Conclusie
eiser tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep
(hierna: de man)
verweersters in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep
(hierna: de vrouw)
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen centraal, waarbij de man een vergoedingsrecht claimt voor investeringen in de woning die volgens hem ten bate zijn gekomen van het vermogen van de vrouw. De zaak betreft een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de vrouw, dat afhankelijk is van de gegrondverklaring van klachten in het principale cassatieberoep van de man.
De procureur-generaal bespreekt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat in het geding na verwijzing opnieuw moet worden beoordeeld of de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw, mede omdat de Hoge Raad in een eerder arrest heeft vastgesteld dat het hof bij de beoordeling van de vordering onvoldoende rekening had gehouden met bepaalde stellingen van de man. Tevens wordt benadrukt dat het hof niet beperkt was tot een louter tekstuele uitleg van art. 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden en dat het hof de stelplicht en bewijslast correct heeft toegepast.
Verder wordt ingegaan op de periode waarin de investeringen zijn gedaan, namelijk vóórdat de vrouw erfpachter werd van de woning, waardoor zij formeel geen baat zou hebben bij deze investeringen. Echter, de vrouw heeft met succes een beroep gedaan op een dringende morele verplichting van de man om bij te dragen aan de kosten van de gezamenlijk bewoonde woning, waardoor het vergoedingsrecht alsnog kan worden toegewezen.
De procureur-generaal concludeert dat de klachten van het incidentele cassatieberoep niet tot cassatie kunnen leiden en adviseert de verwerping daarvan. De conclusie is gebaseerd op een gedetailleerde analyse van eerdere arresten, processtukken en de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Uitkomst: Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen.