Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
Vordering
€ 48.740,62.”
Geerings tegen Nederland. [1] Het EHRM overwoog daarin dat “
the presumption of innocence[…]
will be violated if a judicial decision or a statement by a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved guilty according to law” (par. 41).
Geerings tegen Nederlandbetrof het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel waarbij “
the impugned order related to the very crimes of which the applicant had in fact been acquitted” (par. 48). Het EHRM constateerde een schending van de onschuldpresumptie omdat het oordeel van het hof neerkwam op “
a determination of the applicant's guilt without the applicant having been "found guilty according to law"” (par. 50).
Geeringsheeft gevolgen voor de ontneming op grond van art. 36e lid 2 Sr, omdat – in de woorden van A-G Aben – “een op die bepaling geschoeide voordeelsontneming [impliceert] dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan de delicten waaruit het – concreet berekende – voordeel afkomstig is”. [2] Uit het kort na het
Geerings-arrest gewezen arrest HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY6714 volgt dat feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken niet aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarmee is de weg afgesneden om een feit waarvan is vrijgesproken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken als een ander strafbaar feit als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr.