Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
Vanaf 9 december 2019 moet verdachte dus duidelijk zijn geweest op welke wijze en specifiek met welke delicten de druk zou worden opgevoerd. Op 12 december 2019 heeft opnieuw een ontmoeting plaats gevonden tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
dat niet vast is komen te staan dat het opzet van verdachte daarbij gericht was op de onder 2 tenlastegelegde feiten”. Daarbij komt dat het hof, in navolging van de rechtbank, uitdrukkelijk heeft overwogen ervan uit te gaan “
dat verdachte in ieder geval op 9 december 2019 op de hoogte is geraakt van de strafbare wijze waarop [medeverdachte 1] [benadeelde 1] ertoe zou bewegen het geld terug te laten betalen omdat verdachte op 9 december 2019 cookies heeft geaccepteerd van de nieuwsbode [plaats] en daarin moet hebben gelezen over de brandstichting bij de dochter van [benadeelde 1] in [plaats] , terwijl verdachte niet woonachtig is in [plaats] . Vanaf 9 december 2019 moet verdachte dus duidelijk zijn geweest op welke wijze en specifiek met welke delicten de druk zou worden opgevoerd.” Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat de verdachte, “
na kennis te hebben genomen van de door de medeverdachten uitgevoerde ‘incassohandelingen’, waarbij gesteld noch gebleken is dat verdachte deze vorm van uitvoering niet voor ogen had, met ingang van 9 december 2019 bewust de aanmerkelijke kans (heeft) aanvaard dat de medeverdachten op dezelfde strafbare werkwijze zouden doorgaan met het door de verdachte geïnitieerde incasseren van de vordering op [benadeelde 1] .”De vaststelling dat de verdachte via een nieuwsbericht kennis heeft genomen van de brandstichting als ‘incassohandeling’ – dus pas
nadatde brand van 9 december vlakbij de betreffende woning heeft plaatsgehad – en de gevolgtrekking dat (pas) vanaf die datum sprake was van voorwaardelijk opzet bij de verdachte staan volgens de stellers van het middel in de weg aan de bewezenverklaring van (het voorwaardelijk opzet in het kader van) de onder 1. primair ten laste gelegde uitlokking van bedreiging, in het bijzonder het onderdeel “
en brand is gesticht bij deze woning, welk vorenomschreven feit in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 12 december 2019 te [plaats] en/of elders in Nederland heeft uitgelokt[etc.]
.” [1]
in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 12 december 2019”, die mijns inziens niet (zonder meer begrijpelijk) is te verenigen met de bewezenverklaring van de bedreigingshandeling(en) van de uitgelokte “
op 9 december 2019”. Uitlokkingshandelingen achteraf laten zich immers moeilijk voorstellen en kunnen niet onder het bereik van art. 47 lid Pro 1, onder 2, Sr worden gebracht.
en brand is gesticht bij deze woning” uit de bewezenverklaring van feit 1 zou zien op de brand die bij de betreffende woning is gesticht op 13 december 2019 (feit 4) is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Naast de ongelukkige constructie met de hiervoor genoemde bewezen verklaarde periodes komt daar nog bij dat het onder 4. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in de pogingsvariant is ‘blijven steken’, wat met zich brengt dat niet kan worden gesproken van “
brand is gesticht”. [2] Daaraan doet hetgeen nader is overwogen omtrent de bewijswaarde van schakelbewijs niet af.
een onderdeelvan het onder 1. bewezen verklaarde feit; het deel van de bewezenverklaring waarop de klacht
nietziet, de uitlokking van bedreiging bestaande uit het bezorgen van een dreigbrief, wordt door de klacht niet aangetast (en ook de kwalificatie van het bewezenverklaarde blijft ongewijzigd);