ECLI:NL:PHR:2024:949

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
22/02120
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk onjuiste belastingaangifte over AOV-premies ondanks pleitbaar standpunt

De verdachte, voormalig algemeen directeur van een BV, werd door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014. Het geschil betrof de aftrek van arbeidsongeschiktheidsverzekeringspremies (AOV-premies) die de verdachte in zijn aangiften opvoerde als op hem drukkende uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat er sprake was van een schijnconstructie, maar het hof sprak de verdachte vrij van het eerste verwijt omtrent de managementovereenkomst en veroordeelde hem alleen voor de onjuiste aangiften met betrekking tot de AOV-premies. Het hof stelde vast dat de premies niet op de verdachte drukten, omdat deze door de BV aan een managementvennootschap werden vergoed, en dat de verdachte bewust de kans aanvaardde dat hij onjuiste aangiften deed.

In cassatie werd onder meer betoogd dat de verdachte een pleitbaar standpunt had ingenomen, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof dit terecht verwierp omdat het standpunt niet verdedigbaar was op grond van jurisprudentie en literatuur. Wel werd de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het cassatiemiddel faalde verder.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor opzettelijk onjuiste belastingaangifte en vermindert de straf wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02120

Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 31 mei 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd" (art. 69 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen, hierna: AWR), veroordeeld tot een geldboete van drieduizend euro, subsidiair veertig dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en P. van Dongen, thans advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het arrest is gewezen door één of meer raadsheren die onjuist beëdigd zijn.
2.2
Het middel faalt op de gronden als vermeld in het – reeds in de schriftuur aangehaalde – arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, rechtsoverwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 en 5.4.2 tot en met 5.7. Tegen het daarin bepaalde hebben de stellers van het middel geen nieuwe argumenten aangedragen.

Het tweede middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het beroep dat namens de verdachte is gedaan op een bijzondere schulduitsluitingsgrond - ‘pleitbaar standpunt’ - door het hof ontoereikend gemotiveerd is verworpen.
Feiten en procesverloop tot aan het hoger beroep
3.2
De feiten en het procesverloop van deze zaak laten zich als volgt samenvatten. De verdachte was van 1 januari 2010 tot 3 november 2015 in dienst van [A] B.V. (hierna: [A] B.V.) in de functie van algemeen directeur. Zijn overeengekomen beloning bedroeg eerst € 9.000,- en daarna, per februari 2013, € 10.333,- per maand. Dit bedrag is gedeeltelijk (circa. € 6.500,- bruto) in loon uitbetaald aan de verdachte en voor het overige bij wijze van ‘management-fee’ overgemaakt aan [B] (hierna ook: de [B] ), een Belgische managementvennootschap van de verdachte. Vanuit deze vennootschap zouden, althans volgens het openbaar ministerie en de Inspecteur van de Belastingdienst, [1] de gelden dan weer zijn doorgevloeid naar de privérekeningen van de verdachte. Daarnaast zijn nog betalingen geschied in het kader van (aanvullende) managementvergoedingen, bonussen en onkostenvergoedingen, die ook telkens verliepen via [B] . Onderdeel van deze betalingen waren bedragen die konden worden gerelateerd aan de door de verdachte betaalde premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: AOV-premies).
3.3
In eerste aanleg is door de rechtbank geoordeeld dat van een managementovereenkomst tussen [A] B.V. en de [B] geen sprake was en dat in zoverre gesproken kon worden van een schijnconstructie, [2] die ertoe strekte om over een deel van de betalingen geen inkomstenbelasting te betalen. [3] De rechtbank is daarbij uitgegaan van het verschil tussen de bovengenoemde arbeidsovereenkomst (eerst € 9.000,- en daarna € 10.333, plus bonussen en aanvullende (management)vergoedingen) en hetgeen daadwerkelijk in loon werd uitbetaald (circa. € 6.500,- bruto). [4] De rechtbank is niet afzonderlijk ingegaan op de betalingen die waren gerelateerd aan de AOV-premies. Ten tijde van de behandeling van de zaak door de rechtbank en het hof liep ook een fiscale (bezwaar)procedure. Deze is toen in afwachting van de afloop van de strafprocedure stilgelegd. [5] Mij is niet bekend of deze procedure inmiddels hervat of afgerond is. Daaromtrent wordt in de cassatieschriftuur in elk geval niets aangevoerd.
