworden. Uit het voorgaande komt naar voren dat [verdachte] in de periode zeer kort na het feit kon beschikken over ongeveer € 5.000,- aan contant geld, dat niet kan worden verklaard uit legale inkomsten. Het hof acht dat – met de rechtbank – belastend en daarmee een indicatie voor zijn betrokkenheid bij het feit.
IV. (a) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 2]
Inleiding
heeft, na een aanvankelijk algehele ontkenning, uiteindelijk consistent verklaard dat zij de bedrijfsauto van haar werk, waar zij op dat moment de beschikking over had, op 11 mei 2019 heeft uitgeleend aan [verdachte] . Op de ochtend na de diefstal heeft zij [verdachte] in de woning van [betrokkene 2] gesproken. Toen zei [verdachte] dat haar werkauto niet was gebruikt als vluchtauto en gaf hij haar een bedrag van € 200,- aldus [getuige 2] .
Conclusie ten aanzien van de verklaringen van [getuige 2]
Concluderend ziet het hof ook nader beschouwd geen reden om de verklaringen van [getuige 2] als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig aan te merken. De verklaringen zijn dan ook – anders dan door de verdediging betoogd – bruikbaar voor het bewijs. Gelet daarop gaat het hof uit van de verklaring van [getuige 2] dat zij de bedrijfsauto van haar werk op 11 mei 2019 in de avond heeft uitgeleend aan [verdachte] , dat hij haar daarvoor de volgende dag een geldbedrag heeft gegeven en dat [medeverdachte 2] samen met [getuige 2] de (tape) resten van de auto heeft verwijderd.
IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1]
Vaststellingen hof
Het hof stelt vast dat de twee verschillende verklaringen van [getuige 1] – in de kern en op hoofdlijnen beschouwd – met elkaar overeenkomen. Deze hoofdlijnen duidt het hof als volgt. [getuige 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij de informatie over het wegnemen van de festivalopbrengst heeft gekregen van de verdachten in die zaak. [getuige 1] heeft van [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en van [medeverdachte 4] (met wie [getuige 1] naar eigen zeggen al vanaf zijn twaalfde jaar omgang heeft) gehoord wat er bij de boel van Hrieps (het hof begrijpt: op 12 mei 2019) precies is gebeurd. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) waren erbij betrokken. Ze waren ook ‘s morgens bij hem voor de deur.
Het hof zal de samenvatting van de verklaring van [getuige 1] als weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2019 niet voor het bewijs gebruiken, maar enkel onderdelen van de verklaring van de getuige zoals hij deze heeft afgelegd op 17 december 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris.
Met de verdediging is het hof tot slot van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] op de hiervoor weergegeven gronden met de nodige behoedzaamheid moeten worden gelezen. Ook voor de waardering van het bewijs zal het hof deze benodigde behoedzaamheid betrachten.
Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1]
Het hof stelt achtereenvolgens vast dat het dossier – zoals hiervoor reeds met vindplaatsen aangegeven – ondersteunend bewijsmateriaal biedt voor de volgende onderdelen van de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] die op 12 mei 2019 in [plaats] woonachtig was:
In algemene zin:
[getuige 1] heeft verklaard dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps, meerdere betrokkenen bij hem bij de woning zijn geweest. Uit onderzoek aan de telefoon van [getuige 1] is naar voren gekomen dat hij in avond van 11 mei 2019 en in de nacht van 11 op 12 mei 2019 actief was van 21.59 uur tot en met 03.42 uur. Opvallend is dat de stappenactiviteit van [getuige 1] die nacht om 03.24 uur weer start na een rust daarvoor van ongeveer 40 minuten. Dit gegeven past naar ‘s hofs
oordeel in het scenario dat de daders na het feit naar de woning van [getuige 1] zijn gekomen om daar de buit te tellen.
[getuige 1] heeft verklaard dat één van de daders de woning van aangeefster binnen is gegaan met een knuppel. De aangeefster heeft verklaard dat één van de mannen die haar woning was binnengedrongen mogelijk een zwarte stok in zijn handen had, hij had deze met beide handen vast en hield deze voor zich. Het hof maakt hieruit op - naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien - dat de daders van de diefstal waarbij de dagopbrengst van Hrieps is buit gemaakt mede gebruik hebben gemaakt van een knuppel/stok als dreigmiddel om hun daad kracht bij te zetten.
