ECLI:NL:PHR:2026:17

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
24/01829
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Woningoverval met geweld tijdens Hrieps festival in Grijpskerke

In deze zaak gaat het om een woningoverval die plaatsvond op 12 mei 2019, waarbij de dagopbrengst van het Hrieps festival in Grijpskerke werd gestolen. De verdachte, geboren in 1996, is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en 8 maanden. De verdediging heeft in cassatie drie middelen ingediend. Het eerste middel betreft de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, waarbij het hof de verklaring van getuige [getuige 1] als voldoende betrouwbaar heeft beoordeeld. Het tweede middel betreft de vraag of er sprake is van medeplegen, waarbij het hof concludeert dat de verdachte een essentiële rol heeft gespeeld in de uitvoering van het delict. Het derde middel betreft de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, wat door het hof is erkend. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01829
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 april 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000150-22) wegens “diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 8 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. Verder heeft het hof een geldbedrag van € 175,- verbeurd verklaard, is een beslissing genomen over een tweetal TUL-vorderingen en is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01694, 24/01697, 24/01696 en 24/01735. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Deze zaak maakt deel uit van het onderzoek Vico. Op 12 mei 2019 vindt er een overval op een woning plaats waarbij de dagopbrengst van het jaarlijkse muziekfestival Hrieps in Grijpskerke wordt buitgemaakt. De drie overvallers, waarvan er één een stok/knuppel in handen had, zijn – nadat zij door het gooien van een stoeptegel door het raam van de voordeur de toegang tot de woning hadden verschaft – voorzien van gezichtsbedekking de trap naar de bovenverdieping opgegaan en hebben daar het 74-jarige slachtoffer dreigend gevraagd waar het geld lag. Het slachtoffer heeft de daders direct de kamer gewezen waar het geld lag en heeft zich daarna over haar 3-jarige kleinkind ontfermd. De verdachte, waarvan niet is kunnen worden vastgesteld dat hij de woning van het slachtoffer is binnengegaan, is door het hof als medepleger van de woningoverval aangemerkt. Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging ingenomen standpunt dat de verklaring van getuige [getuige 1] en de herkenning van de verdachte door de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] wegens onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Het tweede middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Het derde middel houdt in dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
2.2
Volgens deze conclusie falen het eerste middel en het tweede middel en slaagt het derde middel.

3.Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 12 mei 2019 te [plaats] , omstreeks 03:15 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning aldaar gelegen aan [a-straat 1] , tezamen en in vereniging met anderen, een grote hoeveelheid geld,
dieaan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan Stichting Hrieps , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door omstreeks 03.15 uur in de nacht een ruit van de woning van die [benadeelde] in te gooien en vervolgens de woning binnen te gaan en naar boven te lopen – gekleed in het zwart/donker en met bivakmutsen op, in elk geval met gezichtsbedekking, en met een stok/knuppel in de handen en vervolgens aan die [benadeelde] dreigend te vragen waar het geld lag.”
3.2
In het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van de bewijsmotivering gebruik gemaakt van de Promis-werkwijze. De omvangrijke (bewijs)overwegingen staan weergegeven op pag. 3 t/m 38 van het arrest. [1] Deze overwegingen houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

I. Algemene overwegingen
In het onderzoek Vico heeft het hof naar aanleiding van het door vijf verdachten ingestelde hoger beroep en het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak in eerste aanleg van een andere verdachte in zes zaken gelijktijdig het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep behandeld. Aan alle verdachten is primair hetzelfde feit tenlastegelegd. In verband met deze samenhang acht het hof de gezamenlijke bespreking van verweren op de bewijsmiddelen en onderdelen van de tenlastelegging in hun onderlinge samenhang van belang, ook als daar niet expliciet een verweer op is gevoerd.
Aanleiding onderzoek
Op 12 mei 2019 is omstreeks 03.15 uur bij de politie een inbraak gemeld in een woning aan [a-straat 1] te [plaats] , met de melding dat er een groot geldbedrag was weggenomen. De – toen 74-jarige – aangeefster [benadeelde] was vlak daarvoor wakker geworden van een harde knal. In de woning bevond zich die nacht dat grote geldbedrag vanwege de naar die woning in etappes overgebrachte contante geldopbrengst van het muziekfestival Hrieps . De aangeefster had dat geld samen met iemand anders geteld. Omstreeks 02.45 uur is zij gaan slapen. In de woning was ook haar – toen 3-jarige – kleindochter aanwezig. Nadat de aangeefster de harde knal had gehoord, heeft zij haar slaapkamer verlaten om te kijken wat er aan de hand was. Op de overloop is zij met drie mannen geconfronteerd die de trap opliepen. De mannen waren in het zwart gekleed en hun hoofden waren bedekt met bivakmutsen. De voorste man zei: “Waar ligt het geld?”. Daarop heeft de aangeefster de logeerkamer aangewezen en heeft zij zich verschanst in de kamer waar haar kleindochter lag te slapen. Nadat de mannen weg waren heeft zij de slaapkamer verlaten en heeft zij gezien dat het glas van het bovenste raam van de voordeur eruit lag en dat een grote grindtegel op de grond lag in de hal. In de logeerkamer stonden eerder nog 6 tot 8 dozen met geteld geld. Bovenop het getelde geld lagen tassen met niet geteld geld. Al het geld was door de mannen meegenomen. De man die sprak had mogelijk een zwarte stok in zijn handen, die hij met beide handen voor zich vasthield.
Waardering van de bewijsmiddelen
Alvorens tot een beoordeling van het tenlastegelegde te kunnen komen zal het hof zich uitlaten over […], (III) het bewijs zelf op diverse onderdelen, en (IV) de waardering van de verschillende bewijsmiddelen.
[…]
III. (a) Telecomgegevens
[…]
Contact [medeverdachte 1] met zijn vader op 12 mei 2019
Uit het onderzoek naar verkeers- en contactgegevens is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [betrokkene 1] , zijnde de vader van [medeverdachte 1] , op 12 mei 2019 omstreeks 05.53 uur contact heeft met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Deze laatste telefoon heeft op die dag en dat tijdstip een zendmast in [plaats] aangestraald. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met dat telefoonnummer zijn vader heeft gevraagd om hem op te komen halen in [plaats] . [betrokkene 1] heeft dat eveneens verklaard, alsmede dat hij niet alleen zijn zoon heeft opgehaald, maar ook nog een hem onbekende man, die hij samen met zijn zoon heeft meegenomen. [betrokkene 1] heeft zijn zoon en de onbekende man naar het NS station in Vlissingen gebracht.
[…]
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat in de nacht en vroege ochtend van 12 mei 2019 meerdere telefoonnummers een zendmast in [plaats] hebben aangestraald. Meerdere van deze telefoonnummers zijn zogenoemde prepaid telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] , waarvan niet telkens is vastgesteld wie de (vermoedelijke) gebruikers van deze telefoons zijn geweest. Nu deze telefoonnummers alleen op 11 en 12 mei 2019 zijn gebruikt, acht het hof het aannemelijk geworden dat deze telefoons uitsluitend in gebruik zijn geweest bij personen die betrokken zijn geweest bij de diefstal die nacht in [plaats] en dat deze personen zich gedurende enige uren na de diefstal hebben verzameld en opgehouden in [plaats] .
Deze bevindingen zijn naar het oordeel van het hof minst genomen relevant voor de verklaring van de getuige [getuige 1] , die heeft verklaard over de aanwezigheid van meerdere personen bij zijn woning in [plaats] op 12 mei 2019.
III. (b) Betrokkenheid Toyota IQ en grijze Volkswagen Polo
[…]
Op grond van deze feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat beide auto’s bij het feit betrokken zijn, waarbij het hof met name de combinatie van beide auto’s op alle camerabeelden, het klaarblijkelijke afplakken van het logo op een van de auto’s vlak vóór de diefstal en het tijdstip waarop en de plaats waar de beide auto’s in [plaats] (nabij de plaats delict) te zien waren van belang acht.
Beide auto’s stonden ten tijde van het feit ter beschikking aan de verdachten in dit onderzoek. De witte Toyota IQ was op de momenten dat de auto op de camerabeelden is te zien door [getuige 2] uitgeleend aan [medeverdachte 2] . Op het bedrijfslogo van de Toyota IQ die [getuige 2] had uitgeleend zijn na de diefstal witte resten te zien op het bedrijfslogo ter hoogte van de letters. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een andere bedrijfsauto van [B] dan de auto die door [getuige 2] was uitgeleend aan [medeverdachte 2] bij het feit betrokken was.
De grijze Volkswagen Polo behoort toe aan [medeverdachte 4] .
III. (c) Aantal daders
Door getuige [getuige 3] is na het horen van een klap en glasgerinkel in de nabijheid van de plaats delict en na het horen van het geluid van een claxon gezien dat drie mannen in een lichtgrijze met draaiende motor voor [a-straat] nummer [1] geparkeerd staande auto stappen. Eén van de mannen gaat naast de bestuurder zitten. De tweede persoon gaat rechts achterin zitten en de derde persoon gaat achter de bestuurder zitten. Hierna rijdt de auto met spinnende banden weg.
Het hof stelt vast dat er dus in ieder geval een bestuurder in de geparkeerd staande lichtgrijze auto zat te wachten en daarmee minimaal vier personen in deze auto zaten. Terzijde merkt het hof op dat niet met een voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat deze bewuste grijze auto dezelfde is als de andere grijze auto die aan [medeverdachte 4] wordt toegeschreven en ook niet dat deze auto dus (óók) de Volkswagen Polo van [medeverdachte 4] was of moet zijn geweest.
Nu de bewuste Toyota IQ en de Volkswagen Polo van [medeverdachte 4] enige tijd voorafgaande aan het feit samen in [plaats] zijn te zien en eveneens zeer kort na het feit op camerabeelden in [plaats] te zien zijn, en daarna in [plaats] rijdend richting [plaats] , gaat het hof ervan uit dat de inzittenden van deze twee auto’s in elk geval kunnen worden aangemerkt als vijf bij de diefstal uit de woning betrokken daders. En dat deze personen bij [getuige 1] thuis in de woning zijn geweest. Het hof betrekt daarbij ook het tijdstip van de stappenactiviteit van [getuige 1] in de nacht van 11 en 12 mei 2019.
III. (d) De resultaten van het DNA-onderzoek
In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die na de melding van aangeefster als eerste omstreeks 03.19 uur op de plaats delict ter plaatse waren, is gerelateerd dat op de oprit, aan de rechter (zijde, aanvulling door het hof) van perceel [a-straat 1] te [plaats] drie tassen lagen: een rode en witte plastic boodschappentas en een donkere canvas sporttas. De bewoner van het perceel wist niet van wie die tassen waren, aldus het proces-verbaal van bevindingen. Het hof gaat ervan uit dat de tassen door de daders van de diefstal zijn achtergelaten, gelet op de tijd en de plaats van aantreffen en de omstandigheid dat de tassen kennelijk niet van de bewoner van het perceel waren. Dat brengt met zich dat het aantreffen van DNA van een bepaald persoon of bepaalde personen op deze tassen – in potentie – een sterke aanwijzing vormt dat deze perso(o)nen betrokken is/zijn bij de diefstal, ten minste als er geen andere aannemelijke verklaring is voor het aantreffen van de tassen, in onderling verband en in samenhang beschouwd.
[…]
[medeverdachte 1]
[…]
Gelet op de bovenstaande bevindingen en met inachtneming van de overige bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat een deel van het DNA op de tape van de sporttas en de handvatten van de rode ‘Dirk’-tas van [medeverdachte 1] afkomstig is.
[…]
Het hof is dan ook – met de rechtbank – van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek voor [medeverdachte 1] belastend bewijs betreffen.
[medeverdachte 3]
[…]
Gelet op de bovenstaande bevindingen en met inachtneming van de overige bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat een relatief groot deel van het DNA op de draaghengsels en de schouderband van de sporttas van [medeverdachte 3] afkomstig is. De resultaten van het DNA-onderzoek zijn belastend voor [medeverdachte 3] . […]
III. (e) Uitgaven gedaan na 12 mei 2019
Uit het politie-onderzoek is naar voren gekomen dat drie van de verdachten na 12 mei 2019 uitgaven hebben gedaan die niet zonder meer verklaard kunnen worden uit het reguliere inkomen van de betreffende verdachte. Ten aanzien van de verdachte geldt daarbij het volgende.
[verdachte]
Tegenover de politie heeft [verdachte] op 24 september 2019 verklaard dat hij een jaar geleden voor het laatst heeft gewerkt, dat hij een uitkering heeft van € 350,- per maand en dat hij schulden heeft van een totaalbedrag van ongeveer € 40.000,-. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van iCOV-rapportage over [verdachte] heeft hij in 2018 netto € 8.332,- en in 2019 € 289,- netto looninkomsten ontvangen en daarnaast € 1.189,- zorgtoeslag. Er is geen sprake van uitkeringen.
Uit de genoemde rapportage kan voorts worden afgeleid dat [verdachte] in de periode direct daags na het feit grote contante uitgaven heeft gedaan bij een Hiltonhotel in Amsterdam (€ 2.186,97) en met de aankoop van een paar schoenen van het merk Christian Louboutin op 14 mei 2019 ter waarde van € 795,-. Op 23 mei 2019 heeft hij € 900,- op zijn bankrekening gestort, waarna hij diezelfde dag € 793,68 heeft overgemaakt naar prijsvrij.nl, waarmee hij zijn vakantie naar Spanje heeft betaald. Daarna beschikte hij nog steeds over een fors bedrag aan contant geld, gelet op de foto die gemaakt is op 13 juni 2019 en die is aangetroffen op de telefoon van [getuige 1] , waarop de hand van [verdachte] te zien is met daarin vier stapels bankbiljetten.
De genoemde uitgaven zeer kort na het feit en het bezit van het contante geld op 13 juni 2019 kan naar ’s hofs oordeel niet worden verklaard uit de verkoop van twee abonnementstelefoons, zoals de verdediging bij pleidooi heeft aangevoerd.
Gelet op de financiële positie van [verdachte] , op de omstandigheid dat niet gebleken is dat sprake is van andere legale inkomsten, op de hierboven genoemde contante uitgaven en storting en op de datum waarop de foto is gemaakt, acht het hof het aannemelijk dat de contante geldbedragen waarover [verdachte] direct na het feit kon beschikken afkomstig zijn van dat feit. Het hof is dan ook – met de rechtbank – van oordeel dat deze contante uitgaven en het voorhanden hebben van een
aanzienlijke hoeveelheid contant geld, mede bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, belastend is.
IV. (a) Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige 2]
[…]
Conclusie ten aanzien van de verklaringen van getuige [getuige 2]
[…]
Gelet daarop gaat het hof uit van de verklaring van [getuige 2] dat zij de bedrijfsauto van haar werk op 11 mei 2019 in de avond heeft uitgeleend aan [medeverdachte 2] , dat hij haar daarvoor de volgende dag een geldbedrag heeft gegeven en dat [medeverdachte 1] samen met [getuige 2] de (tape) resten van de auto heeft verwijderd.
IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige 1]
[…]
Conclusie
Op grond van het vorenoverwogene en op grond van al de hiervoor genoemde bewijsmiddelen in het onderhavige dossier, in onderling verband en in samenhang bezien, acht het hof de hierna te noemen de-auditu verklaringen van [getuige 1] als getuige over de door hem genoemde [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] alsook de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen uit eigen wetenschap over deze personen voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Zijn verklaringen vinden op die punten immers, mede steun in alle andere hiervoor reeds genoemde bewijsmiddelen. Gelet hierop acht het hof – anders dan de verdediging, maar met het openbaar ministerie en de rechtbank in eerste aanleg – geen grond aanwezig om de getuigenverklaring van [getuige 1] integraal uit te sluiten van het bewijs. Het hof verwerpt de in dit opzicht gevoerde verweren door de verdediging. De enkele omstandigheid dat [getuige 1] ook zelf tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zijn hele jeugd heeft “geblowd als een schoorsteen” en tevens dat hij is veroordeeld tot zes jaar cel in verband met de dood van zijn zoontje, maken zijn getuigenverklaring op voornoemde onderdelen niet zonder meer en integraal van onwaarde voor het bewijs.
