Conclusie
Nummer23/01221
Inleiding
“feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”en onder 4 primair
“feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van honderdzestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door tachtig dagen hechtenis, met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr Pro. Verder heeft het hof de straf wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde (dat niet aan ‘s hofs oordeel was onderworpen) bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof op de vordering van de benadeelde partij beslist.
Het eerste middel
De bespreking van het eerste middel
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van oplichting” kunnen verschillende gevallen van opzet worden onderscheiden, te weten:
“wij hebben er reeds € 260.000 zelf in geïnvesteerd en zoals je ziet investeren we zelf door tot uiteindelijk zo’n € 420.000”. [13] Ook met betrekking tot deze agioreserve wijst het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van de FIOD/Belastingdienst van 14 november 2016 (AMB-043, bewijsmiddel 19) uit dat deze agioreserve vermoedelijk fictief is nu uit onderzoek niet naar voren is gekomen hoe de aanvullende agioreserve gevormd is. In de boekingsgegevens komt het aanvullende bedrag immers in het geheel niet voor.
kunnenafleiden, dat (een of meer van) de rechtspersonen bij beide financieringsaanvragen opzettelijk onjuiste financiële gegevens hebben verstrekt, dat de verdachte aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven en dat zij daarbij telkens de aanmerkelijke kans dat de bv’s aan de beoogde financier onjuiste gegevens zouden verstrekken, bewust heeft aanvaard. Dat het hof daarbij betrekt dat het onopzettelijk handelen uitsluit aangezien door de fouten in de financiële gegevens een veel rooskleuriger beeld van de financiële positie van de betreffende rechtspersonen werd geschetst, dat de verdachte tevens wetenschap had van de omstandigheid dat al jaren onjuiste aangiften omzetbelasting werden ingediend alsmede het feit dat de verdachte in de communicatie met de bank over [F] heeft gesproken over een akkoord terwijl daarvan nog geen sprake was, maakt ’s hofs oordeel over het opzet van de verdachte m.i. niet onbegrijpelijk. De omstandigheden zoals naar voren gebracht in de schriftuur maken dit niet anders, waarbij ik doorslaggevend acht de rol die de verdachte binnen de vennootschappen heeft vervuld, de bewoordingen in de e-mailberichten van de verdachte over de relatie met [F] en – tot slot – het feit dat
herhaaldelijk(aan de Belastingdienst en de beoogde financier) onjuiste financiële gegevens zijn verstrekt.
Het tweede middel
Het standpunt van de verdediging
“Is de Rabobank door de onjuiste informatie bewogen?
De bespreking van het tweede middel
“in 2012 een verbetering in de vermogenspositie ten opzichte van het jaar 2011, mede door de activatie van ontwikkelingskosten en de toename van het bedrijfsresultaat”zichtbaar was. Met betrekking tot de financieringsaanvraag in 2015 volgt uit de
“Standaard toelichting Zakelijk Retail Financieren”en de verklaring van de op dat moment betrokken accountmanager, [getuige 3] ,
“dat een van de redenen voor [getuige 3] om namens Rabobank de financieringsaanvraag te accepteren een contract van [C] met [F] was”. [18] Verder volgt uit de verklaring van [getuige 3] dat er meerdere contactmomenten met de verdachte zijn geweest en dat specifiek om documenten met betrekking tot [F] (en [G] ) is verzocht ter onderbouwing van het financieringsverzoek.
“gesloten contracten”en
“harde afspraken”terwijl geen getekende overeenkomsten zijn overgelegd, maakt bovendien niet dat daardoor gezegd kan worden dat de bank (en daarmee de betrokken accountmanagers) de onjuiste voorstelling van zaken bij beter onderzoek had(den) moeten doorzien, waarbij ik belang hecht aan de herhaaldelijke mededelingen van de verdachte per e-mail met betrekking tot [F] . Gelet hierop vindt het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt in voldoende mate zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.