Het bestreden arrest
3.4
Het gerechtshof heeft, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat wel sprake was van een managementovereenkomst en dat in zoverre dus geen sprake is van een ‘illegale constructie’. [6] Van het zwaartepunt van het aan de verdachte gemaakte verwijt heeft het gerechtshof de verdachte dan ook vrijgesproken. [7] Het gerechtshof is evenwel tot een veroordeling gekomen voor het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften inkomstenbelasting voor zover deze betrekking hebben op AOV-premies. De relevante bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt (voetnoten weggelaten):

“A.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe is - op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord - in de kern het volgende aangevoerd.
A.1.
Geen sprake van onjuiste en/of onvolledige aangiften inkomstenbelasting
Aangezien de premies arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (hierna: de AOV-premies) terecht in aftrek zijn gebracht als op de verdachte drukkende uitgaven voor inkomensvoorzieningen, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat sprake is van onjuiste en/of onvolledige aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014.
A. 2.
Geen sprake van opzet (pleitbaar standpunt)
Door en namens de verdachte is betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften, aangezien hij in zijn aangiften een fiscaal pleitbaar standpunt heeft ingenomen en derhalve kon en mocht menen dat de wijze waarop hij zijn aangiften heeft gedaan toelaatbaar was. Dit standpunt komt erop neer dat de AOV-premies als op de verdachte drukkende uitgaven voor inkomensvoorzieningen in mindering kunnen worden gebracht op het belastbaar inkomen van de verdachte in box 1.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.
Belastingambtenaar [betrokkene] heeft op ambtsbelofte verklaard dat de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over (onder meer) de jaren 2012 tot en met 2014 betreffende de belastingplichtige [verdachte] zijn binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst en dat de inzending van de aangiften heeft plaatsgevonden met gebruik van DigiD. De aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 is ontvangen op 13 juni 2013, de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 is ontvangen op 13 mei 2014 en de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014 is ontvangen op 2 april 2015. De verdachte heeft verklaard dat hij de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2015 zelf, online, heeft ingediend.
De verdachte was in de jaren 2012 tot en met 2014 houder van een AOV afgesloten bij [C] Schadeverzekering N.V. (hierna: [C] ) onder [polisnummer] . De verschuldigde AOV-premies over die jaren bedroegen respectievelijk € 3.297,95, € 4.799,17 en € 4.893,45. In de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2012 tot en met 2014 heeft de verdachte uitgaven voor inkomensvoorzieningen in mindering gebracht op zijn belastbaar inkomen in box 1, te weten € 3.298 in 2012, € 4.800 in 2013 en € 4.894 in 2014. Het hof stelt vast dat deze aftrekposten corresponderen met de verschuldigde AOV-premies over de jaren 2012 tot en met 2014.
B.1.
De aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 tot en met 2014 zijn onjuist en/of onvolledig
De raadsman van de verdachte stelt zich primair op het standpunt dat de AOV-premies daadwerkelijk op de verdachte hebben gedrukt, omdat de verdachte de AOV-premies (in privé) aan [C] heeft betaald. Hoewel door [A] B.V. een vergoeding voor de AOV-premies aan [B] is betaald, hebben de premies desalniettemin op de verdachte gedrukt omdat deze vergoeding niet door [B] aan de verdachte is uitgekeerd. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat een onjuiste en/of onvolledige aangifte is gedaan, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
AOV-premies kunnen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in mindering worden gebracht op het belastbaar inkomen voor zover die AOV-premies op de belastingplichtige ‘drukken’. Samengevat houdt die term in dat de belastingplichtige de uitgave verplicht is te betalen uit eigen middelen en dat de belastingplichtige de door hem betaalde premie niet financiert uit een voor dat doel door een ander aan hem gegeven bedrag (dat niet tot zijn belastbare inkomen hoort).
Bij beantwoording van de vraag of de AOV-premies op de verdachte hebben gedrukt, acht het hof het volgende van belang. Daarbij maakt het hof onderscheid tussen het jaar 2012 en de jaren 2013 en 2014.
Allereerst stelt het hof vast dat in de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van [A] B.V. van 17 april 2012 staat dat de verdachte de kosten van de AOV in rekening mag brengen bij [A] B.V.
Aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012
Bij onderzoek in de financiële administratie van [A] B.V. is geconstateerd dat op 12 december 2012 een bedrag van € 3.297,95 is betaald aan [C] , onder vermelding van het polisnummer van de AOV van de verdachte. Dit bedrag correspondeert met de AOV-premie over het jaar 2012.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de AOV-premie voor 2012 door [A] B.V. rechtstreeks aan [C] is betaald. Aangezien de verdachte de uitgave niet uit eigen middelen heeft voldaan, heeft deze uitgave niet op de verdachte gedrukt. Dit betekent dat de verdachte, door in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 een bedrag van € 3.298 in mindering te brengen op zijn belastbaar inkomen in box 1, een onjuiste en/of onvolledige aangifte heeft gedaan.
Aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 en 2014
Bij onderzoek in de digitale boekhouding en de financiële administratie van [A] B.V. is geconstateerd dat op 25 november 2013 een bedrag van € 4.799,17 als ‘verzekeringskosten’ is geboekt op de crediteur [B] , met boeknummer C20130309. Als onderliggend stuk van deze mutatie heeft gediend de factuur van [B] met factuurnummer ICE2000036, waarop het boeknummer ‘309’ is geschreven. Daarnaast is op 3 december 2013, per bank, een bedrag van € 4.799,17 door [A] B.V. aan [B] betaald onder vermelding van ‘factuur 36’. De verdachte heeft op 6 december 2013 een bedrag van € 4.799,17 met betrekking tot zijn AOV aan [C] betaald. Dit bedrag correspondeert met de AOV-premie over het jaar 2013.
Voorts is bij dat onderzoek geconstateerd dat op 1 november 2014 een bedrag van € 4.893,45 als ‘verzekeringskosten’ is geboekt op de crediteur [B] , met boeknummer [nummer 1] . Als onderliggend stuk van deze mutatie heeft gediend de factuur van [B] met factuurnummer [nummer 2] , waarop het boeknummer ‘ [nummer 1] ’ is geschreven. Op 21 november 2014 is het factuurbedrag van € 5.921,07 (incl. btw) afgeboekt op de openstaande schuld van [A] B.V. aan [B] . De verdachte heeft op 25 november 2014 een bedrag van € 4.893,45 met betrekking tot zijn AOV aan [C] betaald.
Dit bedrag correspondeert met de AOV-premie over het jaar 2014. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de door [B] aan [A] B.V. gefactureerde vorenbedoelde bedragen niet door [B] als loon of dividend aan hem zijn uitgekeerd, omdat dan die bedragen gebruteerd hadden moeten worden als het als loon was uitgekeerd en dat een aanmerkelijkbelangheffing verschuldigd zou zijn geweest indien die bedragen niet als loon, maar als dividend zouden zijn uitgekeerd. De bedragen zijn gebruikt om de in het verleden door de verdachte (in privé) aan [B] verstrekte lening(en) af te lossen.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat, hoewel de AOV-premies voor 2013 en 2014 door de verdachte rechtstreeks aan [C] zijn betaald, deze uitgaven niet op hem hebben gedrukt, aangezien de verdachte recht had op vergoeding van de premies door [A] B.V. Uit de in de voetnoten gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de vergoedingen door [A] B.V. aan [B] ten doel hadden de door de verdachte aan [C] betaalde AOV-premies te dekken. Dat de verdachte de hem rechtstreeks toekomende vergoedingen door [A] B.V. ten goede heeft laten komen aan [B] heeft niet tot gevolg dat de AOV-premies voor 2013 en 2014 op hem hebben gedrukt. Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier blijkt niet dat deze vergoedingen tot het inkomen van de verdachte hebben behoord. Bovendien blijkt uit de voornoemde bewijsmiddelen dat deze bedragen door [A] B.V. als (verzekerings)kosten in de boekhouding zijn verwerkt en, aldus, ten laste van het resultaat zijn gebracht, hetgeen betekent dat [A] B.V. de belastingplichtige is geweest op wie de betalingen hebben gedrukt. Dit betekent dat de verdachte, door in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 een bedrag van € 4.800 en in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014 een bedrag van € 4.894 in mindering te brengen op zijn belastbaar inkomen in box 1, onjuiste en/of onvolledige aangiften heeft gedaan.
