Conclusie
[eiser]),
Evemij).
1.Feiten
arrest).
[betrokkene 1]) bestuurde vennootschap die zich bezighoudt met het beheren, exploiteren en vervreemden van vastgoed. In het verleden heeft Evemij met [A] B.V. (hierna:
[A]) vastgoedobjecten aangekocht en ontwikkeld, waaronder kantoorgebouwen aan de [a-straat 1] in [plaats] (hierna: het
pand) en aan de [b-straat 1] en [b-straat 2] te [plaats] . [A] wordt indirect, want via [B] B.V. (hierna:
[B]), bestuurd door [eiser] .
Vastbouw) een bieding van € 1.100.000,- had ontvangen in het kader van een met [A] voorgenomen gezamenlijke herontwikkeling. Evemij voelde op dat moment zelf niet voor herontwikkeling met [A] en wilde haar deel wel verkopen.
Hoofddorp Staete). Dit bedrag is aangewend voor aflossing van de bank en gedeeltelijke aflossing van de vordering van Evemij op [B] en [A] . De borgtocht van [eiser] werd verhoogd naar € 225.000,- en het tweede hypotheekrecht van Evemij op de onverdeelde helft van [A] van het pand is doorgehaald.
Alvast). Die vennootschap maakte deel uit van de vastbouwgroep van wijlen [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]). Evemij was van deze transactie niet op de hoogte. Gezamenlijke herontwikkeling door [A] en Vastbouw was toen niet meer aan de orde.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank)
.Zij heeft in conventie, samengevat, gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van (i) de nog openstaande vordering op [A] van € 80.446,04 en (ii) de helft van het verschil tussen de koopprijs die Alvast voor het pand heeft betaald en die Hoofddorp Staete voor het pand heeft betaald, zijnde € 150.000,-.
vonnis) heeft de rechtbank, samengevat, de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie toegewezen.
hof).
Twee samenhangende verwijten
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ikomt op tegen ’s hofs verwerping van het verweer van [eiser] dat het verschil van € 300.000,- geen hogere koopprijs voor het pand betrof, maar een kostenvergoeding.
Onderdeel IIhoudt in dat het hof het grievenstelsel heeft miskend door te beoordelen of [eiser] aansprakelijk was op grond van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
Onderdeel IIIklaagt over miskenning van het grievenstelsel door het hof met betrekking tot een bepaalde feitelijke vaststelling. Het slot van het middel bevat kennelijk nog een
voortbouwklachtinzake kosten.
motiveringsklachtkomt op tegen een mogelijke lezing van het arrest (welke lezing is ingekleed als voorwaarde). Namelijk dat het hof geen ruimte ziet voor bewijsvoering zijdens [eiser] , omdat hetgeen [eiser] ten bewijze heeft aangeboden niet ter zake doet in ’s hofs redenering. De motiveringsklacht bevat de voortbouwklacht dat bij het slagen van subonderdeel I.1 het bestreden oordeel niet in stand kan blijven, omdat het niet-toelaten tot bewijs dan onbegrijpelijk is want voortbouwt op een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken. De
rechtsklachthoudt in dat, bij een andere lezing dan hiervoor uiteengezet, het niet-toelaten tot bewijs onjuist is aangezien “het bewijs” hier tegenbewijs betreft en het hof aan het toelaten tot tegenbewijs - onjuist - eisen stelt die in strijd zijn met art. 151 lid 2 Rv Pro.
subonderdeel I.1.
kosten; die verhoging van € 300.000,- strekte tot vergoeding van projectplan
kostendie voor rekening van Hoofddorp Staete waren gekomen. Het hof verwerpt dit verweer in diezelfde rechtsoverwegingen. Zie onder 2.10 hiervoor.
kostendie voor rekening van Hoofddorp Staete waren gekomen. Dus níet dat volgens [eiser] de koper € 300.000,- ervoor over had om het projectplan zelf te kunnen ontwikkelen (de aan Hoofddorp Staete betaalde € 300.000,- een vergoeding was voor dit plan), wat - naar het subonderdeel onderkent - niet hetzelfde is.
(…)
11. (…) De (hoge) kosten voor de uitwerking van het projectontwikkelingsplan waren immers gemaakt in Hoofddorp Staete en de vergoeding daarvan (die verdisconteerd was in de koopprijs van het pand) diende derhalve - logischerwijs - óók in Hoofddorp Staete te vallen.
(…)
29. Daar komt nog bij dat het verschil van EUR 300.000,- in de door [A] en Hoofddorp Staete ontvangen koopprijzen, niet een ‘winst’ van [eiser] is, die zij zou hebben onthouden aan Evemij, maar een vergoeding van de kosten die door Hoofddorp Staete zijn gemaakt (en dus niet door [A] ) in het kader van de uitwerking van een projectontwikkelingsplan. Vanzelfsprekend dient een vergoeding van kosten te vallen in de vennootschap die die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. [eiser] kan niet worden tegengeworpen dat zij dienovereenkomstig heeft gehandeld. In tegendeel. Juist in het geval waarin [eiser] de vergoeding van kosten die door Hoofddorp Staete zijn gemaakt zou hebben laten betalen aan [A] , zou dat ten aanzien van Hoofddorp Staete en haar schuldeisers een persoonlijk en ernstig verwijt in de richting van [eiser] opleveren. Bovendien valt niet te rechtvaardigen waarom Evemij aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van kosten die door Hoofddorp Staete zijn gemaakt.”