Het hof zal de samenvatting van de verklaring van [getuige 1] als weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2019 niet voor het bewijs gebruiken, maar enkel onderdelen van de verklaring van de getuige zoals hij deze heeft afgelegd op 17 december 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris.
Met de verdediging is het hof tot slot van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] op de hiervoor weergegeven gronden met de nodige behoedzaamheid moeten worden gelezen. Ook voor de waardering van het bewijs zal het hof deze benodigde behoedzaamheid betrachten.
Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1]
Het hof stelt achtereenvolgens vast dat het dossier – zoals hiervoor reeds met vindplaatsen aangegeven – ondersteunend bewijsmateriaal biedt voor de volgende onderdelen van de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] die op 12 mei 2019 in [plaats] woonachtig was:
In algemene zin:
[getuige 1] heeft verklaard dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps , meerdere betrokkenen bij hem bij de woning zijn geweest. Uit onderzoek aan de telefoon van [getuige 1] is naar voren gekomen dat hij in avond van 11 mei 2019 en in de nacht van 11 op 12 mei 2019 actief was van 21.59 uur tot en met 03.42 uur. Opvallend is dat de stappenactiviteit van [getuige 1] die nacht om 03.24 uur weer start na een rust daarvoor van ongeveer 40 minuten. Dit gegeven past naar ’s hofs oordeel in het scenario dat de daders na het feit naar de woning van [getuige 1] zijn gekomen om daar de buit te tellen.
[…]
[getuige 1] heeft verklaard – op de vraag van de rechter-commissaris of de andere jongens [getuige 1] hebben verteld dat zij wel in de woning zijn geweest – dat [verdachte] hem heeft verteld dat er (het hof begrijpt: in de woning) drie jongen waren. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de aangeefster, dat er drie gemaskerde mannen bij haar in de woning waren.
[getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat ze met drie auto’s waren: “We waren met drie auto’s, maar jullie wisten maar af van twee”. [getuige 1] zelf heeft alleen de kleine, witte, auto gezien, met de stickers, met een doos vol geld in de kofferbak. Deze verklaring vindt steun in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen van de beelden van de twee verschillende betrokken auto’s, en de verklaringen van de getuigen van de plaats delict die niet uitsluiten dat er een derde auto betrokken is geweest op de plaats delict, alsook in de verklaring van de getuige [getuige 2] .
[…]
Ten aanzien van [verdachte] :
[getuige 1] heeft verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] . [verdachte] had een rol, hij heeft er ook iets mee te maken gehad, dat heeft hij ook zelf gezegd tegen [getuige 1] . Het is voor [getuige 1] onduidelijk gebleven welke rol dat was, maar [verdachte] heeft wel € 50.000,- van de buit gehad, hetgeen [getuige 1] heeft gezien op foto’s. Hij is niet in de woning van de aangeefster geweest. [getuige 1] weet wel dat [verdachte] heeft geholpen met inladen (het hof begrijpt: van de buit dan wel van andere spullen). [getuige 1] heeft voorts verklaard dat [verdachte] een foto naar hem heeft gestuurd waarop een deel van het geld van de buit was te zien. [verdachte] is ook kort na het feit naar Amsterdam gegaan, waar hij in het Hiltonhotel heeft verbleven, en daarna is hij op vakantie naar Spanje gegaan, aldus [getuige 1] .
Steun voor deze verklaring kan worden gevonden in de herkenning uit eigen beweging van de foto van [verdachte] door de moeder van [medeverdachte 1] bij een meervoudige fotoconfrontatie als degene die het zou kunnen zijn en wiens gezicht en ogen veel lijken op degene die met haar zoon op 12 mei 2019 in de vroege ochtend bij hen thuis kwam (nadat de vader van [medeverdachte 1] hen op 12 mei 2019 in [plaats] met de auto had opgehaald nadat hij door zijn zoon was gebeld met een van de “overvaltelefoons”). Steun kan voorts worden gezien in de aangetroffen foto in de telefoon van [getuige 1] , welke foto is gemaakt op 12 juni 2019; op deze foto is een hand te zien met daarop een tatoeage “300” – dezelfde tatoeage als op de linker pols bij [verdachte] – in welke hand zich een stapel geld bevindt met coupures van € 50,- en kleiner. Ook het uitgavenpatroon van [verdachte] kort na 12 mei 2019, te weten van 12 tot 14 mei 2019 met de cashbetaling in het Hiltonhotel ad € 2.186,97 en de aanschaf van dure merkgoederen in Amsterdam, alsmede de vakantie in Spanje, bieden steun aan de verklaring van [getuige 1] .
[…]
V. (Bedreiging met) geweld
[…]
Bedreiging met geweld - ook door verdachten die niet in de woning zijn geweest
De vraag is of de medeverdachten die niet in de woning van aangeefster zijn geweest opzet hebben gehad op het plegen van bedreiging met geweld door de drie daders die wel in de woning van aangeefster waren. Het hof stelt in dit opzicht vast dat uit het dossier niet blijkt van ‘vol opzet’. Vervolgens dient beoordeeld te worden of sprake was van voorwaardelijk opzet, waarbij de vraag moet worden beantwoord of zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat met geweld gedreigd zou worden. Voor zover daarvan niet blijkt uit de eigen verklaringen van een verdachte kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Zoals reeds hiervoor overwogen berust het feit op een tevoren gemaakt, nauwgezet en grondig voorbereid plan. Het hof gaat er daarom van uit dat alle verdachten in elk geval van alle onderdelen van het plan op de hoogte waren, nu niet is gesteld of is gebleken dat dit anders is.
Vooraf was bekend dat er op het moment van binnendringen in de woning één of meer personen in de woning aanwezig zouden zijn. Gelet op de aanwezigheid van de dagopbrengst van Hrieps in die woning kon bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van verzet door de persoon of personen in de woning. Daar is bij de planning vooraf kennelijk over nagedacht en ook een oplossing voor gevonden, gelet op de meegenomen stok of knuppel en het binnengaan van de woning met drie gemaskerde daders. Naar het oordeel van het hof was onder die omstandigheden de aanmerkelijke kans aanwezig dat bij de diefstal van de grote som geld minst genomen, met geweld gedreigd zou worden. Het hof is derhalve van oordeel dat, naast de drie daders die de woning ingegaan zijn, ook de medeverdachten die aanmerkelijke kans hebben aanvaard door de drie daders met de stok of knuppel naar de woning te vervoeren, althans daar in de buurt aanwezig te zijn, en vervolgens met hen in de buit te delen. Zij hebben zich op geen enkele zichtbare manier gedistantieerd van de uitvoering van het plan. Niet is gebleken van enige contra-indicatie.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat ook de medeverdachten die niet in de woning van aangeefster zijn geweest het (voorwaardelijk) opzet hadden op het plegen van bedreiging met geweld door de drie daders die wel in de woning zijn geweest.
VI. Medeplegen
Op grond van het vorenoverwogene is het hof, in onderling verband en in samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de diefstal van de dagopbrengst van muziekfestival Hrieps op 12 mei 2019. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachten zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat dit handelen kan worden beschouwd als medeplegen.
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening gehouden worden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van medeplegen, acht het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof is reeds hiervoor tot de conclusie gekomen dat er minimaal vijf personen zaten in twee van de drie auto’s die bij het plegen van het feit betrokken waren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] auto’s hebben geregeld althans beschikbaar hebben gesteld waarmee naar (de buurt van) de woning van aangeefster in [plaats] is gereden. Uit de camerabeelden volgt dat er op de avond voorafgaande aan het feit kennelijk een voorverkenning heeft plaatsgevonden waarbij deze auto's zijn gebruikt. Na de diefstal zijn in ieder geval deze auto’s door de daders gebruikt om te vluchten. Meerdere personen, waaronder een of meer van de daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen, zijn vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen. Zoals eerder overwogen, merkt het hof [medeverdachte 4] aan als bestuurder van de Volkswagen Polo. Uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in de vroege ochtend na de diefstal door [medeverdachte 1] ’s vader zijn opgehaald uit [plaats] , de verklaring van [getuige 1] dat [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naderhand bij zijn woning waren, alsmede de omstandigheid dat er DNA-sporen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op de plaats delict zijn aangetroffen, leidt het hof af dat ook [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]
inzittenden waren van de auto’s dan wel deze (mede) hebben bestuurd.