Nu niet is gebleken van andere feiten en omstandigheden die tot een andersluidend oordeel behoren te leiden, faalt het hiervoor onder B.1 vermelde verweer.
B.2. Geen pleitbaar standpunt
Het hof stelt voorop dat indien de verdachte ten tijde van het doen van de aangiften - naar objectieve maatstaven gemeten - redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangiften juist en volledig waren, het (voorwaardelijk) opzet aan het tenlastegelegde feit is komen te ontvallen.
De onderhavige zaak komt er op neer dat de verdachte wordt verweten (telkens) opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014 te hebben gedaan door de niet op hem drukkende AOV-premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in mindering te brengen op zijn belastbaar inkomen in box 1. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften, omdat het fiscaalrechtelijk standpunt dat hij in die aangiften heeft ingenomen - te weten dat sprake was van op de verdachte drukkende uitgaven voor inkomensvoorzieningen - pleitbaar was.
Het hof overweegt als volgt.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte geen standpunt ingenomen waarvan hij redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij daarmee aangiften inkomstenbelasting deed op een wijze die juist en volledig was. Immers, uit de breedgedragen jurisprudentie en literatuur op dit punt volgt dat onder het begrip ‘drukken’ wordt verstaan dat de belastingplichtige verplicht is de uitgave te betalen uit eigen middelen en dat de betaling ervan niet kan worden gefinancierd uit een voor dat doel door een ander aan hem gegeven bedrag (dat niet tot zijn belastbare inkomen hoort). De verdachte heeft de hem rechtstreeks toekomende vergoedingen door [A] B.V. ten goede laten komen aan [B] en er bewust voor gekozen deze vergoedingen niet als (gebruteerd) loon van [B] of als dividend van [B] te laten uitkeren. Door de AOV-premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in mindering te brengen op zijn belastbaar inkomen in box 1, terwijl deze premies zijn vergoed door [A] B.V. en op haar hebben gedrukt, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij onjuiste en/of onvolledige aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014 zou doen.

C.

Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging en al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals vermeld in de bewezenverklaring.”
3.5
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op meerdere momenten in de periode van 13 juni 2013 tot en met 2 april 2015, in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014, onjuist of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op de ingeleverde aangiftebiljetten inkomstenbelasting over genoemde jaren telkens bij ‘verzamelinkomen box 1 ’ een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.”
Het procesverloop in de appelfase
3.6
Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft het debat zich - zo volgt uit het proces-verbaal en de ter zitting voorgedragen pleitnota - toegespitst op de vraag of sprake was van een managementovereenkomst en -vennootschap als hierboven in rubriek 2 bedoeld dan wel of de verdachte zich kon beroepen op een pleitbaar standpunt dienaangaande. Minder aandacht is geweest voor de AOV-premies. De in hoger beroep overgelegde pleitnota bevat hieromtrent slechts het volgende:
“5.4. Hetzelfde geldt voor de premies van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. Als pleitbaar standpunt heeft te gelden dat cliënt deze premies als op hem drukkende inkomensvoorzieningen in aftrek nam.
5.5.
Indien het voorgaande niet als pleitbaar standpunt geldt is er (slechts) sprake van een beoordelingsfout van cliënt op basis van de gesprekken/inlichtingen van specialisten bij [A] B.V. (…). Een dergelijke beoordelingsfout dient onderscheiden te worden van de situatie waarbij de cliënt het er bewust op aan laat komen. Dat is niet het geval geweest.”
3.7
Ter zitting is de verdachte over de AOV-premies bevraagd. Het proces-verbaal bevat hierover het volgende:
“U houdt mij de betalingen van de AOV-premies voor. In 2012 is de AOV-premie rechtstreeks door [A] B.V. betaald. In 2013 en 2014 zijn de AOV-premie steeds door mij betaald, maar is het bedrag door [A] B.V. vergoed aan [B] . U houdt mij voor dat uit DOC-043 blijkt dat is afgesproken dat ik de AOV-premies in rekening mocht brengen bij [A] B.V. Hiervoor geldt hetzelfde als voor de managementovereenkomst: als we overeengekomen waren dat er € 4.000,- extra zou worden gefactureerd en het niet gelabeld zou worden als AOV-premie, dan hadden we hier vandaag niet gezeten.