Mr. Kroep[de advocaat van [eiser] , A-G]
Op 15 april 2019 had [eiser] met Vastbouw de afspraak om het pand samen te gaan ontwikkelen. Kort voor de levering meldde Vastbouw dat ze [eiser] uit wilden kopen. [eiser] heeft toen gezegd: ik heb kosten gemaakt. Daarna is een nieuwe prijs afgesproken. (…)
(…)
:
Ik ben bijna een jaar bezig geweest met het project en heb er vaak met [betrokkene 1] [ [betrokkene 1] , A-G] over gesproken. Het pand moest weg van [betrokkene 1] . Er zat druk op. Ik ben van origine projectontwikkelaar, vandaar dat ik het heb opgepakt. Ik ben met Vastbouw en een architect bezig gegaan en heb daar kosten voor gemaakt. Wij waren blij dat we Vastbouw konden vastleggen, dat was mijn verdienste. Ik heb daar daadwerkelijk veel kosten gemaakt (o.a. kosten voor een architect, constructeur en een bouwmanager).”
15. Via [betrokkene 2] was Vastbouw dus een potentiële ontwikkelingspartner. Nadat [betrokkene 2] in 2018 en aanvang 2019 op verzoek van [eiser] al eens had meegekeken en meegedacht bij het project aan de [a-straat] te [plaats] schoof [betrokkene 2] Vastbouw in het eerste kwartaal van 2019 naar voren als ontwikkelingspartner. Op dat moment had [eiser] samen met [betrokkene 2] al de nodige ontwikkelingswerkzaamheden verricht, zoals onderzoek naar de mogelijkheden van ontwikkeling door met de gemeente te spreken, overleg met de eigenaren van naburige panden over een gezamenlijke ontwikkeling (met de één werd er financieel niet uitgekomen, de ander heeft het pand aan een derde verkocht), overleg met de architect over de mogelijkheden, het laten maken van globale doorrekeningen en kostenramingen etc. Hierin heeft al heel veel tijd en kosten gezeten voor [eiser] c.q. Hoofddorp Staete die deze kosten betaalde. Toen Vastbouw aan boord kwam vonden er gesprekken plaats met en bij Vastbouw in de persoon van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] (hierna: “ [betrokkene 5] ") over een gezamenlijke ontwikkeling.
(…)
19. Zoals hiervoor vermeld was een koopsom van € 1,1 miljoen ook een marktconforme prijs voor het pand aan de [a-straat] . Dat blijkt wel uit de eerdere biedingen van derden van de weken daarvoor. Deze derden boden € 1 miljoen respectievelijk € 1,2 (met veel (onhaalbare) voorwaarden) omdat zij zelf ook nog veel projectontwikkelingskosten zouden moeten maken. Hoofddorp Staete had in 2018 en in 2019 echter al veel verricht projectontwikkelingswerk betaald, waarmee Vastbouw direct aan de slag kon en waarvoor Vastbouw ook bereid was om te betalen, omdat zij die niet meer zelf zou hoeven te verrichten. De vergoeding van € 300.000 die Vastbouw aan Hoofddorp Staete heeft betaald, betrof dus geen vergoeding voor het pand. De afspraken met Vastbouw zijn gemaakt in de persoon van [betrokkene 2] , die inmiddels is overleden. Toch biedt [eiser] hiervan uitdrukkelijk bewijs aan door het horen van hemzelf en [betrokkene 5] . Evemij is dus geen vergoeding voor het pand misgelopen. Vastbouw zou voor het pand sec, dus zonder alle vruchten van de reeds verrichte projectontwikkelingswerkzaamheden, ook nooit meer dan € 1,1 miljoen hebben willen betalen. Voor zover nodig biedt [eiser] hiervan uitdrukkelijk bewijs aan door het horen van hemzelf en [betrokkene 5] .
20. (…) NB. De kosten voor Hoofddorp Staete, die gepaard gingen met de voorbereidingen en uitwerking van het projectontwikkelingsplan, waren fors. Naast interne kosten van Hoofddorp Staete a circa EUR 65.000,-, hebben verschillende extern ingeschakelde partijen aan het plan gewerkt. Hoofddorp Staete heeft onder meer een bouwmanager ingeschakeld en een architect ( [betrokkene 4] ), waarvoor een bedrag van ongeveer EUR 30.000,- is doorbelast aan Hoofddorp Staete. Tot slot werd door Hoofddorp Staete opdracht gegeven aan ingenieursbureau Techcomad om de voorgenomen ontwikkelingen uit te werken, waarmee een kostenpost van ruim EUR 150.000,- gepaard ging. Ook zijn veel interne kosten gemaakt in Hoofddorp Staete. In totaal beliepen de kosten voor het opstellen en uitwerken van de plannen ongeveer EUR 280.000,-.”