Voor de onderlinge afstemming voor en na de diefstal is gebruik gemaakt van vijf speciaal voor het feit geactiveerde prepaid telefoons, waarvan het hof heeft vastgesteld dat – in ieder geval – [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] daar feitelijk de gebruikers van waren.
Uit het vorenoverwogene kan worden opgemaakt dat de buit na de diefstal onder meerdere personen is verdeeld. Dit vindt tevens zijn bevestiging in de omstandigheid dat de meeste verdachten ineens de beschikking hadden over grote contante geldbedragen die niet verklaard kunnen worden door hun legale inkomsten. Verder is nog van belang dat getuige [getuige 1] een aantal van de verdachten aanwijst als de daders van het feit.
[…]
De bijdrage van [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] het feit heeft medegepleegd. Het hof acht in dit verband van belang dat er duidelijk sprake was van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan en dat [verdachte] één van de inzittenden dan wel chauffeurs was van de auto’s die bij het plegen van het feit zijn gebruikt. Bij het gezamenlijke plan was de onderlinge afstemming tussen [verdachte] en zijn mededaders cruciaal. In [plaats] is de buit geteld en verdeeld. [verdachte] was daarbij aanwezig. [verdachte] deel bestond uit een fors geldbedrag, mede gelet op zijn bestedingspatroon na het feit. Hieruit leidt het hof af dat [verdachte] minst genomen bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest en dat [verdachte] een essentiële rol moet hebben gespeeld in de planning, de organisatie en/of de uitvoering van het feit.
Tot besluit
Niet kan worden vastgesteld welke dader – buiten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] – nog meer de woning van aangeefster is binnengegaan. Wel kan worden vastgesteld dat de daders op een intensieve manier het feit hebben voorbereid en gepleegd, daarbij grondig te werk zijn gegaan, en over de juiste informatie moeten hebben beschikt ten aanzien van de organisatie van Hrieps . Op grond van de bewijsmiddelen en de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen, alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het feit, stelt het hof ten aanzien van elk van de genoemde verdachten vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte enerzijds en een of meer van zijn mededaders anderzijds. Zij hebben het feit in gezamenlijke uitvoering gepleegd en het hof acht de bijdrage van de verdachte daarbij van voldoende gewicht om de verdachte als medepleger te beschouwen.”

4.Het eerste middel

4.1
Het middel voert aan dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaring van getuige [getuige 1] en de herkenning van de verdachte door de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te bezigen. Het middel valt uiteen in twee onderdelen. De eerste deelklacht richt zich op de verklaring van getuige [getuige 1] en de tweede deelklacht op de herkenning van de verdachte door de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] .
Eerste deelklacht
4.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2024 houdt in dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig haar per e-mail aan de griffier toegezonden en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in:

3. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1]
De verdediging heeft in eerste aanleg al opmerkingen gemaakt over de persoon van [getuige 1] . Hetgeen toen is opgemerkt heeft nog steeds te gelden.
[getuige 1] is zelf vanwege een ernstig delict in 2 instanties veroordeeld. De rechtbank en het hof vonden, in navolging van justitie, zijn verhaal en verweren toen kennelijk niet geloofwaardig, want deze zijn allen verworpen.
Hij is toen ook multidisciplinair onderzocht. De psychiater en psycholoog hebben geconcludeerd dat er bij [getuige 1] sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en in mindere mate narcistische trekken (ECLI:NL:RBZWB:2020:700).
De stoornissen maken dat hetgeen [getuige 1] verklaart met de nodige reserves c.q. terughoudendheid moet worden beoordeeld.
Kenmerkend lijkt in dit verband dat hij op 31-10-2021 ( p. 1247) verklaart tegenover de politie dat hij alles wist en alles wil vertellen. Hij kan de hele zaak oplossen en weet een ieders rol. Wel wil hij anoniem blijven.
Van belang is dat hij een medeverdachte was op het moment dat hij gehoord werd door de politie. Hij had derhalve een persoonlijk belang bij zijn verklaring.
Tijdens zijn telefoongesprek met een in België gedetineerde [betrokkene 4] (p. 484) zegt hij: Er zijn enge dingen gebeurd, maar ik kan het niet vertellen. Echt als je vrij komt gaan we goed om tafel. Je gaat trots op me zijn!
Uit een andere tap volgt dat hij al zijn rekeningen van het CJIB heeft betaald (p. 485).
Verder inhoudelijk m.b.t. de op 31 oktober afgelegde verklaring. Deze is overigens niet ondertekend, maar opgemaakt in een pv van bevindingen. Verder verklaart hij dan dat hij niet weet wat de rol van cliënt zou zijn, terwijl hij eerder alles nog wist.
Tot slot wordt aangegeven dat [verdachte] en [medeverdachte 1] hem precies verteld zouden hebben hoe alles is gegaan, maar dat zij dat waarschijnlijk zelf niet meer weten. Hij spreekt zichzelf constant tegen. Van “ik weet alles”, naar “ik weet de rol van [verdachte] niet”, weer naar “ik weet alles”.
Over hetgeen hij verklaart omtrent de medeverdachten zullen de overige raadslieden ongetwijfeld ook het nodige opmerken. Ook hierbij verklaart hij aantoonbaar onjuist over bijvoorbeeld de panden van [medeverdachte 1] in Thailand en de reis van [medeverdachte 2] naar Suriname.
Alles lijkt er op gericht om zichzelf te ontlasten en om een interessante getuige te zijn.
Dan de verklaring van [getuige 1] bij de RC op 17 december 2020.
[verdachte] zou hem dingen verteld hebben via snapchat. Snapchat bewaart niet, dus dat is niet meer na te gaan. Ten aanzien van cliënt verklaart hij dat hij niet weet welke rol cliënt heeft gehad.
[getuige 1] verklaart bij de Rc dat hij dat hij de buit heeft gezien. Een heel verhaal dat de mannen rond 7 uur bij hem in de straat stonden en dat hij geld in de auto heeft gezien, net voordat hij naar zijn werk moest. Maar als doorgevraagd wordt lijkt dit niet te kloppen. De vader van [medeverdachte 1] had [medeverdachte 1] immers toen al opgehaald in [plaats] . Eerst is hij stellig over het tijdstip, vervolgens is hij niet meer stellig over het tijdstip.
Ook is het verhaal weinig aannemelijk. Hij vertelt dat de verdachten het geld aan hem wilden laten zien. Zo zijn zij. Zij willen aan iedereen hun buit laten zien. Een raar verhaal, zeker omdat hij zelf ook verklaart geen goede verhouding te hebben met [medeverdachte 2] . Hij heeft een schijthekel aan hem. En die persoon zou dan de opbrengst van een overval tezamen met anderen ( [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] ) komen laten zien en daarmee allerlei risico’s nemen? Nogmaals, voor de verdediging is dit volstrekt niet aannemelijk.
[getuige 1] verklaart dat hij zijn informatie van [verdachte] en van [medeverdachte 1] en van “de straat” heeft. Zelfs in de randstad weten ze er volgens hem nog van.
Ook zitten er tegenstrijdigheden tussen zijn eerste verklaring bij de politie en de verklaring bij de RC. Daar kent hij [betrokkene 2] niet, maar eerder was hij nog de gevaarlijkste.
De investering van [medeverdachte 2] in Suriname is nu opeens bullshit.
Ook binnen de verklaring bij de RC zitten nog tegenstrijdigheden. Eerst heeft hij allerlei zaken gehoord van [verdachte] tijdens het etentje. Later zegt hij dat ze het tijdens het etentje niet meer over de overval hebben gehad.
Zodra [getuige 1] wordt geconfronteerd met tegenstrijdigheden in zijn verhaal, zwakt hij dit gelijk af. Collega mr. Kersemaekers vraagt hem waarom hij zo stellig verklaart als hij dingen niet zeker weet. Hij geeft dan aan dat hij door politie werd overvallen met al die vragen. Vervolgens komen er antwoorden als “Ik weet ook niet wat er van waar is”.
Ook geeft hij aan dat hij zijn hele jeugd heeft geblowd als een schoorsteen en geen fotografisch geheugen heeft. Tot slot blijkt dat hij veel informatie uit de media heeft. Hij volgde het nieuws over Hrieps op Omroep Zeeland, HV-Zeeland en twitter. Hij geeft toe hij niet goed kan onderscheiden waar hij de informatie vandaan heeft en dat hij een aantal zaken ook niet meer zeker weet.
De verdediging meent dat de verklaring van [getuige 1] dusdanig onbetrouwbaar is dat deze dient te worden uitgesloten van het bewijs dan wel hieruit absoluut onvoldoende wettig en overtuigend bewijs kan worden ontleend.
De rechtbank heeft desondanks geen grond gezien voor de totale uitsluiting van het bewijs van de verklaringen. Wel stelt de rechtbank vast dat delen van de verklaring aantoonbaar onjuist zijn. Alleen indien de verklaring wordt ondersteund door ander bewijs wordt het gebruikt. In het verlengde daarvan geldt het zelfde voor de verklaring van de anonieme getuige onder 1507031 wiens bron [getuige 1] is.
M.b.t. [verdachte] is het volgende relevant:
-
[verdachte] is kort na het feit naar Amsterdam gegaan en heeft daar verbleven in een Hilton Hotel, waarna hij naar Spanje op vakantie is geweest;
Op zich wordt dit niet betwist, maar het is natuurlijk geen bewijs voor deelneming aan het delict. Ik zal daar zo nog terugkomen bij de bespreking van het uitgavenpatroon van [verdachte] .
-
[verdachte] heeft op een foto gemaakt op 12 juni 2019 met een deel van de buit in zijn hand.
De rechtbank doelt op de foto in het dossier (p. 614). De foto is wat betreft de verdediging geen bewijs. De foto van de hand met tattoo is ruim een maand na de overval op 13 juni 2019 gemaakt. Als dit al een deel van de buit zou betreffen (quod non)-, dan zegt dit weinig tot niets over de deelneming aan de overval, zeker nu de foto pas een maand later is genomen. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat in bepaalde kringen het stoer/ interessant is om foto's van geld te maken. De mapjes van foto’s met geld zullen echt niet alleen te vinden zijn op de telefoon van [getuige 1] .
Verder is relevant dat [benadeelde] heeft aangegeven dat de bankbiljetten bij elkaar werden gehouden met bruine elastiekjes (p. 70). Op de foto is een blauw elastiekje te zien.
De rechtbank gebruikt verder:
-
Na het feit is de grijze Volkswagen Polo van [medeverdachte 4] naar [plaats] gereden, waar in de woning van [getuige 1] de buit is geteld, waarbij [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aanwezig waren.
De rechtbank stelt hier dat er 6 personen naar [plaats] zijn gereden. Gelet op de getuigenverklaringen kan slechts gesteld worden dat het er minimaal 5 waren.
Immers de getuigen hebben het over 3 personen in de woning. Buiten stond een zilvergrijze auto te wachten die met piepende banden wegrijdt. Verder wordt er een Toyota IQ gezien. Als er 1 persoon in de IQ heeft gezeten gaat het om 5 personen ( zie vraag verbalisanten aan [medeverdachte 1] pagina 1384).
Opvallend is daarnaast dat een andere kamer van de rechtbank op een later tijdstip niet bewezen heeft geacht dat [medeverdachte 3] aldaar aanwezig zou zijn geweest (ECLI:NL: RBZWB:2022:3954). Dit omdat de er geen verkeers- en locatiegegevens zijn die dat voor [medeverdachte 3] ondersteunen. Voor cliënt zijn deze verkeers- en locatiegegevens gegevens er evenmin!
De rechtbank overweegt in dit vonnis eveneens dat de verklaring van [getuige 1] niet kan kloppen omdat deze qua tijdstippen niet strookt met de verklaring van de vader van [medeverdachte 1] en met een door [getuige 1] zelf gemaakte foto van zijn hand met bankbiljetten op zijn slaapkamer.
De anonieme getuige onder 1507031 is in hoger beroep nogmaals gehoord. Veel nieuws heeft dat niet opgeleverd. Wel valt op dat hij [getuige 1] omschrijft als “amicaal en een machomannetje” en op de vraag of [getuige 1] aan grootspraak en stoerdoenerij deed hij antwoorde: Behoorlijk ja!
Ten aanzien van de anonieme getuige nog het volgende. Hij is op 17 mei 2020, dus ruim een jaar na de overval gehoord. Wie deze anonieme bron is blijft onbekend. De betrouwbaarheid kan derhalve ook niet worden beoordeeld. Duidelijk is dat de getuige zelf niets heeft waargenomen, dat het gaat om een verklaring van horen zeggen. Inmiddels werden er allerlei verhalen en theorieën verteld over hetgeen er gebeurd zo zijn.
De anonieme getuige verklaart dat [getuige 1] een en ander heeft verteld in beschonken toestand. Opvallend is dat [getuige 1] verteld zou hebben dat hij geld zou hebben verdiend met een grote klus. Nu zou de buit in zijn woning zijn geteld. Wederom een andere versie uit de koker van [getuige 1] .
De verdediging handhaaft haar conclusie dat de gehele verklaring van [getuige 1] onbetrouwbaar is en niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Dit moet ook gelden voor de verklaring van de anonieme getuige, nu [getuige 1] zijn bron is geweest. De rechtbank doet in feite aan cherry picking en redeneert op deze wijze toe naar een bewezenverklaring.”
4.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige 1] het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde gekwalificeerde diefstal rechtstreeks zou kunnen blijken, omdat de verdachte in de bewijsoverwegingen van het hof over de telecomgegevens, de onderzoeksresultaten betreffende gebruikte voertuigen, het aantal daders, de resultaten van het DNA-onderzoek en de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 2] niet wordt genoemd en de vaststellingen over het bestedingspatroon geen rechtstreeks bewijs van betrokkenheid bij het delict behelzen. De verklaring van de getuige [getuige 1] dat de verdachte € 50.000,- van de buit zou hebben verkregen zou bovendien zijn gebruikt om de verdachte als medepleger te kwalificeren. Opgemerkt wordt dat het hof de verklaring van [getuige 1] niet integraal heeft uitgesloten van het bewijs en dat het hof voor zover delen van de verklaring tot het bewijs zijn gebezigd van het standpunt van de verdediging is afgeweken. Volgens de steller van het middel zijn belangrijke argumenten onbesproken gelaten dan wel op ontoereikende gronden weerlegd.
4.4
Het hof heeft onder het kopje
“Conclusie”behorend bij het onderdeel
“IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige 1] ”overwogen dat de “hierna” – dat is onder het kopje
“Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1] ”– genoemde de-auditu verklaringen van [getuige 1] als getuige over de door hem genoemde vijf betrokkenen (waaronder de verdachte) als ook de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen uit eigen wetenschap over die personen voldoende betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs. Volgens het hof vinden deze verklaringen op die punten immers mede steun in alle andere reeds genoemde bewijsmiddelen en is er gelet daarop – anders dan in de visie van de verdediging – geen grond aanwezig om de getuigenverklaring van [getuige 1] integraal van het bewijs uit te sluiten. Daarbij overweegt het hof dat het de in dit opzicht door de verdediging gevoerde verweren verwerpt. Het hof gaat wel nog expliciet in op de door de verdediging – voor zover hier van belang – aangevoerde omstandigheid dat [getuige 1] is veroordeeld tot zes jaar cel in verband met de dood van zijn zoontje, maar ook deze omstandigheid maakt volgens het hof niet dat zijn getuigenverklaring op voornoemde onderdelen zonder meer en integraal van onwaarde is voor het bewijs. Het hof concludeert dat enkel onderdelen van de door [getuige 1] als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris op 17 december 2020 afgelegde verklaring voor het bewijs worden gebruikt en dat de verklaringen van [getuige 1] “op de hiervoor weergegeven gronden” met de nodige behoedzaamheid moeten worden gelezen en het hof ook voor de waardering van het bewijs de benodigde behoedzaamheid zal betrachten.