[getuige 1] heeft verklaard – op de vraag van de rechter-commissaris of de andere jongens [getuige 1] hebben verteld dat zij wel in de woning zijn geweest – dat [medeverdachte 4] hem heeft verteld dat er (het hof begrijpt: in de woning) drie jongen waren. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de aangeefster, dat er drie gemaskerde mannen bij haar in de woning waren.
[getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] hem heeft verteld dat ze met drie auto’s waren: “We waren met drie auto’s, maar jullie wisten maar af van twee”. [getuige 1] zelf heeft alleen de kleine, witte, auto gezien, met de stickers, met een doos vol geld in de kofferbak. Deze verklaring vindt steun in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen van de beelden van de twee verschillende betrokken auto’s, en de verklaringen van de getuigen van de plaats delict die niet uitsluiten dat er een derde auto betrokken is geweest op de plaats delict, alsook in de verklaring van de [getuige 2] .
Ten aanzien van [verdachte] :
[getuige 1] heeft verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] . [verdachte] was een van de daders die in de woning van de aangeefster is geweest. [verdachte] heeft de deur geforceerd. [getuige 1] heeft voorts van [medeverdachte 4] gehoord dat [verdachte] degene is geweest die de woning in is gegaan met een knuppel. Steun aan deze verklaring in de zin van de betrokkenheid van [verdachte] bij het strafbare feit wordt geboden door de verklaring van [getuige 2] dat zij de Toyota IQ van haar werk had uitgeleend aan [verdachte] op 11 mei 2019, de door haar gehoorde mededeling van [verdachte] de volgende dag in het huis van [betrokkene 2] dat haar auto niet gebruikt was als vluchtauto, en dat [verdachte] een stapel geld bij zich had, waarvan zij € 200,- heeft ontvangen (het hof begrijpt: voor het kennelijke gebruik van haar auto ten behoeve van de diefstal en in het bijzonder het vervoeren van de buit). Ook de inkomenspositie en het diametraal daar tegenover staande uitgavenpatroon van [verdachte] kort na 12 mei 2019 biedt steun aan de verklaring van [getuige 1] omtrent de betrokkenheid van [verdachte] bij de diefstal uit de woning waarbij een grote geldsom is buit gemaakt.
[…]
V. (Bedreiging met) geweld
In de tenlastelegging is ter omschrijving van het onderdeel geweld of bedreiging met geweld opgenomen het ingooien van een ruit, het in de woning naar boven lopen met – in ieder geval – gezichtsbedekking, met een stok of knuppel in de handen van een van hen, en het dreigend aan de aangeefster vragen waar het geld lag. Het ingooien van een ruit van de voordeur met een tegel
heeft in ieder geval gediend als een manier om de woning binnen te komen. Aangeefster is door de harde klap midden in de nacht wakker geschrokken en is gaan kijken wat er aan de hand was. Toen zij op de overloop liep werd zij geconfronteerd met drie in het zwart geklede mannen met gezichtsbedekking.
Aangeefster heeft haar eerste verklaring op 12 mei 2019 zeer vlak na het feit om 03.40 uur afgelegd. Later die ochtend, om 09.45 uur, heeft zij nader verklaard dat man I, die het woord deed, ‘mogelijk een zwarte stok in zijn handen had, deze met beide handen vasthield en deze voor zich hield’. De verdediging heeft aangevoerd dat door deze formulering twijfel kan bestaan over het al dan niet aanwezig zijn van een stok. Het gebruik van het woord ‘mogelijk’ ziet naar het oordeel van het hof onmiskenbaar op de kleur of de aard van het voorwerp in de handen van de dader, en niet op de vraag of deze dader een stok in zijn handen had. Dat blijkt immers uit het vervolg van de zin waarin aangeefster zonder enig voorbehoud aangeeft hoe de man dat voorwerp vast had. De aangifte komt in die zin bovendien overeen met de verklaring van [getuige 1] dat één van de daders die de woning in is gegaan een knuppel bij zich had. Daarmee acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat één van de daders een stok of knuppel bij zich had en dat hij die op een zodanige manier bij zich droeg dat die voor aangeefster zichtbaar was. Gelet hierop, en op het hierboven omschreven optreden door de drie daders in de woning, vormde het vasthouden van een stok of knuppel naar ‘s hofs oordeel in combinatie met het midden in de nacht door de drie gemaskerde daders vragen naar het geld een onderdeel van de bedreiging met geweld. Door onder die omstandigheden aan aangeefster te vragen waar het geld was, is naar het oordeel van het hof tevens sprake van ‘dreigend vragen’ als omschreven in de tenlastelegging.
