In deze zaak is de verdachte, geboren in 1963, veroordeeld voor witwassen door het gerechtshof Den Haag. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 8 weken en de in beslag genomen voorwerpen, waaronder € 18.950,- en een vals bankbiljet, werden verbeurd verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdediging, vertegenwoordigd door advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, die twee middelen van cassatie hebben voorgesteld. De kern van de zaak betreft de rechtmatigheid van het binnentreden door opsporingsambtenaren en de motivering van de opgelegde straf.
De politierechter had in eerste aanleg geoordeeld dat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim, omdat het binnentreden in de woning onrechtmatig zou zijn geweest. Het hof oordeelde echter dat aan de voorwaarden van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering was voldaan, waardoor er geen sprake was van een vormverzuim. In cassatie werd geklaagd over dit oordeel en de strafmotivering. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De zaak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging van de rechtmatigheid van opsporingshandelingen en de gevolgen daarvan voor de procesrechten van de verdachte. De Hoge Raad bevestigt dat bewijsuitsluiting alleen aan de orde kan zijn bij ernstige schendingen van rechtsbeginselen en dat de motivering van de straf in lijn moet zijn met de bewezenverklaring.