4.5
In de eerste plaats wordt in de toelichting op het middel opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de enkele omstandigheid dat [getuige 1] is veroordeeld tot zes jaar cel in verband met de dood van zijn zoontje niet maakt dat zijn getuigenverklaring op voornoemde onderdelen zonder meer en integraal van onwaarde is voor het bewijs. Volgens de steller van het middel reageert het hof daarmee niet op het punt wat de raadsvrouw wilde maken, namelijk dat ten aanzien van hetgeen [getuige 1] verklaart grote terughoudendheid is geboden nu de rechtbank in die zaak de verklaringen van [getuige 1] niet geloofde en hij in die zaak was gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en in mindere mate narcistische trekken. Over deze klacht kan ik kort zijn. Het hof overweegt in het bestreden arrest immers expliciet dat het hof met de verdediging van oordeel is dat de verklaringen van [getuige 1] “op de hiervoor weergegeven gronden” (waaronder de veroordeling voor de dood van zijn zoontje) met de nodige behoedzaamheid moeten worden gelezen. Ook overweegt het hof dat voor de waardering van het bewijs de nodige behoedzaamheid wordt betracht. Daarop stuit deze klacht af.
4.6
In de tweede plaats wordt aangevoerd dat het hof niet ingaat op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de CJIB-betalingen van [getuige 1] , terwijl het hof aan het bestedingspatroon van de verdachte en medeverdachten wel bewijswaarde toekent. Ook hierover kan ik kort zijn. Door de verdediging is in het kader van het betoog dat met de nodige reserves c.q. terughoudendheid met de verklaring van [getuige 1] moet worden omgegaan onder verwijzing naar dossierpagina 485 zeer summier aangevoerd
“Uit een andere tap volgt dat hij al zijn rekeningen van het CJIB heeft betaald.”De verdediging expliciteert niet wat zij hiermee precies wil zeggen – in die zin is niet zelfstandig sprake van een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht [2] – maar wellicht heeft zij ermee willen opwerpen dat ook [getuige 1] in de buit heeft gedeeld. Onder het kopje “Vaststelling kennelijk leugenachtige verklaringen [getuige 1] ” – waar ik hier kortheidshalve naar verwijs – heeft het hof onder meer vastgesteld dat [getuige 1] heeft gelogen over het feit dat hij, [getuige 1] , desgevraagd heeft ontkend dat ook hij die ochtend – voor zijn eigen aandeel in het gebeuren – een deel van de buit heeft gekregen (en niet naar eigen zeggen slechts € 1.000,- als grootmoedige gift naderhand van [medeverdachte 1] ergens in juni 2019). Vervolgens heeft het hof dit kennelijk leugenachtige onderdeel van zijn verklaring aldus geïnterpreteerd dat [getuige 1] daarmee, klaarblijkelijk uitsluitend zichzelf niet (mede) heeft willen belasten en dit specifieke onderdeel voor het bewijs gepasseerd. Verder kan ook hier worden gewezen op het voldoende-steunbewijsargument en de genoemde behoedzaamheid, zoals hiervoor onder 4.4 genoemd.
4.7
Ten derde wordt genoemd dat het hof onbesproken laat dat [getuige 1] mogelijk veel informatie uit de media had vernomen wat kan verklaren dat zijn verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, zoals door het hof is uitgewerkt op p. 29 e.v. van het bestreden arrest. Hier geldt dat de verwerping van het betrouwbaarheidsverweer op p. 28 – op de wijze zoals onder 4.4. is weergegeven – is gestoeld op voldoende steunbewijs “in alle andere hiervoor reeds genoemde bewijsmiddelen”. Verder kan ook hier worden gewezen op de onder 4.4 genoemde behoedzaamheid.
4.8
Ten slotte merkt de steller van het middel op dat het hof geen overweging wijdt aan de omstandigheid dat de foto van de hand van de verdachte met geld dateert van een maand na het tenlastegelegde. Ook deze deelklacht faalt. Het hof heeft op grond van de verklaring van [getuige 1] vastgesteld dat de verdachte € 50.000,- van de buit heeft gehad. Steunbewijs voor die verklaring vindt het hof in een drietal omstandigheden, te weten (i) de herkenning uit eigen beweging van de foto van de verdachte door de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] bij een meervoudige fotoconfrontatie als degene die mogelijk samen met haar zoon op 12 mei 2019 in de vroege ochtend bij hun thuis was (nadat de vader van medeverdachte [medeverdachte 1] hen op 12 mei 2019 in [plaats] met de auto had opgehaald nadat hij door zijn zoon was gebeld met een van de “overvaltelefoons”), (ii) de in de telefoon van [getuige 1] aangetroffen foto van 12 juni 2019 (bedoeld zal zijn: 13 juni 2019 [3] ) waarop een hand met daarop een tatoeage “300” te zien is – welke tatoeage volgens het hof gelijk is aan de tatoeage op de linker pols van de verdachte – en in die hand een stapel geld van coupures van € 50,- en kleiner te zien is en (iii) het uitgavenpatroon van de verdachte van 12 tot 14 mei 2019, bestaande uit een cashbetaling in het Hilton hotel van € 2.186,97, de aanschaf van dure merkgoederen en een vakantie in Spanje. Uit deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het hof kunnen afleiden dat de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte € 50.000,- van de buit heeft gekregen voldoende steun vindt in ander bewijs (en daarmee betrouwbaar is). Daarbij wijs ik op hetgeen ik hierna bij de bespreking van de tweede deelklacht over het als eerste steunbewijs genoemde bewijsmiddel opmerk (zie onder 4.13) en op de omstandigheid dat uit bewijsmiddel 2 in de aanvulling met bewijsmiddelen blijkt dat de op soort gesorteerde bankbiljetten per 100 aantal in dozen werden bewaard en het onder meer ging om vijfjes, tientjes, twintigjes en vijftigjes. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte volgens de verklaring van [getuige 1] € 50.000,- van de buit heeft gekregen wekt het geen verbazing dat het hof – naast de onder (iii) genoemde uitgaven – ook acht heeft geslagen op een foto die dateert van een maand na het bewezenverklaarde. Daar komt bij dat het hof onder het kopje
“III. (e) Uitgaven gedaan na 12 mei 2019”expliciet heeft overwogen dat de uitgaven zeer kort na het feit (12-14 mei 2019) en het bezit van het contante geld op 13 juni 2019 niet kan worden verklaard uit de verkoop van twee abonnementstelefoons, zoals door de verdediging bij pleidooi was aangevoerd.
4.9
De eerste deelklacht faalt in al zijn onderdelen.
Tweede deelklacht
4.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2024 houdt in dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig haar per e-mail aan de griffier toegezonden en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in:

6. Ophalen [verdachte] door vader [medeverdachte 1] in [plaats]
[…]
Vervolgens vindt er bijna 5 maanden later (!), op 2 oktober 2019, een fotoconfrontatie plaats. Er is dus duidelijk sprake van een lang tijdsverloop, tussen het aan cliënt verweten feit en de fotoconfrontatie met de moeder van [medeverdachte 1] . Dat is een risicofactor bij fotoconfrontaties in het algemeen, nu - in ieder geval in de doctrine - wordt aangenomen dat er verstoring in het herinneringsbeeld kan optreden na zo’n lange periode.
De opgehaalde jongen die nog een kop thee dronk bij de ouders van [medeverdachte 1] , was voor hen een onbekende.
Bij het herkennen van onbekenden blijken bij alle aspecten van de uiteindelijke herkenning – zoals bij het waarnemen, het vasthouden en het reproduceren – problemen te kunnen spelen. De omstandigheden waaronder de herkenning is gedaan en het tijdsverloop tussen de reproductie zijn factoren die de herkenning extra lastig maken .
De verdediging meent dat herkenning door de moeder van [medeverdachte 1] niet heel sterk is. “Deze zou het kunnen zijn. Ik dacht dat hij krulletjes had, maar zijn gezicht en ogen lijken er wel veel op”.
Zij is niet heel stellig in haar herkenning en kan hem er niet met 100 procent zekerheid uithalen. Client heeft ook geen krullend haar. Ook niet in mei 2019. Daarnaast had de vader van [medeverdachte 1] het over iemand met kort melkboerenhondenhaar en daarmee wordt (volgens Wikipedia & Ensie) haar van onbestemde kleur zonder krullen bedoeld.
Naast het tijdsverloop spelen ook de omstandigheden bij het waarnemen een rol. Het was ‘s nachts, haar man werd wakker gebeld en reed naar [plaats] . Toen hij terug kwam met [medeverdachte 1] en de opgehaalde jongen is zij na het korte bezoek weer verder gaan slapen.