Op grond van het vorenoverwogene is het hof, in onderling verband en in samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] betrokken zijn geweest bij de diefstal van de dagopbrengst van muziekfestival
Hrieps op 12 mei 2019. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachten zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat dit handelen kan worden beschouwd als medeplegen.
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening gehouden worden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van medeplegen, acht het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof is reeds hiervoor tot de conclusie gekomen dat er minimaal vijf personen zaten in twee van de drie auto’s die bij het plegen van het feit betrokken waren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] auto’s hebben geregeld althans beschikbaar hebben gesteld waarmee naar (de buurt van) de woning van aangeefster in [plaats] is gereden. Uit de camerabeelden volgt dat er op de avond voorafgaande aan het feit kennelijk een voorverkenning heeft plaatsgevonden waarbij deze auto’s zijn gebruikt. Na de diefstal zijn in ieder geval deze auto’s door de daders gebruikt om te vluchten. Meerdere personen, waaronder één of meer van de daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen, zijn vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen. Zoals eerder overwogen, merkt het hof [medeverdachte 1] aan als bestuurder van de Volkswagen Polo. Uit de omstandigheid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]
in de vroege ochtend na de diefstal door [medeverdachte 2] ’s vader zijn opgehaald uit [plaats] , de verklaring van [getuige 1] dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] naderhand bij zijn woning waren, alsmede de omstandigheid dat er DNA-sporen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de plaats delict zijn aangetroffen, leidt het hof af dat ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 3]
inzittenden waren van de auto’s dan wel deze (mede) hebben bestuurd.
Voor de onderlinge afstemming voor en na de diefstal is gebruik gemaakt van vijf speciaal voor het feit geactiveerde prepaid telefoons, waarvan het hof heeft vastgesteld dat – in ieder geval – [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] daar feitelijk de gebruikers van waren.
Uit het vorenoverwogene kan worden opgemaakt dat de buit na de diefstal onder meerdere personen is verdeeld. Dit vindt tevens zijn bevestiging in de omstandigheid dat de meeste verdachten ineens de beschikking hadden over grote contante geldbedragen die niet verklaard kunnen worden door hun legale inkomsten. Verder is nog van belang dat [getuige 1] een aantal van de verdachten aanwijst als de daders van het feit.
De bijdrage van [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] het feit heeft medegepleegd. Het hof acht in dit verband van belang dat er duidelijk sprake was van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan en dat [verdachte] de Toyota IQ heeft geregeld die bij het feit is gebruikt. [verdachte] is in de woning van de aangeefster geweest. Daarmee heeft [verdachte] een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding en de uitvoering van het plan. In [plaats] was [verdachte] aanwezig bij het tellen en verdelen van de buit. Hij heeft zijn deel van de buit ontvangen, gelet op zijn bestedingspatroon na het feit. Bij het gezamenlijke plan was de onderlinge afstemming tussen [verdachte] en zijn mededaders cruciaal. Uit het voorgaande leidt het hof af dat [verdachte] van het begin tot het eind bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest. Naar het oordeel van het hof duidt dit alles erop dat [verdachte] een grote rol heeft gespeeld in de planning, de organisatie en/of de uitvoering van het feit.
Tot besluit
Niet kan worden vastgesteld welke dader – buiten [medeverdachte 3] en [verdachte] – nog meer de woning van aangeefster is binnengegaan. Wel kan worden vastgesteld dat de daders op een intensieve manier het feit hebben voorbereid en gepleegd, daarbij grondig te werk zijn gegaan, en over de juiste informatie moeten hebben beschikt ten aanzien van de organisatie van Hrieps. Op grond van de bewijsmiddelen en de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen, alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het feit, stelt het hof ten aanzien van elk van de genoemde verdachten vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte enerzijds en een of meer van zijn mededaders anderzijds. Zij hebben het feit in gezamenlijke uitvoering gepleegd en het hof acht de bijdrage van de verdachte daarbij van voldoende gewicht om de verdachte als medepleger te beschouwen.”