Mr. Kroep: u houdt mij voor dat ter onderbouwing van de stelling dat [eiser] kosten ter hoogte van € 300.000,- heeft gemaakt alleen verwezen wordt naar de e-mail van [betrokkene 3] van 14 oktober 2022 en naar de tekeningen van [betrokkene 4] die dateren uit 2015. Het klopt dat [eiser] geen rekeningen in het geding heeft gebracht. [eiser] heeft wel verklaard wat er is gebeurd. Dat ligt buiten het gezichtsveld van Evemij. Er zijn met vele partijen gesprekken gevoerd, er zijn reis- en verblijfkosten gemaakt en de bouwbegeleider moet betaald worden. Die kosten moeten doorbelast worden naar de B.V. waarop die kosten betrekking hebben. De ontwikkeling vond plaats in Hoofddorp Staete B.V., daar zijn de kosten belast. Het klopt dat de factuur van Techcomad van 6 juni 2019 (
productie 2 bij conclusie van antwoord) summier is, maar dat is hoe het in de praktijk gaat. [eiser] is in gesprek gegaan met [betrokkene 2] over meerdere projecten. [betrokkene 2] stuurt dan één verzamelfactuur. Die kosten moeten door [betrokkene 3] ergens geboekt worden. Dat hoort niet allemaal bij [B] , dus er zijn ook kosten geboekt bij Hoofddorp Staete B.V. De rekening van Techcomad van € 150.000.- ging om onderhanden werk. Er zit ook een stuk no cure no pay in. Als het tot ontwikkeling zou komen, mochten de werkzaamheden in rekening worden gebracht. Het klopt dat Techcomad een vennootschap van [betrokkene 2] was.
kosten. [25] En diens onder 3.4.8 hiervoor genoemde stellingen - dus nog ter mondelinge behandeling in hoger beroep - dat hij niet met [betrokkene 1] heeft besproken dat hij bij Vastbouw kosten van € 300.000,- in rekening zou brengen bovenop de koopsom van € 1,1 miljoen, en dat het verschil tussen € 1,1 en € 1,4 miljoen zich laat verklaren door de kosten die hij heeft gemaakt (waarbij zijdens [eiser] ook uitdrukkelijk bewijs is aangeboden “van zijn stelling dat die kosten zijn gemaakt”). Wat ook weer aansluit op [eiser] ’ onder 3.4.5-3.4.6 hiervoor genoemde stellingen.
subonderdeel I.2.
subonderdeel I.3.
motiveringsklacht. Deze strandt op het volgende. De voorwaarde waaronder de klacht is ingesteld, is niet vervuld. Want het is duidelijk dat het hof in rov. 3.8 van het arrest geen ruimte ziet voor bewijsvoering zijdens [eiser] omdat hij de stelling van Evemij dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, níet - en dat is de mogelijke lezing waar de klacht tegen op komt - omdat hetgeen [eiser] ten bewijze heeft aangeboden niet ter zake zou doen in ’s hofs redenering. Bovendien bouwt de klacht voort op subonderdeel I.1, dat als gezegd faalt.
rechtsklacht. Deze strandt op het volgende. Omdat [eiser] de stelling van Evemij dat aan Hoofddorp Staete € 1.400.000,- voor het pand is betaald volgens het hof onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, mocht het hof dat feit als zodanig aannemen en was bewijslevering niet aan de orde. [27] Daaraan doet niet af dat het een aanbod van [eiser] tot tegenbewijs betreft. Ook bij een aanbod tot tegenbewijs geldt dat, om tot bewijslevering te worden toegelaten, de partij die het aanbod heeft gedaan eerst de door de wederpartij gestelde feiten voldoende gemotiveerd moet hebben betwist. [28] Wat [eiser] naar het oordeel van het hof dus niet heeft gedaan. Kort en goed: de door de klacht bedoelde schending door het hof van art. 151 lid 2 Rv Pro doet zich in werkelijkheid niet voor.
subonderdeel II.1.
I. Onrechtmatig handelen”, heeft hij onder meer benadrukt dat het bij diens door Evemij aan hem verweten handelen (uitsluitend) gaat om handelen als bestuurder van [A] en van Hoofddorp Staete. [36] En dat voor het aannemen van dergelijke bestuurdersaansprakelijkheid met de eis van een persoonlijk ernstig verwijt een hoge drempel geldt, welk uitgangspunt “dient door te werken in de beoordeling van de door Evemij vermeende vorderingen”. [37] Het sluitstuk van dit verweer luidt als volgt: [38]
subonderdeel II.2.
met [A]voorgenomen gezamenlijke herontwikkeling van het pand.
door [eiser] en [A]voorgenomen gezamenlijke herontwikkeling van het pand), terwijl tegen die overweging van de rechtbank geen grief was gericht. Daarmee is die feitenvaststelling door het hof, waarin er is meegedeeld dat de herontwikkeling zou plaatsvinden (alleen)
met [A], in strijd met het grievenstelsel.