U vraagt mij waarom ik de AOV-premies in aftrek heb gebracht terwijl deze niet op mij hebben gedrukt. Ik heb de AOV-premies vanuit privé betaald, dus deze hebben op mij in privé gedrukt. De [B] heeft een factuur gestuurd voor hetzelfde bedrag.
U houdt mij voor dat de betalingen van [A] B.V. aan [B] worden verrekend met de door mij aan de [B] verstrekte leningen en dat deze daarom niet op mij hebben gedrukt. Het komt ten laste van mijn vermogenspositie. Ik heb geen vergoeding gekregen, dus dan betaal ik het zelf.
U vraagt mij waarom ik, als ik de afspraak maak dat [A] B.V. de AOV-premies vergoedt, toch de AOV-premies in aftrek breng. Die vergoeding was aan de [B] . Als ik het bedrag in privé ontvang, moet ik daar dividend- of inkomstenbelasting over betalen. Ik krijg dan netto minder respectievelijk zelfs maar de helft en moet de rest zelf bijleggen. Als het als loon door [B] zou zijn betaald moet de betaling van het premiebedrag gebruteerd worden en dat is dan het dubbele.
U vraagt mij waarom ik de AOV-premies niet door [B] heb laten betalen. Het idee was om dat bedrag extra in rekening te brengen door [B] bij [A] B.V.. Ik heb het niet opzettelijk gedaan. Ik ga ervan uit dat als ik de AOV-premies vanuit privé betaal, dat het ook op mij in privé heeft gedrukt.
U houdt mij voor dat als de vergoeding door [A] B.V. rechtstreeks aan mij was vergoed, dat dit bedrag - zoals ik zojuist heb verklaard - gebruteerd had moeten worden en dat dit niet is gebeurd. Er is niet afgesproken dat de AOV-premies zouden worden vergoed, maar dat ik ze in rekening mocht brengen bij [A] B.V..”
De klachten in cassatie
3.8
In cassatie wordt de klacht naar voren gebracht dat (i) de verwerping van het verweer “tekort[schiet] in het licht van hetgeen verdachte en de verdediging hebben aangevoerd, te weten dat verdachte uit is gegaan van de opvatting van deskundigen, hetgeen het hof niet heeft weerlegd.” In het verlengde daarvan wordt gesteld dat (ii) dit temeer klemt omdat het hof ter zake van “andere door [A] B.V. gemaakte afspraken (…) heeft vastgesteld dat onvoldoende bewijs van voorwaardelijk opzet aanwezig is”. Voorts had het hof, volgens de stellers van het middel, (iii) nader moeten aanduiden waaruit de “breedgedragen jurisprudentie en literatuur op dit punt” zou hebben bestaan. Ten slotte (iv) wordt nog met een aantal klachten opgekomen tegen, kort samengevat, feitelijke oordelen.
Beoordeling van het cassatiemiddel
3.9
Bij de bespreking van de cassatiemiddelen stel ik voorop dat aan het ten laste gelegde opzettelijk onjuist doen van belastingaangifte twee verwijten ten grondslag liggen die beide verband houden met betalingen die door [A] B.V. aan de [B] zijn gedaan, maar verder van elkaar moeten worden onderscheiden. Het ene verwijt is dat een deel van deze betalingen moet worden aangemerkt als inkomen van de verdachte dat hij als zodanig in zijn belastingaangifte had moeten opnemen. Het feitelijk geschilpunt in deze zaak is in de kern of een managementovereenkomst was gesloten tussen [A] B.V. en de [B] . Het andere verwijt is dat een deel van de betalingen door [A] B.V. aan de [B] zijn gedaan ter vergoeding van de door de verdachte betaalde AOV-premies, zodat deze premies niet op de verdachte ‘drukken’ in de zin van de wet en hij deze niet in aftrek had mogen brengen op zijn inkomen. Het feitelijke geschilpunt is in de kern of tussen de verdachte en [A] B.V. is overeengekomen dat de betalingen inderdaad verband houden met de door de verdachte betaalde AOV-premies dan wel een andere grondslag hebben. Dit onderscheid in zowel juridische als feitelijke context maakt dat de door de verdediging ingenomen standpunten over het ene verwijt, niet zonder meer relevantie hebben voor het andere verwijt.