Opmerkelijker nog is dat de vader [medeverdachte 1] geen herkenning heeft (p. 430), terwijl hij de jongen tijdens de autorit en daarna heeft gezien. Het was veel logischer geweest indien hij, in plaats van zijn vrouw, de jongen zou hebben herkend.
De woorden van moeder van [medeverdachte 1] , “deze zou het kunnen zijn” zouden moeten worden aangevuld met “maar het zou ook goed kunnen van niet”.
De herkenning is op zijn minst discutabel en niet sterk en zeker niet ondubbelzinnig. De niet-herkenning door de vader van [medeverdachte 1] vormt een contra-indicatie voor de herkenning door de moeder.
De verdediging concludeert dat er geen bewijswaarde kan toekomen aan de herkenning door de moeder van [medeverdachte 1] .”
4.11
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

Ten aanzien van [verdachte] :
[getuige 1] heeft verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] . [verdachte] had een rol, hij heeft er ook iets mee te maken gehad, dat heeft hij ook zelf gezegd tegen [getuige 1] .
Het is voor [getuige 1] onduidelijk gebleven welke rol dat was, maar [verdachte] heeft wel € 50.000,- van de buit gehad, hetgeen [getuige 1] heeft gezien op foto’s. Hij is niet in de woning van de aangeefster geweest. [getuige 1] weet wel dat [verdachte] heeft geholpen met inladen (het hof begrijpt: van de buit dan wel van andere spullen).
[getuige 1] heeft voorts verklaard dat [verdachte] een foto naar hem heeft gestuurd waarop een deel van het geld van de buit was te zien. [verdachte] is ook kort na het feit naar Amsterdam gegaan, waar hij in het Hiltonhotel heeft verbleven, en daarna is hij op vakantie naar Spanje gegaan, aldus [getuige 1] .
Steun voor deze verklaring kan worden gevonden in de herkenning uit eigen beweging van de foto van [verdachte] door de moeder van [medeverdachte 1] bij een meervoudige fotoconfrontatie als degene die het zou kunnen zijn en wiens gezicht en ogen veel lijken op degene die met haar zoon op 12 mei 2019 in de vroege ochtend bij hen thuis kwam (nadat de vader van [medeverdachte 1] hen op 12 mei 2019 in [plaats] met de auto had opgehaald nadat hij door zijn zoon was gebeld met een van de “overvaltelefoons”). Steun kan voorts worden gezien in de aangetroffen foto in de telefoon van [getuige 1] , welke foto is gemaakt op 12 juni 2019; op deze foto is een hand te zien met daarop een tatoeage “300” – dezelfde tatoeage als op de linker pols bij [verdachte] – in welke hand zich een stapel geld bevindt met coupures van € 50,- en kleiner. Ook het uitgavenpatroon van [verdachte] kort na 12 mei 2019, te weten van 12 tot 14 mei 2019 met de cashbetaling in het Hiltonhotel ad € 2.186,97 en de aanschaf van dure merkgoederen in Amsterdam, alsmede de vakantie in Spanje, bieden steun aan de verklaring van [getuige 1] .”
4.12
Volgens de steller van het middel is het hof in het geheel niet ingegaan op het gevoerde betrouwbaarheidsverweer, terwijl het hof wel van dit verweer is afgeweken door de herkenning voor het bewijs te bezigen.
4.13
Het oordeel van het hof dat de mogelijke herkenning door de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1] van de verdachte als de persoon die met haar zoon op 12 mei 2019 in de vroege ochtend bij hen thuis kwam (nadat de vader van medeverdachte [medeverdachte 1] hen op 12 mei 2019 in [plaats] met de auto had opgehaald nadat hij door zijn zoon was gebeld met een van de “overvaltelefoons”) – in samenhang bezien met de hiervoor onder 4.8 onder (ii) en (iii) genoemde omstandigheden – voldoende steun geven aan de verklaring van [getuige 1] dat de verdachte € 50.000,- van de buit heeft gehad, is niet onbegrijpelijk. Het hof presenteert de herkenning daarbij niet stelliger dan dat die is gedaan. Verder merk ik nog op dat in cassatie ook niet wordt betwist dat, zoals het hof heeft overwogen, de verdachte bij [getuige 1] thuis (waar de buit werd geteld en verdeeld) zou zijn geweest.
4.14
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde medeplegen niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
5.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2024 houdt in dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig haar per e-mail aan de griffier toegezonden en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in:

10. Medeplegen
Voor een diefstal in vereniging dient er bewezen te worden dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking van cliënt met de medeplegers. De verdediging meent dat dit onvoldoende volgt uit het dossier.
De verdediging volgt de lezing van de rechtbank dat cliënt van het begin tot het einde bij de uitvoering van gezamenlijk plan betrokken is geweest niet.
De enige persoon die verklaart dat cliënt bij de overval betrokken zou zijn is [getuige 1] . De rol van cliënt is ook voor [getuige 1] onduidelijk. Zojuist heb ik al uiteengezet waarom de verdediging meent dat hetgeen [getuige 1] heeft verklaard niet bruikbaar is voor het bewijs. Het is geen betrouwbaar bewijs en het dient te worden uitgesloten.
Hetzelfde geldt voor de door [getuige 1] gevoerde telefoongesprekken met zowel cliënt en de gedetineerde [betrokkene 4] .
Ook uit het andere zojuist besproken bewijs kan de overtuiging niet worden gehaald
Uit niets volgt dat cliënt bij de woning aanwezig was.
Uit niets volgt dat hij in een van de auto’s heeft gezeten die zouden zijn gebruikt bij de overval.
Uit niets blijkt dat hij betrokken is geweest bij het plannen of de uitvoering.
Het enige is dat hij na de overval geld heeft uitgegeven, waarvoor hij een plausibele verklaring heeft afgelegd.”
5.3
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van medeplegen, acht het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof is reeds hiervoor tot de conclusie gekomen dat er minimaal vijf personen zaten in twee van de drie auto’s die bij het plegen van het feit betrokken waren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] auto’s hebben geregeld althans beschikbaar hebben gesteld waarmee naar (de buurt van) de woning van aangeefster in [plaats] is gereden. Uit de camerabeelden volgt dat er op de avond voorafgaande aan het feit kennelijk een voorverkenning heeft plaatsgevonden waarbij deze auto's zijn gebruikt. Na de diefstal zijn in ieder geval deze auto’s door de daders gebruikt om te vluchten. Meerdere personen, waaronder een of meer van de daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen, zijn vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen. Zoals eerder overwogen, merkt het hof [medeverdachte 4] aan als bestuurder van de Volkswagen Polo. Uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in de vroege ochtend na de diefstal door [medeverdachte 1] ’s vader zijn opgehaald uit [plaats] , de verklaring van [getuige 1] dat [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naderhand bij zijn woning waren, alsmede de omstandigheid dat er DNA-sporen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op de plaats delict zijn aangetroffen, leidt het hof af dat ook [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] inzittenden waren van de auto’s dan wel deze (mede) hebben bestuurd.
Voor de onderlinge afstemming voor en na de diefstal is gebruik gemaakt van vijf speciaal voor het feit geactiveerde prepaid telefoons, waarvan het hof heeft vastgesteld dat – in ieder geval – [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] daar feitelijk de gebruikers van waren.
Uit het vorenoverwogene kan worden opgemaakt dat de buit na de diefstal onder meerdere personen is verdeeld. Dit vindt tevens zijn bevestiging in de omstandigheid dat de meeste verdachten ineens de beschikking hadden over grote contante geldbedragen die niet verklaard kunnen worden door hun legale inkomsten. Verder is nog van belang dat getuige [getuige 1] een aantal van de verdachten aanwijst als de daders van het feit.
[…]
De bijdrage van [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] het feit heeft medegepleegd.
Het hof acht in dit verband van belang dat er duidelijk sprake was van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan en dat [verdachte] één van de inzittenden dan wel chauffeurs was van de auto’s die bij het plegen van het feit zijn gebruikt. Bij het gezamenlijke plan was de onderlinge afstemming tussen [verdachte] en zijn mededaders cruciaal. In [plaats] is de buit geteld en verdeeld. [verdachte] was daarbij aanwezig. [verdachte] deel bestond uit een fors geldbedrag, mede gelet op zijn bestedingspatroon na het feit. Hieruit leidt het hof af dat [verdachte] minst genomen bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest en dat [verdachte] een essentiële rol moet hebben gespeeld in de planning, de organisatie en/of de uitvoering van het feit.