3.1
Voor de onder (i) genoemde klacht geldt dat deze feitelijke grondslag ontbeert. Ik zie in het hiervoor onder 3.6 en 3.7 weergegeven verweer geen beroep op opvattingen van deskundigen terug. Voor zover die ter zitting wel naar voren zijn gebracht, hebben dergelijke opvattingen, voor zover ik zie, telkens betrekking gehad op dat onderdeel van de tenlastelegging waar de verdachte van is vrijgesproken, te weten het eerste hiervoor genoemde verwijt. In de schriftuur wordt ook niet, laat staan met enige precisie, aangegeven over welke opvattingen van welke deskundigen het dan zou moeten gaan.
3.11
Voor de onder (ii) genoemde klacht geldt het volgende. Indien deze klacht betrekking heeft op hetgeen waarvoor de verdachte is veroordeeld, berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest c.q. een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers geoordeeld dat de verdachte wél opzet heeft gehad op de bewezenverklaarde gedragingen. Indien met de klacht beoogd wordt op enige tegenstrijdigheid te wijzen tussen de overwegingen over hetgeen waarvan de verdachte is vrijgesproken en die over hetgeen waarvoor hij is veroordeeld, geldt dat ik deze tegenstrijdigheid niet zie, gelet op het hetgeen ik voorop heb gesteld. In de schriftuur ontbreekt ook een nadere toelichting bij deze klacht.
3.12
De onder (iii) genummerde klacht doet een beroep op de figuur van het pleitbaar standpunt. Deze figuur is ontwikkeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad. [8] Het gaat om een verweer van de verdachte dat hij ten tijde van het doen van aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het belastingrecht en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. Dit verweer staat, indien gehonoreerd, in de weg aan het aannemen van het opzet als bedoeld in art. 69 AWR Pro. De klacht miskent dat een pleitbaar standpunt mede in het licht moet worden gezien van het door of namens de verdachte gevoerde verweer. In deze zaak vermeldt het gevoerde verweer geen duidelijke omschrijving van een tot het voordeel van de verdachte strekkende uitleg van het begrip ‘drukken’ [9] en evenmin bronnen die dit standpunt verdedigbaar maken, zoals verwijzingen naar literatuur, wetsgeschiedenis of feitenrechtspraak. Ik zie niet in waarom het hof dan gehouden zou zijn geweest om het arrest van nadere aanduidingen en/of literatuurverwijzingen te voorzien.
3.13
De klachten over de feitelijke oordelen van het hof (iv) miskennen dat hiervoor binnen de figuur van het pleitbaar standpunt (en in cassatie) geen plaats is. [10] Deze kunnen dus buiten bespreking blijven. Nu ik in het middel geen overige (motiverings)klachten lees, is voor een aanvullende toetsing van het oordeel in cassatie naar het mij voorkomt geen plaats.

Afronding

4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat het hof arrest heeft gewezen op 31 mei 2022 en dat in zoverre de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vgl. het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 17 mei 2022, p. 5 tweede alinea van onder en p. 6 eerste alinea van boven en het requisitoir in eerste aanleg, onder 2.4.2 en 2.4.3, waar door de advocaat-generaal in hoger beroep naar is verwezen (zie proces-verbaal van de zitting, p. 7).
2.Of van “een betalingsconstructie (…) die geen weergave was van, noch recht deed aan de feitelijke arbeidsverhouding” (p. 4 van het vonnis van 2 april 2021).
3.p. 3 van het vonnis van 2 april 2021
4.De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot kort gezegd 140 uur taakstraf, subsidiair 70 dagen hechtenis, een geldboete van € 24.500,00, subsidiair 157 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Tegen dit vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.
5.Proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 17 mei 2022, p. 5.
6.p. 3 van het arrest van 31 mei 2022.
7.p. 2-4 van het arrest van 31 mei 2022.
8.Zie HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542, rov. 4 (onder verwijzing naar een arrest van de belastingkamer van 21 april van dat jaar). Zie meest recent de conclusie van AG Wattel van 15 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:510 (HR: 81.1 RO).
9.Op p. 14 van de memo die als bijlage 1 is gevoegd bij de pleitnota die is voorgedragen op de zitting van het hof van 17 mei 2022, lees ik een definitie die niet verschilt van die van het hof.
10.Vgl. de conclusie van AG Wattel van 15 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:510, randnummer 6.4-6.8 (HR: 81.1 RO).