Tot besluit
Niet kan worden vastgesteld welke dader – buiten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] – nog meer de woning van aangeefster is binnengegaan. Wel kan worden vastgesteld dat de daders op een intensieve manier het feit hebben voorbereid en gepleegd, daarbij grondig te werk zijn gegaan, en over de juiste informatie moeten hebben beschikt ten aanzien van de organisatie van Hrieps . Op grond van de bewijsmiddelen en de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen, alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het feit, stelt het hof ten aanzien van elk van de genoemde verdachten vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte enerzijds en een of meer van zijn mededaders anderzijds. Zij hebben het feit in gezamenlijke uitvoering gepleegd en het hof acht de bijdrage van de verdachte daarbij van voldoende gewicht om de verdachte als medepleger te beschouwen.”
5.4
De toelichting op het middel werpt allereerst op dat het hof eerder in het arrest heeft vastgesteld dat de verdachte niet de woning van de aangeefster heeft betreden. Daarnaast laat het hof volgens de steller van het middel in het midden of de verdachte chauffeur dan wel inzittende in één van de gebruikte auto’s zou zijn geweest. Ook wordt niet geconcretiseerd welke rol de verdachte bij het tellen van de buit zou hebben gespeeld. Door het geenszins concretiseren van de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte is het oordeel van het hof dat die bijdrage van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen (en niet slechts van medeplichtigheid, wat niet is ten laste gelegd) volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd.
5.5
Allereerst merk ik op dat het oordeel van het hof dat het feit berust op een tevoren gemaakt, nauwgezet en grondig voorbereid plan in cassatie niet wordt betwist. Verder is van belang dat het hof in het bestreden arrest onder het kopje
“In algemene zin”behorend bij het onderdeel
“Feitenvaststellingen n.a.v. verklaringen [getuige 1] ”heeft vastgesteld dat de verdachte aan [getuige 1] heeft verteld dat er (naar het hof begrijpt: in de woning) drie jongens waren en dat ze met drie auto’s waren (“We waren met drie auto’s, maar jullie wisten maar af van twee.”). Verder heeft het hof ten aanzien van de verdachte vastgesteld dat de verdachte volgens [getuige 1] een rol had en er ook iets mee te maken had en dat hij € 50.000,- van de buit heeft gehad, hetgeen [getuige 1] op foto’s heeft gezien. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte heeft geholpen met inladen (door het hof begrepen als: van de buit of andere spullen). Voorts stelt het hof op basis van de verklaring van [getuige 1] vast dat de verdachte hem een foto heeft gestuurd waarop een deel van het geld van de buit is te zien en dat de verdachte kort na het feit naar Amsterdam is gegaan waar hij in het Hilton hotel heeft verbleven en daarna op vakantie naar Spanje is gegaan.
5.6
Onder het kopje
“VI. Medeplegen”maakt het hof vervolgens eerst melding van zijn – in cassatie niet bestreden – conclusies dat:
- er minimaal vijf personen in twee van de drie auto’s die bij het plegen van het feit betrokken waren zaten;
- medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] auto’s hebben geregeld althans beschikbaar hebben gesteld waarmee naar (de buurt van) de woning van aangeefster in [plaats] is gereden;
- op de voorafgaande avond met deze auto’s een voorverkenning heeft plaatsgevonden;
- in ieder geval deze auto’s na de diefstal door de daders als vluchtauto zijn gebruikt;
- ook de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] – naast medeverdachte [medeverdachte 4] als bestuurder van de Volkswagen Polo – inzittenden waren van de auto’s dan wel deze (mede) hebben bestuurd;
- meerdere personen, waaronder één of meer van de daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen, vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] zijn gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen;
- de buit na de diefstal over meerdere personen is verdeeld.
Het hof heeft vervolgens op grond van deze conclusies – meer in het bijzonder de conclusies over het zijn van inzittende dan wel chauffeur van één van de auto’s die bij het plegen van het feit zijn gebruikt, de aanwezigheid van de verdachte bij het verdelen van de buit en het fors delen in de buit (€ 50.000,- van de buitgemaakte € 362.980,-) – geoordeeld dat de verdachte het feit heeft medegepleegd.
5.7
Dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte minst genomen bij de uitvoering van het gezamenlijk plan betrokken is geweest en een essentiële rol moet hebben gespeeld in de planning, de organisatie en/of de uitvoering van het feit is gelet op de onder 5.5 en 5.6 genoemde (concluderende) vaststellingen niet onbegrijpelijk. De verdachte is in de buurt van de woning van de aangeefster aanwezig geweest, heeft geholpen met inladen (door het hof begrepen als: van de buit of andere spullen) en heeft vervolgens met de daders die de woning zijn ingegaan de buit verdeeld. Tegen deze achtergrond heeft het hof kunnen oordelen dat het feit in gezamenlijke uitvoering is geleegd en dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om hem als medepleger te beschouwen. Daarbij herhaal ik dat de conclusie van het hof dat het feit berust op een tevoren gemaakt, nauwgezet en grondig voorbereid plan in cassatie ook niet wordt betwist. Dat niet concreet blijkt of de verdachte chauffeur dan wel inzittende in één van de gebruikte auto’s is geweest noch door het hof is geconcretiseerd welke rol de verdachte bij het tellen van de buit zou hebben gespeeld, doet aan het voorgaande niet af. Vaststaat dat de verdachte in één van de auto’s heeft gezeten en dat hij bij het tellen en verdelen van de buit aanwezig is geweest. Van belang daarbij is bovendien dat het hof erop wijst dat de verdachte een fors geldbedrag (€ 50.000,-) van de buit heeft gekregen. Dit impliceert dat hem een substantieel deel van de buit is toegekomen, waarvoor lastig een verklaring te geven valt – hetgeen in hoger beroep ook niet is gedaan en evenmin in cassatie – als niet ook van substantiële (intellectuele en/of materiële) betrokkenheid bij de overval sprake is geweest. Dat substantieel in de buit is gedeeld blijkt ondertussen niet alleen uit de verklaring van getuige [getuige 1] maar ook uit de bewijsmiddelen inzake het inkomen van de verdachte en zijn uitgavenpatroon direct na het feit. Ook daarop wijst het hof. Overigens merk ik nog op dat het hof onder het kopje
“Bedreiging met geweld – ook door verdachten die niet in de woning zijn geweest”heeft vastgesteld dat de anderen (waaronder de verdachte) zich op geen enkele zichtbare manier hebben gedistantieerd van de uitvoering van het plan en niet is gebleken van enige contra-indicatie.
5.8
Het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.9
Het middel faalt.

6.Het derde middel

6.1
Het middel houdt in dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
6.2
Namens de verdachte is op 7 mei 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan twee maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet dit leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

7.Afronding

7.1
De eerste twee middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het derde middel slaagt.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verder is er in aanvulling op de in het bestreden arrest vermelde voetnoten nog een bijlage met twee bewijsmiddelen, inhoudende een tweetal door [benadeelde] namens Stichting Hrieps op 12 mei 2019 en 21 november 2019 afgelegde verklaringen. Zie over de toelaatbaarheid van deze werkwijze HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3862.
2.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
3.Het in voetnoot 74 genoemde proces-verbaal van bevindingen houdt op p. 608 in dat de op p. 607 weergegeven foto van 12 juni 2019 dateert. Het in voetnoot 74 genoemde processen-verbaal van bevindingen (p. 614) houdt vervolgens in dat bij genoemde foto abusievelijk is vermeld dat deze is genomen op 12 juni 2019 en dat dit 13 juni 2019 moet zijn. Onder het kopje “III. (e) Uitgaven gedaan na 12 mei 2019” wordt door het hof wel 13 juni 2019 als datum genoemd. Op de foto op p. 607 zijn op de handpalm stapels geld te zien en net onder de hand – op de pols – een “300” tatoeage. Op p. 617 is een foto van de handpalmen van de verdachte te zien en is net onder de linkerhand – op de pols – een identieke “300” tatoeage zichtbaar.